Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AV1549

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
18-01-2006
Datum publicatie
13-02-2006
Zaaknummer
200222 CV EXPL 05-2550
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ongeval op weg naar het werk. Werkgever niet gehouden tot schadevergoeding.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Burgerlijk Wetboek Boek 7 658
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAR 2006, 58
JA 2006/62
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

zaakno: 200222 CV EXPL 05-2550

typ: PB

coll:

Vonnis d.d. 18 januari 2005

inzake:

[Naam eisende partij],

wonende te [Woonadres eisende partij],

eisende partij,

gemachtigde: mr. H.W.F.M. Schmitz te Maastricht,

rolgemachtigde: mr. R.J.V.M. Batta, deurwaarder te Maastricht,

tegen:

de stichting STICHTING DOMICURA,

gevestigd en kantoorhoudende te Maastricht aan het Sint Servaasklooster 32,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. drs. C.A.H. Lemmens

rolgemachtigde: M.M.J. Haenen, deurwaarder te Maastricht.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE:

Door partijen zijn achtereenvolgens de navol-gende proces-stukken gewisseld:

- exploot van dagvaarding d.d. 19 augustus 2005 met producties;

- conclusie van antwoord met producties;

- conclusie van repliek met producties;

- conclusie van dupliek.

De inhoud van alle hiervoor genoemde stukken geldt als hier ingelast.

Daarna is vonnis bepaald op heden.

HET GESCHIL:

Partijen worden hierna ook aangeduid als '[Naam eisende partij]' en 'Domicura'.

[Naam eisende partij] vordert, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

1. voor recht te verklaren dat Domicura jegens haar aansprakelijk is voor alle schade, daaronder begrepen de (im)materiële schade, die zij ten gevolge van het haar op 22 december 2004 overkomen ongeval lijdt, heeft geleden dan wel nog zal lijden en Domicura te veroordelen tot vergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de Wet, (van die schade), te vermeerderen met de wettelij-ke rente, te berekenen vanaf 22 december 2004 tot aan de dag der algehele betaling;

2. Domicura te veroordelen in de kosten van dit geding, waartoe uitdrukkelijk te rekenen de kosten van gemachtigde.

Domicura heeft tegen de vordering verweer gevoerd.

MOTIVERING VAN DE BESLISSING:

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of niet voldoende weersproken, mede op grond van de niet be-twiste inhoud van de overgelegde produc-ties, kan van het navolgende worden uitgegaan.

[Naam eisende partij] is sedert 12 juni 2000 bij Domicura in dienstbetrekking werkzaam als verzorgende C en D. Op de arbeidsovereenkomst is de CAO voor de Thuiszorg van toepassing. [Naam eisende partij] werkt op parttime basis (21 uur per week); haar salaris bedroeg laatstelijk € 855,07 bruto per vier weken. Bij de uitvoering van haar werkzaamheden dient [Naam eisende partij] gebruik te maken van een auto. Zij ontvangt daarvoor een reiskostenvergoeding; voorts wordt reistijd vergoed. Op 22 december 2004 is [Naam eisende partij] betrokken geraakt bij een verkeersongeval; sedertdien is zij om medische redenen niet in staat tot het verrichten van haar arbeid.

[Naam eisende partij] stelt tengevolge van dat ongeval schade te hebben geleden. Zij acht Domicura gehouden tot vergoeding van die schade. Zij heeft daartoe primair aangevoerd dat het ongeval haar tijdens werktijd is overkomen: zij was van huis op weg naar het adres waar zij haar eerste cliënt voor die dag diende te verzorgen. Dat zij haar kind bij zich in de auto had, maakt dat niet anders. De oppas zou dat kind vanaf dat eerste adres komen ophalen. Domicura is haars inziens op grond van het bepaalde in artikel 7:658 BW gehouden tot vergoeding van haar schade; daarnaast acht [Naam eisende partij] Domicura aansprakelijk op grond van goedwerkgeverschap, de redelijkheid en de billijkheid. [Naam eisende partij] heeft er in dat verband op gewezen dat zij van Domicura een vergoeding ontvangt voor de door haar gereden kilometers, waaronder de kilometers die zij met haar auto maakt van haar woonadres naar de eerste cliënt. Ook ontvangt zij voor de tijd die gemoeid is met het vanaf haar thuisadres naar de eerste cliënt rijden een vaste reistijdvergoeding van een half uur.

Domicura heeft betoogd dat het ongeluk heeft plaatsgehad in privé-tijd. [Naam eisende partij] bracht haar kind weg naar de oppas, zo heeft zij –anders dan zij thans stelt– bij haar ziekmelding gemeld. Daarnaast kan volgens Domicura, zeker zolang als het kind zich in de auto bevond, niet worden gesproken van reistijd die verband houdt met de door [Naam eisende partij] uit te voeren werkzaamheden: reistijd aan het begin of het einde van de werktijd is volgens Domicura, onder verwijzing naar de CAO, alleen dan aan te merken als werktijd voorzover deze reistijd meer bedraagt dan de voor de werknemer gebruikelijke reistijd van woon-/werkverkeer. [Naam eisende partij] had zich bovendien op grond van de CAO voldoende dienen te verzekeren voor ongevallen tijdens diensttijd.

De kantonrechter overweegt hierover het volgende.

Op grond van (onder meer) het ook door partijen genoemde arrest van de Hoge Raad (HR) in de zaak De Bont/Oudenallen (JAR 2002/205) geldt als uitgangspunt dat, indien een ongeval niet heeft plaatsgevonden tijdens werkuren of in de uitoefening van de opgedragen werkzaamheden doch tijdens het woon-werkverkeer, de werkgever in beginsel niet op grond van het bepaalde in artikel 7:658 BW gehouden is tot vergoeding van de door de getroffen werknemer geleden schade. Het ontbreken van aansprakelijkheid op grond van artikel 7:658 BW betekent overigens niet dat de werkgever onder omstandigheden niet op een andere grond jegens zijn werknemer aansprakelijk kan zijn.

Het onderhavige geval wijkt echter naar het oordeel van de kantonrechter af van dat arrest, waarin de werknemer in verband met een door zijn werkgeefster aanvaarde opdracht was aangewezen om met zijn eigen auto het vervoer te verzorgen van zichzelf en enkele mede-werknemers naar de, ver van zijn woonplaats verwijderde, plaats waar zij hun werkzaamheden moesten uitvoeren en waarvoor de werknemer op grond van de daar toepasselijke CAO-bepalingen een reisurenvergoeding, een autokosten-vergoeding en een meerijderstoeslag ontving. In dat geval moest het vervoer volgens de HR worden gekwalificeerd als vervoer dat op één lijn te stellen is met vervoer dat plaatsvindt krachtens de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst en in het kader van de voor de werkgever uit te voeren werkzaamheden. Daaruit vloeide voort dat de werkgever, gezien de aard van de arbeids-overeenkomst en de eisen van redelijkheid en billijkheid als bedoeld in art. 6:248 lid 1 BW, in beginsel de niet door een verzekering gedekte schade die de werknemer leed doordat hij tijdens vervoer als hiervoor bedoeld een verkeersongeval had veroorzaakt, heeft te dragen behoudens in het, zich daar niet voordoende, geval van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer. De afwijking zit niet zozeer in de omstandigheid dat ook die werknemer was aangewezen om met eigen auto het vervoer te verzorgen van zichzelf (en enkele mede-werknemers naar de, ver van zijn woonplaats verwijderde, plaats waar zij hun werkzaamheden moesten uitvoeren). Ook [Naam eisende partij] diende op grond van de arbeidsovereenkomst met eigen vervoer te reizen . Zij ontving immers op grond van de CAO een Reis- en verblijfkostenvergoeding (artikel 74 van de CAO luidt:

"Aan de werknemer die aan zijn werk verbonden reis- en/of verblijfkosten moet maken, worden deze kosten vergoed op grond van de Uitvoeringsregeling J Reis- en verblijfkostenvergoeding").

Afwijkend is echter dat in casu op grond van die uitvoeringsregeling bij de CAO niet kan worden aangenomen dat de reistijd van huis naar de eerste cliënt aangemerkt moet worden als werktijd en niet als woon-/werkverkeer. In de op de arbeidsverhouding tussen [Naam eisende partij] en Domicura van toepassing zijnde CAO is arbeidsduur immers –voor zover hier van belang– gedefinieerd als:

de - met inachtneming van deze CAO - tussen werkgever en werknemer overeengekomen tijd waarin arbeid wordt verricht, waarbij inbegrepen:

- reis- en wachttijden die hun oorzaak vinden in de door de werkgever opgedragen werkzaamheden inclusief de door gebroken diensten veroorzaakte extra reistijd;

- met houden van spreekuren;

- reistijd verbonden aan werkzaamheden buiten de plaats van tewerkstelling en/of het werkgebied aan het begin en/of het einde van het werk, voorzover deze reistijden meer bedragen dan de voor de werknemer gebruikelijke reistijden van het woon-/werkverkeer.

Indien met "buiten de plaats van tewerkstelling" of "werkgebied" (bij het derde gedachtestreepje) al bedoeld zou zijn het adres van de eerste te bezoeken cliënt, dan is de daar bedoelde reistijd afgeperkt door de eveneens daar opgenomen uitzondering, inhoudende "voorzover deze reistijden meer bedragen dan de voor de werknemer gebruikelijke reistijden van het woon-/werkverkeer". Het eerste gedachtestreepje ziet naar dezerzijds oordeel op de andere reistijden dan aan het begin of aan het einde van het werk.

Daarnaast is de kantonrechter van oordeel dat Domicura zich terecht en op goede gronden heeft beroepen op het onderdeel van de van toepassing zijnde Uitvoeringsregeling J, handelend over reis- en verblijfskostenvergoedingen, waarin is opgenomen dat de werknemer die aan zijn werk gerelateerde reis- en verblijfkosten moet maken en die daarbij gebruik dient te maken van een motorvoertuig, voor en adequate verzekering dient te zorgen die tevens de aansprakelijkheid van de werkgever dekt. Anders dan [Naam eisende partij] heeft betoogd geldt die bepaling, grammaticaal geïnterpreteerd, niet uitsluitend derden. Dat de CAO-partijen een andere interpretatie voorstaan of

–stonden is gesteld noch gebleken.

Hetgeen [Naam eisende partij] overigens heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel, zodat als volgt zal worden beslist.

BESLISSING:

Wijst de vordering af.

Veroordeelt eisende partij in de aan de zijde van gedaagde partij gerezen proceskosten, deze tot aan dit vonnis in totaal begroot op € 600,= wegens salaris van de gemachtigde.

Verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door Mr. P.J.M. Bruijnzeels, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op woensdag 18 januari 2006, in tegenwoordigheid van de griffier.