Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AV1166

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
23-01-2006
Datum publicatie
07-02-2006
Zaaknummer
AWB 05/1058 WW ZWA
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank kan in het kader van hoofdstuk IV van de WW de vergoeding over niet genoten tijd-voor-tijd-uren niet gelijkgesteld worden met vakantiegeld of vakantiebijslag als bedoeld in onderdeel c van artikel 64 van de WW, doch valt deze vergoeding wel onder het loonbegrip van de onderdelen a en b van voormeld artikel. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 november 2004, gepubliceerd in RSV 2005/29. Voor zover de tijd-voor-tijd-uren op het moment waarop het faillissement werd uitgesproken nog niet aan eiser waren vergoed, bestond toen voor [werkgeefster] de verplichting deze uren aan eiser te vergoeden. Eiser had op dat moment terzake 267,73 tijd-voor-tijd-uren nog geen vergoeding ontvangen. Van deze uren komen voor vergoeding op basis van artikel 64, onderdelen a en b, van de WW in aanmerking de tijd-voor-tijd-uren welke eiser heeft opgebouwd en tegoed heeft over de periode van 2 april 2004 tot en met 12 augustus 2004.

Eiser heeft in de periode van 2 april 2004 tot en met 12 augustus 2004 37,47 tijd-voor-tijd-uren opgebouwd. In mei 2004 heeft eiser 10,45 tijd-voor-tijd-uren in de vorm van vrije tijd opgenomen. Laatstbedoelde uren dienen naar het oordeel van de rechtbank in mindering te worden gebracht op het tegoed aan tijd-voor-tijd-uren dat eiser vóór 2 april 2004 heeft opgebouwd, zijnde een tegoed van 230,26 uren. De rechtbank volgt daarin het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in zijn uitspraak van 14 juli 1998, C-125/97 (LJN ZB7796).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 05 / 1058 WW ZWA

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[naam eiser],

wonende te Geleen, eiser,

tegen

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (Venlo),

gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum bestreden besluit: 21 april 2005

Kenmerk: B&B 038.022.24 JP

Behandeling ter zitting: 8 december 2005

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij het in de aanhef van deze uitspraak vermelde besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen verweerders besluit van 26 januari 2005, waarbij verweerder eiser een uitkering als bedoeld in hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet heeft toegekend, ongegrond verklaard

Eisers gemachtigde, A.M.C. Kuijer, werkzaam bij CNV Bedrijvenbond, heeft daartegen namens eiser beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in kopie aan de gemachtigde van eiser gezonden. De inhoud van deze stukken wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 8 december 2005. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet ter zitting verschenen. Verweerder is verschenen bij gemachtigde

J. Huijs.

2. Overwegingen

Eiser was sedert 1 maart 2003 op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst bij [werkgeefster] te Sittard. Op 30 juni 2004 is het faillissement van voornoemde vennootschap uitgesproken. Eisers laatste werkdag was 22 juni 2004. Eiser heeft vervolgens aan verweerder verzocht hem een uitkering als bedoeld in hoofdstuk IV van de Werkloosheidswet (hierna: WW) toe te kennen.

Bij besluit van 26 januari 2005 heeft verweerder de uitkering toegekend. Tot deze uitkering behoort een bedrag wegens de overuren (zogeheten tijd-voor-tijd-uren) die eiser heeft opgebouwd gedurende de periode van 2 april 2004 tot en met 12 augustus 2004. Verweerder heeft 27,02 uren aan eiser vergoed.

Eisers gemachtigde heeft daartegen namens eiser bezwaar gemaakt. Eiser heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om op het bezwaar te worden gehoord.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder eisers bezwaar ongegrond verklaard.

Eiser kan zich daarmee niet verenigen. Eiser heeft gedurende de periode van 1 mei 2003 tot en met 30 april 2004 tijd-voor-tijd-uren opgebouwd. Gelet op de geldende CAO-bepalingen had [werkgeefster] het op 30 april 2004 door eiser opgebouwd aantal uren per voormelde datum aan eiser moeten uitbetalen. [werkgeefster] heeft het betreffende bedrag, € 4.147,48 bruto, echter niet aan eiser betaald. Eiser is van mening dat dit bedrag in het kader van de overnemingsregeling van hoofdstuk IV van de WW door verweerder aan hem betaald dient te worden. Eiser stelt zich hierbij op het standpunt dat dit bedrag niet als loon in de zin van artikel 64, onderdeel a, van de WW moet worden beschouwd, maar dat dit bedrag te vergelijken is met vakantiegeld, nu jaarlijks pas op 30 april aanspraak op uitbetaling van de opgebouwde tijd-voor-tijd-uren bestond en deze uren in de tussenliggende periode slechts in overleg met de werkgever (in de vorm van vrije tijd) konden worden opgenomen. Voor de uitbetaling van deze uren dient daarom volgens eiser bij het bepaalde in artikel 64, onderdeel c, van de WW, welk onderdeel onder meer gaat over vakantiegeld, te worden aangesloten. Gelet hierop had verweerder zich volgens eiser niet mogen beperken tot betaling van de gedurende de periode 2 april 2004 tot en met 12 augustus 2004 opgebouwde tijd-voor-tijd-uren.

Verweerder heeft in zijn verweerschrift aangevoerd dat de door eiser opgebouwde tijd-voor-tijd-uren op grond van vaste jurisprudentie als loon moeten worden beschouwd en dat derhalve, gelet op artikel 64, onderdelen a en b, van de WW, alleen de uren die in de periode van 2 april 2004 tot en met 12 augustus 2004 door eiser zijn opgebouwd voor vergoeding op grond van hoofdstuk IV van de WW in aanmerking kunnen komen. Eiser heeft in die periode 37,47 tijd-voor-tijd-uren opgebouwd, doch in die periode 10,45 tijd-voor-tijd-uren in de vorm van vrije tijd opgenomen. Verweerder heeft daarom 37,47 – 10,45 = 27,02 tijd-voor-tijd-uren aan eiser vergoed.

De rechtbank dient in dit geding te beoordelen, of het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Artikel 61, eerste lid, van de WW, luidt:

“Een werknemer heeft recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk, indien hij van een werkgever, die in staat van faillissement is verklaard, aan wie surséance van betaling is verleend, ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is, of die anderszins verkeert in de blijvende toestand dat hij heeft opgehouden te betalen, loon, vakantiegeld, of vakantiebijslag te vorderen heeft of indien hij geldelijk nadeel kan ondervinden doordat deze werkgever bedragen die hij in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, niet heeft betaald”.

Artikel 64 van de WW luidt:

“Het recht op uitkering op grond van dit hoofdstuk omvat:

a. het loon over ten hoogste 13 weken, onmiddellijk voorafgaande aan de dag van opzegging van de dienstbetrekking of, indien de dienstbetrekking niet of op een later dan het daarvoor redelijkerwijs in aanmerking komende moment is opgezegd, onmiddellijk voorafgaande aan de dag waarop de dienstbetrekking naar het oordeel van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen redelijkerwijs had moeten worden opgezegd;

b. het loon over ten hoogste de voor de werknemer geldende termijn van opzegging of de termijn van opzegging, die zou hebben gegolden als deze termijn was aangevangen op de op grond van onderdeel a door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen vastgestelde dag, met dien verstande dat de krachtens artikel 40 van de Faillissementswet ten aanzien van de werknemer geldende termijn, zowel in als buiten faillissement, niet wordt overschreden;

c. het vakantiegeld, de vakantiebijslag en de bedragen, die de werkgever in verband met de dienstbetrekking met de werknemer aan derden verschuldigd is, over ten hoogste het jaar onmiddellijk voorafgaande aan het tijdstip waarop de in onderdeel b bedoelde termijn eindigt”.

Onbestreden is dat de in artikel 64, onderdelen a en b, van de WW bedoelde referentieperiode in dit geval de periode van 2 april 2004 tot en met 12 augustus 2004 is.

Naar het oordeel van de rechtbank kan in het kader van hoofdstuk IV van de WW de vergoeding over niet genoten tijd-voor-tijd-uren niet gelijkgesteld worden met vakantiegeld of vakantiebijslag als bedoeld in onderdeel c van artikel 64 van de WW, doch valt deze vergoeding wel onder het loonbegrip van de onderdelen a en b van voormeld artikel. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 24 november 2004, gepubliceerd in RSV 2005/29. Voor zover de tijd-voor-tijd-uren op het moment waarop het faillissement werd uitgesproken nog niet aan eiser waren vergoed, bestond toen voor [werkgeefster] de verplichting deze uren aan eiser te vergoeden. Eiser had op dat moment terzake 267,73 tijd-voor-tijd-uren nog geen vergoeding ontvangen. Van deze uren komen voor vergoeding op basis van artikel 64, onderdelen a en b, van de WW in aanmerking de tijd-voor-tijd-uren welke eiser heeft opgebouwd en tegoed heeft over de periode van 2 april 2004 tot en met 12 augustus 2004.

Eiser heeft in de periode van 2 april 2004 tot en met 12 augustus 2004 37,47 tijd-voor-tijd-uren opgebouwd. In mei 2004 heeft eiser 10,45 tijd-voor-tijd-uren in de vorm van vrije tijd opgenomen. Laatstbedoelde uren dienen naar het oordeel van de rechtbank in mindering te worden gebracht op het tegoed aan tijd-voor-tijd-uren dat eiser vóór 2 april 2004 heeft opgebouwd, zijnde een tegoed van 230,26 uren. De rechtbank volgt daarin het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen in zijn uitspraak van 14 juli 1998, C-125/97 (LJN ZB7796), waarin dit Hof voor recht verklaarde:

“Artikel 4, lid 2, van richtlijn 80/987/EEG van de Raad van 20 oktober 1980 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten inzake de bescherming van de werknemers bij insolventie van de werkgever, moet aldus worden uitgelegd, dat indien een werknemer jegens zijn werkgever vorderingen heeft die betrekking hebben op perioden van arbeid, gelegen vóór de in die bepaling bedoelde referentieperiode, en tegelijkertijd vorderingen over de referentieperiode zelf, de door de werkgever in laatstgenoemde periode verrichte loonbetalingen bij voorrang moeten worden toegerekend aan daarvóór ontstane aanspraken”.

Gelet op het hiervoor overwogene had verweerder eiser in het kader van de overname van de werkgeversverplichtingen van [werkgeefster] 37,47 tijd-voor-tijd-uren moeten vergoeden.

Nu verweerder eiser slechts 27,02 tijd-voor-tijd-uren heeft vergoed, kan het bestreden besluit wegens strijd met artikel 64, onderdelen a en b, van de WW en artikel 7:12 van de Awb niet in stand blijven en dient verweerder een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiser te nemen met inachtneming van de overwegingen in deze uitspraak.

Voorts acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken.

Deze proceskostenveroordeling heeft betrekking op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan het bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De rechtbank kent daarbij ter zake van de verrichte proceshandelingen een punt met een waarde van € 322,00 toe voor de indiening van het beroepschrift en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1).

Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 1 x € 322,00 x 1 = € 322,00.

Op grond van het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De Rechtbank Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2. draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen op het bezwaarschrift van eiser met inachtneming van deze uitspraak;

3. bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 37,00 wordt vergoed door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;

4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 322,00 (wegens de kosten van rechtsbijstand), te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan eiser.

Aldus gedaan door mr. A.W. Oosterman, in tegenwoordigheid van mr. A.G.P.M. Zweipfenning, als griffier en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2006 door mr. Oosterman voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. A. Zweipfenning w.g. Oosterman

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 23 januari 2006

LJN AV 1166

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.