Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AV6560

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
13-03-2006
Datum publicatie
24-03-2006
Zaaknummer
AWB 05/474 WA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 oktober 2004 heeft verweerder met ingang van 26 december 2004 de WAO-uitkering van eiseres ingetrokken, onder de overweging dat eiseres vanaf die datum niet langer, althans minder dan 15% arbeidsongeschikt is in de zin van die wet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 05 / 474 WAO

Uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[naam],

wonende te Heerlen, eiseres,

tegen

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemerverzekeringen (Heerlen),

gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum bestreden besluit: 4 februari 2005

Kenmerk: B&B 719.053.20 IB

Behandeling ter zitting: 14 februari 2006

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 4 februari 2005 heeft verweerder een door eiseres ingediend bezwaarschrift van 31 oktober 2004 tegen een door verweerder genomen besluit van 27 oktober 2004 inzake de toepassing van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ongegrond verklaard.

Tegen eerstgenoemd besluit is namens eiseres beroep ingesteld door haar gemachtigde mr. E.R. Lambooy, advocate te Utrecht.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan (de gemachtigde van) eiseres gezonden, evenals het door verweerder op 8 april 2005 ingediende verweerschrift.

De tijdens de loop van het geding aan het dossier toegevoegde stukken zijn in kopie aan partijen gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 14 februari 2006, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. Lambooy. Verweerder is niet verschenen.

2. Overwegingen

Eiseres is laatstelijk werkzaam geweest als productiemedewerkster in een toeleveringsbedrijf voor de automobielindustrie, gedurende 38 uur per week. Op 31 januari 2000 is eiseres in die werkzaamheden arbeidsongeschikt geworden. Bij besluit van 12 februari 2001 heeft verweerder aan eiseres met ingang van 29 januari 2001 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%. Een door eiseres ingediend bezwaarschrift, gedateerd 9 maart 2001, heeft verweerder bij beslissing op bezwaar van 25 oktober 2001 ongegrond verklaard. Tegen dat besluit is geen beroep ingesteld.

Per 15 augustus 2003 heeft eiseres zich, terwijl zij van verweerder een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, ziek gemeld. Na een daartoe ingesteld medisch onderzoek heeft verweerder eiseres bij besluit van 15 september 2003 doen weten dat zij met ingang van 5 oktober 2003 geen recht (meer) heeft op ziekengeld. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt.

De verzekeringsarts J.G.M. Poels heeft op basis van een nieuw medisch onderzoek van eiseres, zoals weergegeven in zijn rapportage algemeen van 12 oktober 2004, vastgesteld dat er sprake is van klachten die de functionele mogelijkheden van eiseres beperken. De mogelijkheden van eiseres zijn neergelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). Naast een eigen onderzoek heeft de verzekeringsarts kennis genomen van een expertise van revalidatiearts M.D.F. van Eijsden-Besseling, gedateerd 14 september 2004.

De arbeidsdeskundige A.T.M. Ederveen heeft op 25 oktober 2004 aan de hand van onderzoek door middel van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) aan eiseres meegedeeld dat zij met inachtneming van vermelde FML nog in staat wordt geacht een aantal werkzaamheden te verrichten. Daarop heeft de arbeidsdeskundige in zijn rapport van 25 oktober 2004 een drietal functies en een tweetal reservefuncties genoemd, die naar het oordeel van verweerder als algemeen geaccepteerde arbeid kunnen worden aangemerkt. Met het verrichten van die werkzaam-heden zou eiseres een verlies aan verdienvermogen hebben van 5,83%. Bij brief van 25 oktober 2004 is eiseres hierover schriftelijk geïnformeerd.

Bij besluit van 27 oktober 2004 heeft verweerder met ingang van 26 december 2004 de WAO-uitkering van eiseres ingetrokken, onder de overweging dat eiseres vanaf die datum niet langer, althans minder dan 15% arbeidsongeschikt is in de zin van die wet.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 31 oktober 2004 bezwaar aangetekend. Daartoe is - kort samengevat - aangevoerd dat naar de mening van eiseres het rapport van de revalidatiearts - een specialist op het gebied van RSI - niet is betrokken bij de oordeelsvorming en om die reden de verzekeringsarts tot een verkeerde conclusie is gekomen. Eiseres acht de verzekeringsarts ter zake geen deskundige, zijn oordeel dubieus en twijfelachtig. Eiseres verzoekt het rapport in de beoordeling mee te nemen en voorts dat ook Dr. [naam arts] en haar huisarts geraadpleegd worden. Op grond van haar ernstige klachten acht eiseres zich zeker voor 80-100% arbeidsongeschikt. Bij schrijven van 16 december 2004 worden namens eiseres de gronden van het bezwaar nader aangevuld. Aangevoerd wordt - kort samengevat - dat het maatmanloon en de verdiencapaciteit worden betwist, nu een arbeidskundig rapport van 9 februari 2001 zich niet bij de stukken bevindt. Voorts acht eiseres het opleidingsniveau 3 niet juist vastgesteld; naar de mening van eiseres dient dit te worden gesteld op 2. Tot slot maakt eiseres bezwaar tegen de geduide functies die naar haar oordeel niet passend zijn.

Bij het bestreden besluit van 4 februari 2005 heeft verweerder de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat de mate van arbeidsongeschiktheid per 26 december 2004 gesteld kan worden op minder dan 15%. Verweerder baseert zich daartoe op de rapporten van bezwaarverzekeringsarts P. Kerbusch van 22 december 2004 en van de bezwaararbeidsdeskundige A.F.M. van Belkom van 3 februari 2005.

In beroep is namens eiseres aangevoerd - kort gezegd - dat eiseres van mening is dat zij voor een hoger percentage arbeidsongeschikt is, omdat zij medisch meer beperkt is dan door de verzekeringsarts is aangenomen. Voorts heeft eiseres bezwaar tegen de door de arbeidsdeskundige geduide functies. Ter slotte is namens eiseres naar voren gebracht dat -kort samengevat- het Schattingsbesluit waarop de herkeuring is gebaseerd, een wettelijke grondslag ontbeert en om die reden wegens strijd met het recht, meer in het bijzonder artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM), artikel 12 van het Europees Sociaal Handvest (ESH) en een aantal nader aangeduide rechtsbeginselen, niet in stand kan blijven. Voor de desbetreffende gronden heeft de gemachtigde van eiseres aansluiting gezocht bij het op 10 november 2005, onder meer, door de Stichting CORV voor de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam (civiele kamer) aangespannen kort geding tegen het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV).

Centraal staat de vraag of de mate van arbeidsongeschiktheid per 26 december 2004, gelet op het Schattingsbesluit 2004 (Staatsblad 2004/434), correct is vastgesteld. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Om in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de WAO dient in ieder geval te zijn voldaan aan hetgeen is bepaald in artikel 18, eerste lid, van de WAO:

Arbeidsongeschikt, geheel of gedeeltelijk, is hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebreken, zwangerschap of bevalling geheel of gedeeltelijk niet in staat is om met arbeid te verdienen, hetgeen gezonde personen, met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan, met arbeid gewoonlijk verdienen.

Bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid maakt verweerder gebruik van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS). Het CBBS is in de plaats gekomen van het Functie Informatiesysteem (FIS). Het begrip “belastbaarheid” is daarbij vervangen door “functionele mogelijkheden”. Deze mogelijkheden worden weergegeven in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML). De rechtbank stelt, evenals de Centrale Raad van Beroep, voorop dat het CBBS in beginsel aanvaardbaar is als instrument om de mate van arbeidsongeschiktheid van een verzekerde te bepalen ingevolge de WAO, zoals neergelegd in het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten (vgl. Centrale Raad van Beroep, 9 november 2004, o.a. LJN: AR4718, 03/3648 WAO).

De rechtbank verwijst voorts naar haar uitspraken van 2 november 2005, gepubliceerd onder de nummers LJN AU5577 en AU5579, waar het beoordelingskader uiteen is gezet voor situaties waarbij de beslissing op bezwaar – zoals de onderhavige – dateert van vóór 1 juli 2005 en waarbij verweerder in de beroepsfase stukken heeft ingebracht waaruit mogelijke overschrijdingen bij de geduide functies zichtbaar zijn geworden middels een M of een G, en eventuele niet-matchende punten zijn aangegeven met een asterisk.

Met betrekking tot de gronden die strekken ten betoge dat het Schattingsbesluit, zoals dat per 1 oktober 2004 ingrijpend is gewijzigd (Staatsblad 2004/434), niet rechtmatig is, stelt de rechtbank voorop dat de gemachtigde van eiseres niet nader heeft gespecificeerd welke onderdelen van dit besluit, wegens strijd met het recht, naar haar oordeel niet aan het bestreden besluit ten grondslag hadden mogen worden gelegd. De rechtbank merkt in dit verband op dat artikel 8:2, aanhef en onder a, van de Awb, er aan in de weg staat dat bij de bestuursrechter beroep kan worden ingesteld tegen een algemeen verbindend voorschrift, zoals het Schattingsbesluit, als zodanig. Voor zover de kamer voor bestuursrechtelijke zaken van deze rechtbank al bevoegd zou zijn om de rechtmatigheid van de toepassing van het Schattingsbesluit in het onderhavige geval te toetsen, merkt de rechtbank voorts op dat de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam in voornoemd kort geding op

15 december 2005 uitspraak heeft gewezen (gepubliceerd op rechtspraak.nl onder nummer LJN: AU8191) Bij deze uitspraak heeft de voorzieningenrechter alle, ook namens eiseres aangevoerde, gronden verworpen. Met de daartoe strekkende overwegingen kan de rechtbank zich verenigen. De grief dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven op grond van onrechtmatigheid van het Schattingsbesluit kan dan ook niet slagen.

Wat betreft het medisch aspect van de in geding zijnde arbeidsongeschiktheidsbeoordeling heeft de rechtbank onvoldoende aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat de beperkingen van eiseres onjuist zouden zijn vastgesteld. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat de verzekeringsarts Poels ten aanzien van eiseres op 12 oktober 2004 een anamnese heeft afgenomen, zelfstandig een lichamelijk onderzoek heeft verricht en daarenboven kennis heeft genomen van het rapport van revalidatiearts M.D.F. van Eijsden-Besseling, gedateerd 14 september 2004. De bezwaarverzekeringsarts Kerbusch heeft bij haar oordeelsvorming ten aanzien van de voor eiseres vastgestelde beperkingen de beschikking gehad over het medisch dossier en is akkoord gegaan met de beperkingen zoals die zijn weergegeven in de rubrieken I, III, IV en V van de van toepassing zijnde FML. Voorts heeft de bezwaarverzekeringsarts er nog op gewezen dat enkel beperkingen kunnen worden toegekend op basis van objectieve bevindingen en niet op basis van klachten.

De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat verweerder ten aanzien van eiseres niet alle relevante feiten en omstandigheden met betrekking tot haar gezondheidstoestand (fysiek dan wel psychisch) in aanmerking zou hebben genomen.

Gelet hierop en in aanmerking nemende alle omtrent eiseres beschikbare medische gegevens stelt de rechtbank zich achter het oordeel van verweerder (in navolging van de verzekeringsartsen) dat de ten aanzien van eiseres in aanmerking genomen beperkingen juist zijn vastgesteld.

Wat eiseres overigens nog naar voren heeft gebracht over de vergelijking tussen het ten aanzien van haar op 4 januari 2001 opgesteld FIS-formulier en de thans opgestelde van toepassing zijnde FML van 13 oktober 2004 kan aan het bovenstaand oordeel van de rechtbank niet afdoen. De rechtbank kan zich vinden in hetgeen hieromtrent in het schrijven van de bezwaarverzekeringsarts J. Jonker van 7 februari 2006 is vermeld.

In bezwaar en beroep bij de rechtbank is namens eiseres naar voren gebracht dat het opleidingsniveau ten onrechte is gesteld op 3, terwijl dit naar het oordeel van eiseres op 2 dient te worden gesteld. Uit verweerders arbeidskundige rapporten valt op te maken dat eiseres in Marokko, na lager onderwijs, de middenschool en kappersschool heeft gevolgd zonder deze opleidingen met een diploma af te sluiten. In het jaar 1978 heeft eiseres een eenjarige secretaresseopleiding gevolgd en deze afgesloten met een diploma. Opleidingsniveau 3 impliceert: algemeen vormend of primair onderwijs of training/cursus die met basisschool toegankelijk is, afgesloten met diploma. Dat de eenjarige secretaresseopleiding ruim 26 jaar geleden is afgerond en eiseres geen relevante werkervaring heeft opgedaan in een aan deze opleiding gerelateerd beroep, rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie dat eiseres om die reden ingedeeld dient te worden in opleidingsniveau 2. Dit niveau imliceert immers: getuigschrift basisschool en eventueel meerdere jaren (klassen) vervolgonderwijs zonder diploma. Hierop gelet is de rechtbank met verweerder van oordeel dat op goede gronden het opleidingsniveau van eiseres wordt gewaardeerd op 3.

Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit overweegt de rechtbank voor het overige als volgt.

Aan de onderhavige schatting heeft verweerder de geduide functies van 1) Sbc-code 271091 machinebediende voedingsmiddelenindustrie, 2) Sbc-code 342021 portier, toezichthouders (divers) en 3) Sbc-code 516150 inkoper ten grondslag gelegd. Voorts is nog sprake van de reserve functies A) Sbc-code 342022 parkeercontroleur en B) Sbc-code 271122 operator chemische en kunststofverwerkende industrie.

Blijkens de arbeidsmogelijkhedenlijst van 15 november 2005 wordt uitdrukkelijk aangegeven dat voor de functie van machinebediende voedingsmiddelenindustrie als opleiding wordt vereist: gediplomeerd VMBO of MAVO. Voor de functie van portier met functienummer: 2991-0005-003 is een VMBO theoretische leerweg met diploma vereist en voor de functie van inkoper eveneens een VMBO-diploma.

Verweerders bezwaararbeidsdeskundige, mr. H.J.M. Saris, heeft in zijn rapport van 7 december 2005 dienaangaande opgemerkt dat eiseres in Marokko scholing heeft gevolgd die te vergelijken is met het VMBO. Die visie deelt de rechtbank niet. Naar het oordeel van de rechtbank had de bezwaararbeidsdeskundige ter onderbouwing van dit standpunt nader onderzoek dienen te verrichten ter beantwoording van de vraag of het opleidingsniveau dat overeenkomt met een eenjarige secretaresseopleiding vergelijkbaar is met dat van een afgerond VMBO-diploma, welke opleiding in de regel vier jaar duurt.

Onder verwijzing naar een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 16 februari 1999, 97/481 + 97/10974 AAW/WAO, RSV 1999/108, is de rechtbank van oordeel dat een strikte diploma-eis niet kan worden gecompenseerd door een andere opleiding. De functies van machinebediende voedingsmiddelenindustrie, portier en inkoper laat de rechtbank dan ook buiten beschouwing.

De navolgende drie resterende functies:

1) Sbc-code 342021 gastheer/gastvrouw;

2) Sbc-code 342022 parkeercontroleur;

3) Sbc-code 271122 operator chemische en kunststofverwerkende industrie

kunnen nog aan de schatting ten grondslag worden gelegd. Deze functies zijn immers gewaardeerd op opleidings-niveau 2. Naar het oordeel van de rechtbank kan van eiseres het verrichten van arbeid op dit niveau redelijkerwijs worden gevergd. Daarbij laat de rechtbank meewegen dat in deze functies geen diploma-eisen worden gesteld.

De rechtbank stelt aan de hand van het verhandelde ter zitting voorts vast dat voormelde functies zijn getoetst aan de voorwaarden die gesteld zijn door de CRvB in zijn uitspraken van 9 november 2004. Ten aanzien van de niet-matchende punten 4.1.1. (dominantie) en 7.1.0 (probleemoplossen) en het matchend item 5.7.0 (bovenschouder actief zijn) in de functie van gastheer/gastvrouw, alsmede het matchend item 3.3.1 (tocht) en niet-matchend item 7.3.0 (getordeerd actief zijn) in de functie van parkeercontroleur overweegt de rechtbank dat de gegeven toelichting c.q. motivering van bezwaararbeidsdeskundige Saris voldoende is om tot de conclusie te kunnen komen dat deze markeringen niet kunnen leiden tot een onaanvaardbare overschrijding van de belasting in deze geduide functie. Dit geldt evenwel niet voor de geduide functie van operator chemische en kunststofverwerkende industrie. Daartoe overweegt de rechtbank dat in het rapport van voornoemde bezwaararbeidsdeskundige geen motivering is gegeven ten aanzien van de matchende items 4.12.0 (kortcyclisch torderen), 4.13.1 (duwen en trekken) en 4.15.2 (tillen). Gezien de FML en de gegeven toelichting van de verzekeringsarts op deze items had zulks niet buiten beschouwing mogen blijven.

De geduide functie van operator chemische en kunststofverwerkende industrie dient naar het oordeel van de rechtbank dan ook buiten beschouwing te worden gelaten. Hierop gelet kan de onderhavige schatting geen stand houden, nu deze nog slechts zou berusten op twee functies, hetgeen is strijd met artikel 9, aanhef en onder a, van het Schattingsbesluit is.

Het voorgaande brengt mee dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit van 4 februari 2005 dient te worden vernietigd.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbij-stand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

De rechtbank kent ter zake 1 punt toe voor de indiening van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarbij 1 punt een waarde heeft van € 322,00. De rechtbank bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het te ver-goeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x € 322,00 x 1 = € 644,00.

Het bedrag van de reiskosten van eiseres wegens haar verschijning ter zitting wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bpb en artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 door de rechtbank vastgesteld op € 11,63, zijnde de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse.

Nu aan eiseres ter zake van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

Het verzoek om vergoeding van de eigen bijdrage ad € 90,00 met toepassing van artikel 8:73a Awb dient te worden afgewezen, omdat deze eigen bijdrage, nu immers een veroordeling in de proceskosten met toepassing van artikel 8:75 van de Awb is uitgesproken, door de griffier (in casu de Bedrijfsadministratie van de rechtbank) aan de rechthebbende zal worden uitgekeerd.

Gelet op de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2. draagt verweerder op om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van 31 oktober 2004;

3. bepaalt dat aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 37,00 wordt vergoed door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, gevestigd te Amsterdam;

4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op € 655,63, (waarvan wegens wegens de kosten van rechtsbijstand € 644,00), te vergoeden door voornoemde rechtspersoon aan de griffier van deze rechtbank.

Aldus gedaan door mr. R.E. Bakker voorzitter, en mrs. M.A.H. Span-Henkens en A.G.M. Jansberg in tegenwoordigheid van E.S.J.M. Naebers als griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2006 door mr. Bakker voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. ESJM Naebers w.g. R.E. Bakker

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 13 maart 2006

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.