Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AV3946

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
08-03-2006
Datum publicatie
08-03-2006
Zaaknummer
03/700249-05
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHSHE:2007:BA4111, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van vijftien jaren in de zogenaamde "slaapwandelmoord".

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700249-05

Datum uitspraak: 8 maart 2006

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 februari 2006 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en geboortedatum verdachte],

wonende te [woonplaats verdachte],

thans gedetineerd in het Huis van Bewaring Grave (Unit A + B), Grave, Muntlaan 1.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 10 april 2005 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, te weten opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, [naam slachtoffer] heeft doodgestoken;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 10 april 2005 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk [naam slachtoffer] heeft doodgestoken.

De rechtbank dient dus de vraag te beantwoorden of moord dan wel doodslag op [naam slachtoffer] wettig en overtuigend bewezen kan worden en, in geval van een bewezenverklaring en strafbaarheid van de verdachte, welke sancties dienen te worden opgelegd.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 10 april 2005 te Geleen, in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk en met voorbedachten rade, te weten opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, [naam slachtoffer] heeft doodgestoken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

Bewijsoverweging

De verweten handelingen hebben op 10 april 2005, kort voor 23.00 uur, plaatsgevonden in de gang van de woning van de familie [naam slachtoffer] nadat, op aanbellen van verdachte, de voordeur was geopend door [naam slachtoffer].

[naam getuige 1], overbuurvrouw van verdachte, heeft bij de politie verklaard dat zij zich op 10 april 2005, omstreeks 22.55 uur, in het portiek van haar woning bevond en dat zij aan de overzijde van de straat een persoon in het portiek van de woning van verdachte zag staan.

[naam getuige 2], onderbuurvrouw van verdachte, heeft bij de politie verklaard dat zij nog vóór 23.00 uur hoorde dat iemand van boven naar beneden liep, dat de deur van het appartement afgesloten werd, dat de persoon op een normale manier de trap afliep, de voordeur opende en dat het lang duurde voordat die deur, zachter dan normaal, werd dichtgedaan en in het slot klikte. Vervolgens hoorde zij enige tijd niets. Normaal gesproken hoort zij goed als de voordeur dicht gaat en er iemand de trapjes afloopt, zeker als het ’s avonds of ’s nachts buiten rustig is. Zij nam derhalve aan dat er iemand in het portiekje nog enige tijd heeft staan wachten. Intussen hoorde zij de voordeur van de overburen, de woning direct naast de Rabobank, open en dicht gaan. Zij kon niet horen of er iemand naar binnen of naar buiten ging. Zij herkende dit geluid omdat de voordeur op de een of andere manier schuurt. Korte tijd na het geluid van die voordeur gehoord te hebben, hoorde zij geschreeuw. In dit schreeuwen meende zij de stem van verdachte te herkennen omdat het geschreeuw haar hetzelfde in de oren klonk als toen verdachte het jaar daarvoor van het dak viel.

De echtgenote van [naam slachtoffer], mevrouw [A.}, heeft bij de politie verklaard dat er werd aangebeld en dat zij, meteen nadat haar echtgenoot de voordeur had geopend, gestommel vanuit de hal hoorde, waarna zij naar de gang liep, waar zij haar man vlakbij de woonkamerdeur ineengedoken voorover op de grond zag liggen en verdachte als het ware over hem heen lag, terwijl op de grond een groot, bebloed, mes lag.

Getuige [L.] [naam slachtoffer], zoon van [naam slachtoffer], heeft tegenover de politie verklaard dat hij op zijn slaapkamer op zolder hoorde dat de bel ging en dat hij meteen daarna, hij schatte na zo’n vijftien seconden, zijn vader angstig hoorde schreeuwen en tevens spreken en gestommel hoorde, toen onmiddellijk naar beneden is gerend en in de gang zijn vader en verdachte zag, alsmede overal in de gang bloed.

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat verdachte op 10 april 2005 in de late avond met een vleesmes vanaf zijn appartement is gelopen naar de, drie percelen verderop gelegen, woning van de familie [naam slachtoffer], daar heeft aangebeld en heeft moeten wachten tot de voordeur werd geopend door het latere slachtoffer, dat op dat moment met zijn echtgenote in de woonkamer zat. Nadat de voordeur door [naam slachtoffer] was geopend, heeft verdachte direct vele malen op hem ingestoken. Uit het procesdossier noch uit het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat er vóór de steekpartij enige discussie heeft plaatsgevonden tussen verdachte en [naam slachtoffer]. Ook overigens zijn er in de processtukken geen aanknopingspunten te vinden voor een situatie tussen verdachte en [naam slachtoffer] die is geëscaleerd en geleid zou kunnen hebben tot handelen vanuit een plotselinge gemoedsopwelling.

Verdachte heeft in een korte tijdsspanne met een vleesmes - met een lemmet van ongeveer 20 centimeter lang – aan het slachtoffer snijwonden en dertien diepe tot zeer diepe messteken toegebracht, waarvan één zelfs negentien centimeter diep. De rechtbank is van oordeel dat verdachte door aldus te handelen de opzet heeft gehad [naam slachtoffer] dood te steken.

Op basis van het sectierapport is komen vast te staan dat de vele snij- en steekverwondingen die [naam slachtoffer] heeft opgelopen, zijn dood tot gevolg hebben gehad.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat verdachte [naam slachtoffer] met voorbedachte rade, te weten na kalm beraad en rustig overleg, van het leven heeft beroofd.

De verweren

De raadsvrouwe heeft om redenen die zij in de pleitnotitie heeft neergelegd - kort gezegd -

aangevoerd dat de voorbedachte rade en het opzet ontbreken. Verdachte zelf heeft ter terechtzitting - voor het eerst - aangevoerd dat hij niet wist dat hij [naam slachtoffer] doodstak omdat hij slaapwandelde.

De rechtbank deelt de conclusies van de raadsvrouwe niet. De voorbedachte rade heeft de rechtbank in het voorafgaande reeds besproken zodat dat verweer hier geen bespreking meer behoeft.

Anders dan de raadsvrouwe heeft betoogd brengt de omstandigheid dat verdachte geen motief heeft aangegeven en geen gewelddadig verleden heeft, niet met zich mee dat er geen sprake is van opzet.

De rechtbank verwerpt het beroep op geheugenverlies ten gevolge van een harde klap op het hoofd van verdachte, waarbij de raadsvrouwe kennelijk doelt op het inslaan met een houten stoel op verdachte door de zoon van [naam slachtoffer], direct nadat diens vader was neergestoken. Dat die klap(pen) zou(den) hebben geleid tot (blijvend) geheugenverlies ten aanzien van het gewelddadig handelen door verdachte is op geen enkele manier aannemelijk geworden. Daarbij heeft de rechtbank ook in aanmerking genomen dat verdachte, die enkele minuten na de steekpartij voor de woning van [naam slachtoffer] werd aangehouden, kort na zijn aanhouding tegenover verbalisant Bertou verklaarde: “Ik heb niets gedaan. Ik heb niets gedaan. Ik liep hier alleen maar langs.”, terwijl hij nadien tegenover de politie niets meer heeft verklaard met een beroep op zijn zwijgrecht. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard zich te beroepen op zijn zwijgrecht om zichzelf niet te belasten. Een en ander spoort niet met het beroep op geheugenverlies.

Voor zover de raadsvrouwe beoogt een beroep te doen op het ontbreken van opzet wegens een mogelijke psychische stoornis bij verdachte, verwerpt de rechtbank dat beroep alleen al om reden dat de aanwezigheid van een psychische stoornis bij verdachte niet vastgesteld is kunnen worden, omdat verdachte consequent heeft geweigerd mee te werken aan het verwerven van enig inzicht in zijn psyche.

De rechtbank acht ook niet aannemelijk dat verdachte het delict heeft begaan terwijl hij verkeerde in een toestand van slaapwandelen. De rechtbank heeft kennis genomen van het deskundigenrapport van professor Dr. G. Kerkhof, psycholoog, en Dr. R.J. Schimsheimer, neuroloog, gespecialiseerd in slaapstoornissen. Verdachte werd in december 2005 onderzocht in het Slaapcentrum van het Medisch Centrum Haaglanden. Naar aanleiding van dit onderzoek hebben voornoemde deskundigen een verslag uitgebracht, gedateerd 20 januari 2006. Zij zijn tot de conclusie gekomen dat er geen evidente aanwijzingen zijn te vinden voor een toestand van slaapwandelen tijdens het gebeurde op 10 april 2005 te Geleen.

Ter terechtzitting heeft Dr. R.J. Schimsheimer nog verklaard dat het weliswaar mogelijk is complexe handelingen te verrichten tijdens slaapwandelen, maar dat agressief ageren, zoals door verdachte gedaan, niet mogelijk is tijdens een toestand van slaapwandelen. Voorts is het naar zijn mening zeer uitzonderlijk als een toestand van slaapwandelen na een afwezigheid van twintig jaren opnieuw optreedt. Tenslotte acht de getuige-deskundige het hoogst onwaarschijnlijk dat een persoon tijdens het slaapwandelen twee maal bij een zelfde persoon terechtkomt.

De rechtbank verenigt zich, gelet op de daartoe aangevoerde gronden, met de bevindingen en conclusie van de deskundigen en maakt deze tot de hare.

Voorts heeft de rechtbank acht geslagen op een passage uit de bevindingen van de psychiater, mevrouw J. Loerakker, die deel uitmaken van het hierna te bespreken rapport van het Pieter Baan Centrum. Mevrouw Loerakker vermeldt op pagina 28 van haar rapport dat verdachte op haar vraag of hij zelf dacht dat het ten laste gelegde feit met slaapwandelen te maken had, resoluut zei: “Nee”. Op pagina 31 rapporteren de deskundigen van het Pieter Baan Centrum dat in het onderzoek geen aanwijzingen werden gezien die de hypothese van slaapwandelen ondersteunen. Op het voorhouden van deze passage ter terechtzitting heeft verdachte niet gereageerd.

De kwalificatie

Het primair bewezenverklaarde levert op een strafbaar feit dat moet worden gekwalificeerd als

moord.

De strafbaarheid van de verdachte

Omtrent de strafbaarheid van verdachte overweegt de rechtbank als volgt. De deskundigen van het Pieter Baan Centrum, mevrouw S.R. Schipper, psycholoog en mevrouw J. Loerakker, psychiater, die gepoogd hebben een onderzoek naar de geestvermogens van verdachte te verrichten, komen in hun rapport tot de navolgende conclusie:

Ten gevolge van betrokkenes weigering om zijn medewerking aan het onderzoek te verlenen, hebben ondergetekenden onvoldoende onderzoek kunnen verrichten naar de geestvermogens van betrokkene en zijn niet in staat antwoord te geven op de vraag of betrokkene ten tijde van het plegen van het hem ten laste gelegde feit - indien bewezen - lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis zijner geestvermogens, noch op de overige in hoofde gestelde vragen.

Betrokkene weigerde in het Pieter Baan Centrum zijn medewerking aan het onderzoek te verlenen. Buiten deze medewerking om kon niettemin door de maatschappelijk werker een milieurapportage worden opgesteld, en kon de groepsleiding gedurende zeven weken betrokkenes gedragingen op de afdeling observeren. Deze gegevens wezen, evenals de indrukken van de psycholoog en de psychiater, wel in de richting van een psychiatrische stoornis. Er bestaat al gedurende betrokkenes hele leven een stoornis in het contact die ook tijdens het verblijf in het Pieter Baan Centrum bestond. In het kader van welk ziektebeeld deze contactstoornis bestaat hebben wij echter niet kunnen onderzoeken. Ook hebben wij niet kunnen onderzoeken hoe en in hoeverre deze stoornis heeft doorgewerkt in het ten laste gelegde feit.

Gezien het bovenstaande kunnen wij vanuit gedragskundig oogpunt eveneens geen uitspraak doen over de kans op herhaling van een soortgelijk feit als thans ten laste gelegd.

Nu uit het rapport van de deskundigen is gebleken dat verdachte wel een contactstoornis heeft, maar - ondanks aanwijzingen in die richting - niet is komen vast te staan in het kader van welk ziektebeeld deze contactstoornis bestaat en of er sprake is van een psychiatrische stoornis, kan ook niet vastgesteld worden of en in hoeverre een psychiatrische stoornis van invloed is geweest op het plegen van het delict. Nu het bewezen verklaarde delict niet verklaard kan worden uit de contactstoornis op zichzelf, moet de rechtbank ervan uitgaan dat verdachte ten tijde van het plegen van het delict volledig toerekeningsvatbaar was.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straffen

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf.

De raadsvrouwe heeft betoogd dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het primair en subsidiair ten laste gelegde.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en door en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straffen het volgende.

Bij de bepaling van de op te leggen straffen is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Wat betreft de omstandigheden overweegt de rechtbank nog het volgende.

Op zondag 10 april 2005 belt verdachte laat op de avond aan bij het huis van de familie [naam slachtoffer]. Nadat de voordeur door [naam slachtoffer] wordt geopend, brengt verdachte, gewapend met een vleesmes, het slachtoffer vanaf de voordeur tot aan het einde van de gang een groot aantal messteken toe op een wijze waardoor [naam slachtoffer], die hem een jaar eerder nota bene hulp had verleend na een val van een dak, kansloos is. Dat rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Door deze gruwelijke en onherroepelijke daad, die in de wet met de zwaarst mogelijke straf wordt bedreigd, is niet alleen de onmiddellijke omgeving van [naam slachtoffer], maar ook de rechtsorde ernstig geschokt.

Het is de rechtbank duidelijk geworden dat het bewezenverklaarde feit bij veel personen onmetelijk verdriet heeft veroorzaakt. In het bijzonder bij de echtgenote, kinderen, verdere familie en vrienden van [naam slachtoffer] en bij andere direct betrokkenen, onder wie zijn buurtgenoten. Ook is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat het slachtoffer is vermoord in zijn woning een extra belasting vormt voor de nabestaanden. Immers, verdachte heeft de beslotenheid van de woning van familie [naam slachtoffer] op een gruwelijke en wrede manier verbroken.

De rechtbank geeft zich rekenschap van het feit dat geen enkele straf de nabestaanden met het aangerichte leed zal kunnen verzoenen.

De rechtbank dient evenwel ook rekening te houden met de persoon van de verdachte. Daarbij is gelet op voornoemd rapport van de deskundigen van het Pieter Baan Centrum en op het beeld dat de rechtbank naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van de verdachte heeft gekregen. De rechtbank heeft te maken met een zijn leven lang al contactgestoorde, geïsoleerd levende verdachte, bij wie een psychiatrische stoornis vermoed wordt en die geen inzicht heeft verschaft in zijn persoon en persoonlijke omstandigheden, zodat onduidelijk is gebleven wat het motief was voor zijn daad.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat er in de rapportage van

het Pieter Baan Centrum onvoldoende aanknopingspunten te vinden zijn die de conclusie rechtvaardigen dat er een groot gevaar is dat verdachte zich in de toekomst weer schuldig zal maken aan een soortgelijk feit als nu bewezen verklaard. Noch uit de justitiële documentatie van verdachte, noch uit de overige gegevens in het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken van geweldsdelicten in het verleden van verdachte.

De officier van justitie heeft zijn eis niet onderbouwd met vermelding van vergelijkbare zaken waaruit zou kunnen blijken dat een levenslange gevangenisstraf ook in deze zaak passend is.

Alhoewel er een tendens in de rechtspraak is te bespeuren waarbij vaker dan in het verleden levenslange gevangenisstraf wegens moord wordt opgelegd, is het niettemin onmiskenbaar dat grote terughoudendheid bij het opleggen van een dergelijke straf wordt betracht, zeker waar het gaat om zogeheten enkelvoudige moorden. Dit vloeit met name voort uit humanitaire overwegingen, waarbij in beginsel perspectief moet worden geboden op het op enig moment in de maatschappij kunnen terugkeren van een veroordeelde. Een levenslange gevangenisstraf zou dat perspectief onmogelijk maken.

In het licht van de straffen die in Nederland voor moord, begaan door een first-offender, plegen te worden opgelegd, en recht doende aan de bijzondere ernst van deze moord en de verdere omstandigheden in deze zaak, acht de rechtbank een tijdelijke gevangenisstraf voor de na te melden duur passend en geboden.

Het beslag

Het in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een vleesmes, blijkens het onderzoek ter terechtzitting toebehorend aan verdachte, is vatbaar voor verbeurdverklaring. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het een voorwerp is met behulp waarvan het bewezen verklaarde is begaan.

De in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven amfetamine is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. De amfetamine zal aan het verkeer worden onttrokken.

Ten aanzien van het in beslag genomen muntgeld is thans niet duidelijk wie daarop rechthebbende is. Derhalve zal de rechtbank de bewaring daarvan ten behoeve van de rechthebbende gelasten.

De overige in beslag genomen voorwerpen, bestaande uit een sleutel, schriftelijke (bank- en overige) bescheiden en een hoeveelheid messen, dienen aan de beslagene, verdachte, te worden teruggegeven, nu uit het onderzoek ter terechtzitting niet is gebleken dat het voorwerpen betreft met betrekking tot welke het bewezenverklaarde is begaan.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van VIJFTIEN JAREN;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- verklaart verbeurd het volgende inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: een vleesmes (30 centimeter, zwart heft);

- beveelt de onttrekking aan het verkeer van het volgende in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp: 1 gram amfetamine;

- beveelt teruggave van de volgende inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, een sleutel, schriftelijke (bank- en overige) bescheiden (van een gerechtsdeurwaarder) en vier messen (steakmes, botermes, broodmes en een vleesmes), [naam verdachte], voornoemd;

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het inbeslaggenomene, te weten: muntgeld (1 euro, 1 x 20 cent, 2 x 1 cent).

Het vonnis is aldus gewezen door mr. A.C.A. Schreinemakers, voorzitter, mr. W.L.J. Voogt en mr. Th.J.M. Oostdijk, rechters, in tegenwoordigheid van G.L.P. Biesmans, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 maart 2006