Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AV0820

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
31-01-2006
Datum publicatie
02-02-2006
Zaaknummer
03/005726-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Procedure ex artikel 557 lid 3 WvSv. Niet is vast komen te staan dat het rechtsmiddel ná het verstrijken van de daarvoor geldende termijn door of namens verzoeker is aangewend. De voorzieningenrechter ziet daarin aanleiding om het verzoek van verzoeker toe te wijzen en derhalve de executie in de strafzaak te schorsen totdat onherroepelijk op het ingestelde hoger beroep is beslist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht – Voorzieningenrechter als bedoeld in artikel 557 lid 3 WvSv

Datum uitspraak: 31 januari 2006

Parketnummer: 03/005726-02

Beschikking in de zaak van

[verzoeker],

wonende te Paramaribo (Suriname),

thans verblijvende in de P.I. Midden Holland, unit De Vest te Haarlem,

verzoeker,

gemachtigde: mr. R.J.H. Corten, advocaat te Sittard,

tegen

HET OPENBAAR MINISTERIE,

ten deze vertegenwoordigd door officier van justitie mr. L.H.M. Geuns,

verweerder.

1. Verloop van de procedure

[verzoeker] heeft bij verzoekschrift met producties van 27 december 2005, ingekomen ter griffie op 27 december 2005, de voorzieningenrechter van de sector strafrecht van deze rechtbank op de voet van het bepaalde in artikel 557 lid 3 onder 2? van het Wetboek van Strafvordering verzocht om de executie van het vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken in de rechtbank Maastricht van 23 december 2003, gewezen onder parketnummer 03/005726-02, te schorsen totdat op het op 27 oktober 2005 ingestelde hoger beroep onherroepelijk is beslist. Bij brief van 10 januari 2006, ingekomen ter griffie op 11 januari 2006, heeft de mr. R.J.H. Corten nog aanvullende stukken in het geding gebracht.

De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft het verzoek behandeld ter openbare terechtzitting van 25 januari 2006. Verschenen zijn [verzoeker], bijgestaan door zijn raadsman, mr. R.J.H. Corten, en namens het Openbaar Ministerie mr. L.H.M. Geuns, officier van justitie (hierna de officier van justitie). Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

De datum van de uitspraak is bepaald op heden.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 25 januari 2006 wordt in dit geding uitgegaan van de volgende feiten.

- Bij vonnis van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Maastricht van 23 december 2003, gewezen onder parketnummer 03/005726-02, is [verzoeker] bij verstek veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren.

- Op 12 november 2004 is overeenkomstig het bepaalde in artikel 353 van het Surinaamse

Wetboek van Strafvordering de mededeling van voornoemd verstekvonnis uitgereikt aan de huisgenote en echtgenote van [verzoeker], mevrouw [X].

- Op 24 oktober 2005 te 19.00 uur werd [verzoeker] in Paramaribo (Suriname) aangehouden ter fine van uitlevering aan Nederland.

- Op 27 oktober 2005 heeft mr. R.J.H. Corten namens [verzoeker] ter griffie van de rechtbank Maastricht hoger beroep tegen voornoemd bij verstek gewezen vonnis aangetekend, waarbij hem werd medegedeeld dat de tegen [verzoeker] uitgesproken veroordeling op 27 november 2004 onherroepelijk was geworden.

- Op 2 november 2005 is mevrouw [X] door de Surinaamse politie gehoord met betrekking tot de uitreiking van de mededeling verstekvonnis op 12 november 2004.

- [verzoeker] is op 16 november 2005 vanuit Suriname naar Nederland overgebracht en is op 17 november 2005 geplaatst in het huis van bewaring te Haarlem ter fine van executie van het vonnis van 23 december 2003.

3. Het verzoek

3.1 [verzoeker] ontkent en betwist dat zijn huisgenote en echtgenote, mevrouw [X], hem op of omstreeks 12 november 2004 dan wel nadien in kennis heeft gesteld van de ontvangst van een gerechtelijk schrijven en/of de inhoud daarvan. [verzoeker] heeft in zijn verzoekschrift gesteld dat hij niet eerder dan op 25 oktober 2005 op de hoogte werd gesteld van het vonnis van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Maastricht van 23 december 2003 alsmede van het feit dat in verband met de executie van dit vonnis door Nederland zijn uitlevering werd verzocht. Bij de behandeling van zijn verzoekschrift is naar voren gebracht dat het echter niet uitgesloten is dat [verzoeker] bij zijn aanhouding op 24 oktober 2005 reeds op de hoogte is gesteld van het tegen hem bij verstek gewezen vonnis van 23 december 2003. Nu door mr. R.J.H. Corten op 27 oktober 2005 hoger beroep tegen voormeld vonnis werd aangetekend, is [verzoeker] van mening dat dit beroep tijdig werd ingesteld en dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 557 lid 3 onder 2? van het Wetboek van Strafvordering.

3.2 Op grond van het vorenstaande verzoekt [verzoeker] schorsing van de executie van het vonnis van 23 december 2003, gewezen onder parketnummer 03/005726-02, totdat op het op 27 oktober 2005 ingestelde hoger beroep is beslist.

4. De beoordeling

4.1 De vraag is of vast staat dat [verzoeker] na het verstrijken van de daarvoor geldende termijn een rechtsmiddel heeft ingesteld tegen het tegen hem bij verstek gewezen vonnis van de meervoudige strafkamer in de rechtbank Maastricht in de zaak met parketnummer 03/005726-02 van 23 december 2003.

4.2 De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Maastricht van 23 december 2003 sinds 27 november 2004 onherroepelijk is, zodat vanaf dat moment kon worden aangevangen met de tenuitvoerlegging van de bij dat vonnis aan [verzoeker] opgelegde gevangenisstraf. Op 12 november 2004 is de mededeling van voornoemd verstekvonnis uitgereikt aan de huisgenote en tevens echtgenote van [verzoeker], mevrouw [X]. Zij is naar aanleiding van het rechtshulpverzoek van Nederland op 2 november 2005 door de Surinaamse politie gehoord over de op 12 november 2004 aan haar betekende mededeling van genoemd verstekvonnis. Uit dit proces-verbaal blijkt dat mevrouw [X] de akte op 12 november 2004 in ontvangst heeft genomen, deze aan [verzoeker] heeft getoond en dat [verzoeker] de uitspraak, inhoudende dat hij op 23 december 2003 bij verstek is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, heeft gelezen. De officier van justitie leidt uit het voorgaande af dat verzoeker op of omstreeks 12 november 2004 op de hoogte was van het vonnis. Nu niet eerder dan op 27 oktober 2005 hoger beroep is aangetekend, is het rechtsmiddel volgens de officier van justitie na het verstrijken van de daarvoor geldende termijn ingesteld. De officier van justitie concludeert tot afwijzing van het onderhavige verzoek tot schorsing van de executie.

4.3 De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Op basis van de akte van uitreiking kan slechts worden vastgesteld dat op 12 november 2004 de mededeling van het tegen [verzoeker] gewezen verstekvonnis van 23 december 2003, bestemd voor [verzoeker], op zijn woonadres te Paramaribo (Suriname) aan zijn huisgenote en tevens echtgenote, mevrouw [X], is uitgereikt. Uit die akte zelf blijkt niet dat mevrouw [X] aan de ambtenaar die het stuk heeft uitgereikt, heeft meegedeeld dat zij het stuk aan haar man zou doen toekomen. Bijna een jaar later, op 2 november 2005, wordt mevrouw [X] daarover gehoord door de Surinaamse politie. Zij verklaart in eerste instantie dat zij voornoemde akte kort na ontvangst alleen zelf heeft gelezen en vervolgens heeft verscheurd. Vervolgens verklaart zij de mededeling van het vonnis wel aan [verzoeker] te hebben getoond, dat [verzoeker] die mededeling heeft gelezen en dat zij de akte daarna pas heeft verscheurd. Een dag later geeft mevrouw [X] in een email gericht aan mr. R.J.H. Corten te kennen dat zij bedoelde mededeling van het verstekvonnis na ontvangst heeft gelezen, verscheurd en vervolgens heeft weggegooid en dat [verzoeker] het vonnis niet heeft gelezen. [verzoeker] ontkent dat zijn vrouw hem op of omstreeks 12 november 2004 dan wel nadien in kennis heeft gesteld van de ontvangst van een gerechtelijk schrijven en/of de inhoud daarvan en stelt dat hij niet eerder dan na zijn aanhouding ter fine van uitlevering aan Nederland op de hoogte is gesteld van het tegen hem bij verstek gewezen vonnis van 23 december 2003.

4.4 Gelet op het vorenstaande is er naar het oordeel van de voorzieningenrechter gerede twijfel mogelijk over de vraag of de mededeling verstekvonnis daadwerkelijk op of omstreeks 12 november 2004 dan wel daarna door mevrouw [X] aan [verzoeker] is uitgereikt, zodat niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat hij eerder dan na zijn aanhouding ter fine van uitlevering aan Nederland op 24 oktober 2005 op de hoogte is gesteld van het tegen hem bij verstek gewezen vonnis van 23 december 2003. Daarmee is niet komen vast te staan dat het rechtsmiddel ná het verstrijken van de daarvoor geldende termijn door of namens [verzoeker] is aangewend. De voorzieningenrechter ziet daarin aanleiding om het verzoek van [verzoeker] toe te wijzen als na te melden.

DE BESLISSING

De voorzieningenrechter schorst de executie in de strafzaak met parketnummer 03/005726-02 totdat onherroepelijk op het op 27 oktober 2005 ingestelde hoger beroep is beslist.

Deze beschikking is gegeven op 31 januari 2006 door mr. B.G.L. van der Aa, vice-president van de rechtbank Maastricht.