Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AV5279

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
01-03-2006
Datum publicatie
17-03-2006
Zaaknummer
212551 EJ VERZ 06-89
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding Arbeidsovereenkomst; toegezegde promotie tot locatiedirecteur door werkgever niet nagekomen; vergoeding vastgesteld op basis van het directeurssalaris en met correctiefactor 2.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2006, 83
XpertHR.nl 2010-366869
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

zaaknr: 212551 EJ VERZ 06-89

beschikking van 1 maart 2006

inzake

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ENCI B.V.,

gevestigd te Maastricht,

verzoekster, verder te noemen ‘Enci’

gemachtigde: mr. J. Krijgsman, advocaat en procureur te ‘s-Gravenhage.

tegen:

[Verweerder],

[woonadres verweerder],

verweerder, verder te noemen ‘[Verweerder]’,

gemachtigde: mr. J.A.M.G. Vogels, advocaat en procureur te Maastricht.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE:

Op 13 januari 2006 is ter griffie ingekomen het verzoekschrift met producties van Enci strekkende tot ontbinding van de tussen haar als werkgeefster en [Verweerder] als werknemer bestaande arbeidsovereenkomst, wegens gewichtige redenen, zulks dadelijk of op korte termijn onder toekenning van een vergoeding van € 145.340,-- bruto. Op 14 februari 2006 is ingekomen het verweerschrift met producties van [Verweerder].

Partijen zijn gehoord ter terechtzitting van 16 februari 2006. Enci is aldaar verschenen vertegenwoordigd door haar directeur Human Resources [Naam directeur] alsmede bij haar gemachtigde mr. J. Krijgsman. [Verweerder] is verschenen in persoon bijgestaan door zijn raadsman mr. J. Vogels.

Van hetgeen ter mondelinge behandeling is verklaard heeft de griffier schriftelijk aantekening gehouden, waarvan de inhoud hier als ingelast geldt.

Voorafgaande aan de mondelinge behandeling heeft de gemachtigde van Enci nog een productie overgelegd.

MOTIVERING VAN DE BESLISSING:

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist, mede aan de hand van de overgelegde producties, het navolgende vast.

[Verweerder] is bij Enci in dienst getreden op 1 augustus 1990. Voor de reorganisatie was hij werkzaam in de functie van Hoofd Technische Dienst/Adjunct-directeur Bedrijven Lixhe/Maastricht tegen een salaris van € 8.074,40 bruto per maand inclusief vakantietoeslag, eindejaarsuitkering en compensatie OHT.

[Verweerder] was tot 1 januari 2004 Hoofd Technische Dienst van de ENCI-Maastricht en vanaf 1 januari 2004 mede adjunct-directeur. Op 19 oktober 2004 heeft de directie van Enci haar voorgenomen besluit bekendgemaakt om haar activiteiten in België en Nederland te herstructureren tengevolge waarvan de eerdere samenvoeging van Lixhe en Maastricht zou worden opgeheven. Deze opheffing had als gevolg, dat de functie van [Verweerder] zou komen te vervallen. De bedoeling was voorts dat [Verweerder] de nieuwe directeur voor de vestiging Enci Maastricht zou worden hetgeen ook aan de OR is medegedeeld.

De herstructurering heeft tot gevolg gehad dat er rumoer binnen het bedrijf van Enci is ontstaan en dat er zelfs een staking is geweest. Enci heeft haar herstructureringsplannen na overleg met de bonden en de OR moeten bijstellen. Na deze bijstelling kwam de voorgestelde keuze voor [Verweerder] om hem te benoemen tot directeur van de vestiging Maastricht sterk ter discussie te staan binnen de directie en binnen de onderneming van Enci. Zowel directie als Ondernemingsraad twijfelde aan het vermogen van [Verweerder] om Enci door de moeilijke situatie heen te leiden. Enci heeft uiteindelijk het besluit genomen [Verweerder] niet te benoemen tot directeur van de vestiging Maastricht.

Op 1 september 2005 is de heer [Naam bedrijfsdirecteur] in dienst getreden als bedrijfsdirecteur Enci Maastricht waarmee een einde is gekomen aan de periode waarin [Verweerder] als adjunct directeur heeft waargenomen en de voorbereidingen voor de reorganisatie heeft verricht.

1. De ontbinding van de arbeidsovereenkomst:

Partijen zijn het erover eens, dat een verdere vruchtbare samenwerking tussen hen niet tot de mogelijkheden behoort.

Hoewel [Verweerder] in zijn verweer aangeeft nog steeds bereid en in staat te zijn om de functie van bedrijfsdirecteur Maastricht te gaan vervullen is ter terechtzitting duidelijk geworden, dat Enci onder geen enkel beding nog met [Verweerder] in zee wil gaan en dat [Verweerder] ook inziet dat een terugkeer bij Enci niet meer mogelijk is.

De kantonrechter zal dan ook overgaan tot ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst op grond van gewichtige redenen bestaande uit verandering in de omstandigheden, welke van dien aard zijn, dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.

2. De ontbindingsvergoeding:

Enci is van mening, dat aan [Verweerder] een vergoeding toegekend dient te worden ad € 145.340,--. Zij heeft daartoe in de 1e plaats gesteld, dat de door haar voorgestelde toe te kennen vergoeding aan [Verweerder], gelet op alle omstandigheden van het geval een redelijke en ook billijke vergoeding is. Een hogere vergoeding acht zij niet op haar plaats nu zij aan [Verweerder] een voor hem passende functie heeft aangeboden van Hoofd Technische Dienst West, welke functie [Verweerder] heeft afgewezen. Tevens bleek [Verweerder] ook niet bereid mee te dingen naar de door haar gesuggereerde posities (functies) elders in de groep waartoe zij (Enci) ook behoort, te weten de nieuwe organisatie van Heidelberg Technology Centre.

Enci heeft verder nog aangevoerd, dat zij in redelijkheid op haar voornemen om [Verweerder] bedrijfsdirecteur Maastricht te maken heeft mogen terugkomen gelet op de zwaarwegende wijzigingen in de omstandigheden, te weten de problematiek van de reorganisatie met daaraan gekoppeld de afwijzing van [Verweerder] door de OR en de Bonden. Daarnaast had zij, in goed overleg met de bonden, besloten een onderzoek te doen naar de arbeidsverhoudingen uitgevoerd door het IVA Beleidsonderzoek en Adviesbureau van de heer [Naam onderzoeker], waarbij dat IVA Enci ontraadt [Verweerder] tot directeur te benoemen omdat hij niet de man is van wie een krachtig reorganisatiebeleid verwacht kan worden omdat hij noch de steun van de managers van het toekomstig MT noch de steun van de vakbonden en de Ondernemingsraad geniet.

[Verweerder] daarentegen is van mening, dat aan hem een vergoeding dient te worden toegekend groot € 410.540,--.

[Verweerder] komt tot dit bedrag op grond van het feit, dat Enci volledig er aan voorbijgaat, dat zij aan [Verweerder] een directeurschap heeft beloofd en deze belofte om niet valide redenen niet nakomt. Enci heeft zich – kort gezegd – niet gedragen als een goed werkgever nu Enci niet daadwerkelijk heeft gezocht naar een voor hem passende andere functie binnen of buiten haar bedrijf. Het aanbod van Hoofd Technische Dienst West kan niet als passend worden beschouwd omdat Enci hem had beloofd de functie van bedrijfsdirecteur Maastricht, een functie die is ingeschaald op CRG 28 zulks terwijl hij zelf was ingeschaald op CRG 26 en de functie van Hoofd Technische Dienst West is ingeschaald op CRG 24. Daargelaten dat hij dan ook nog eens een keer zou moeten verhuizen omdat die functie betrekking heeft op de bedrijven in Rotterdam en IJmuiden. De andere functies die Enci hem heeft aangeboden waren functies waarop hij diende te solliciteren en dat betroffen ook nog eens functies in het buitenland.

Naar aanleiding van hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd, kan de kantonrechter zich niet aan de indruk onttrekken, dat [Verweerder] de dupe is geworden van de door de vakbonden, de ondernemingsraad en het personeel ondernomen actie tegen de voorgenomen reorganisatie van het bedrijf waarbij het in eerste instantie ging om het sluiten van de klinkeroven in Maastricht. [Verweerder] werd daarbij door de vakbonden, de ondernemingsraad en het personeel gezien als het ‘brein’ achter die sluiting.

Zulke besluiten worden echter genomen door de hoofddirectie en niet door de directie in Maastricht. Tussen partijen staat ook vast, dat de hoofddirectie het besluit had genomen om over te gaan tot sluiting van de klinkeroven en dat aan [Verweerder] enkel was verzocht advies uit te brengen hoe dat besluit uit te voeren en ook bij de hoofddirectie het voornemen bestond om [Verweerder] die reorganisatie ook te laten uitvoeren.

Toen bleek, dat het besluit om over te gaan tot volledige sluiting van de klinkeroven, het niet zou halen bij de vakbonden, de ondernemingsraad en het personeel, en er gesproken werd over het in bedrijf houden van die klinkeroven, is de toekomstige functie van [Verweerder] onder druk komen te staan. Enci heeft zulks ook bevestigd in haar pleitnota: “Uit de gisteren nagezonden citaten uit de vergaderingen met de OR en de vakverenigingen blijkt het al. In vertrouwelijke gesprekken tussen de algemeen directeur en de bondsbestuurder bleek het nog meer. Bij het personeel en de vakverenigingen bestond wantrouwen tegen de situatie dat ENCI Maastricht zou worden geleid door diegene die voor een deel verantwoordelijk was voor de aanvankelijke plannen en dus voor de sluiting van de oven.”

Overigens zeggen deze citaten weinig of niets over [Verweerder]. Met het woord ‘directie’ kunnen even zo goed anderen dan [Verweerder] zijn aangeduid. Ook het rapport van [Naam onderzoeker] biedt geen inzicht in mogelijke kritiek op ‘de directie’ omdat van dat rapport enkel de op [Verweerder] betrekking hebbende pagina’s zijn overgelegd.

Uit dit laatste blijkt – naar het oordeel van de kantonrechter – overduidelijk dat Enci [Verweerder] heeft opgeofferd voor haar organisatie om zodoende het personeel, de vakbonden en de Ondernemingsraad voor zich te winnen.

Dit “opofferen” dient naar het oordeel tot uitdrukking gebracht te worden in de aan [Verweerder] ten laste van Enci toe te kennen vergoeding.

De kantonrechter is verder van oordeel, dat Enci zich ook verder niet heeft gedragen als een goed werkgever. De door haar aan [Verweerder] voorgestelde functie van Hoofd Technische Dienst West is naar het oordeel van de kantonrechter niet als een passende functie aan te merken. Enerzijds gelet op de looninschaling en anderzijds gelet op de afstand tussen de door hem vervulde functie in Maastricht en de toekomstige functie in Rotterdam en IJmuiden. Ook de andere mogelijkheden die Enci [Verweerder] heeft aangeboden kunnen naar het oordeel van de kantonrechter niet als passend worden aangemerkt. Los van het feit, dat [Verweerder] geen functie is aangeboden doch enkel gewezen is op een drietal functies waarop hij kon solliciteren waren dit functies die vervuld dienden te worden in het verre buitenland.

Met partijen is de kantonrechter dan ook van oordeel, dat aan [Verweerder] een ten laste van Enci komende vergoeding dient te worden toegekend.

Naast de leeftijd van [Verweerder] ( [Leeftijd verweerder]), zijn dienstverband bij Enci ([Dienstverband verweerder]) dient bij de vaststelling van die vergoeding ook rekening te worden gehouden met het salaris van [Verweerder]. Met [Verweerder] is de kantonrechter van oordeel dat uitgegaan dient te worden van het hem beloofde salaris en niet met het door [Verweerder] daadwerkelijk verdiende salaris. Immers was Enci haar belofte nagekomen had [Verweerder] het salaris verdiend van directeur Maastricht. Ook dient de door [Verweerder] sedert jaren ontvangen tantième bij de vaststelling van de hoogte van die vergoeding worden betrokken nu deze tantième – naar het oordeel van de kantonrechter – een structureel onderdeel van [Verweerder]’s salaris betreft nu er reeds meerdere jaren een tantième aan hem wordt uitgekeerd van gemiddeld € 9.000,-- per jaar.

Omdat onduidelijk is of over 2006 een salarisverhoging zal worden toegekend zal uitgegaan worden van het salaris over 2005.

De kantonrechter komt, gelet op hetgeen hiervoren is overwogen, dan ook tot de navolgende vergoeding. Uitgaande van een salaris van € 8.074,40 bruto per maand, een tantième van gemiddeld € 9.000,-- per jaar, een diensttijd van [Dienstverband verweerder], de leeftijd van [Verweerder] van [Leeftijd verweerder] en een correctiefactor van 2, komt de kantonrechter tot een vergoeding van € 300.000,--.

Enci zal overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:685, lid 9 van het Burgerlijk Wetboek in de gelegenheid worden gesteld uiterlijk 15 maart 2006 haar verzoek in te trekken.

De kantonrechter acht ten slotte termen aanwezig Enci te veroordelen in de proceskosten, deze aan de zijde van [Verweerder] begroot op totaal € 800,-.

BESLISSING:

Voor het geval Enci haar verzoek uiterlijk 15 maart 2006 niet intrekt:

Ontbindt de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 april 2006.

Kent aan [Verweerder] een ten laste van Enci komende vergoeding toe van € 300.000,-- bruto.

Veroordeelt Enci -voorzover nodig- tot betaling van die vergoeding aan [Verweerder].

Veroordeelt Enci in de kosten van deze procedure, deze aan de zijde van [Verweerder] tot deze uitspraak begroot op € 800,-.

Voor het geval Enci haar verzoek uiterlijk 15 maart 2006 intrekt:

Veroordeelt Enci in de kosten van deze procedure, deze aan de zijde van [Verweerder] tot deze uitspraak begroot op € 800,-.

Aldus gegeven en in het openbaar uitgesproken door mr. P.J.M. BRUIJNZEELS, kantonrechter, op 1 maart 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.