Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AV0692

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
13-01-2006
Datum publicatie
31-01-2006
Zaaknummer
106255 - KG ZA 05-432
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

5:44 BW; verjaring?; kapverbod; hinder; 5:37 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2006, 162
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak : 13 januari 2006

Zaaknummer : 106255 / KG ZA 05-432

De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende kort gedingvonnis gewezen

inzake

[Naam eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser in kort geding,

procureur mr. J.M. Bergmann;

tegen:

[Naam gedaagde sub 1],

en

[Naam gedaagde sub 2],

beiden wonende te [woonplaats],

gedaagden in kort geding,

procureur mr. B.R.M. de Bruyn.

1. Het verloop van de procedure

Eiser, [Naam eiser], heeft gedaagden, [Naam gedaagden], gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag, 8 december 2005, zijn partijen met hun raadslieden, alsmede de voorzieningenrechter, de griffier en een rechterlijk ambtenaar in opleiding, bijeengekomen in de woning van [Gedaagden] aan [Adres en woonplaats] teneinde de plaatselijke situatie te bezichtigen, nadere inlichtingen van partijen te verkrijgen en een minnelijke regeling te beproeven.

Allereerst hebben de voorzieningenrechter en zijn gevolg de situatie ter plaatse, vanuit de tuin van [Gedaagden] alwaar de litigieuze bomen zich bevinden, in ogenschouw genomen. Daarbij zijn foto’s gemaakt die in het dossier zijn gevoegd.

Vervolgens hebben partijen zich naar de woning van [Gedaagden] begeven, alwaar [Eiser] heeft gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna hij zijn vordering met verwijzing naar op voorhand toegezonden producties aan de hand van een, vanaf punt 14 tot en met de eerste alinea van punt 19 voorgedragen, pleitnota nader heeft doen toelichten.

Winthagen c.s. hebben aan de hand van een pleitnota verweer gevoerd, daarbij verwijzend naar een op voorhand toegezonden productie.

Partijen hebben daarna op elkaars stellingen gereageerd.

Vervolgens hebben de voorzieningenrechter en zijn gevolg ook vanuit de tuin van [Eiser] naar de bomen gekeken (waarbij foto’s zijn genomen die eveneens in het dossier zijn gevoegd), waarna partijen zijn overeengekomen de zaak een week aan te houden teneinde een minnelijke regeling te beproeven.

Bij brief van 15 december 2005 heeft de raadsman van [Eiser] om vonnis verzocht, waarna de raadsman van [Gedaagden] bij schrijven van dezelfde datum heeft gereageerd.

Op dat schrijven heeft de raadsman van [Eiser] gereageerd bij brief van 19 december 2005.

Ten slotte heeft de voorzieningenrechter de uitspraak van dit vonnis bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 [Eiser] is eigenaar van de onroerende zaak, staande en gelegen te [Adres en woonplaats]. [Gedaagden] zijn eigenaar van de onroerende zaak, staande en gelegen te [Adres en woonplaats].

In de achtertuin van [Gedaagden] staan vier zomereiken nabij de erfgrens met het perceel van [Eiser]. [Eiser] stelt onrechtmatige hinder te ondervinden van de bomen. Van (in ieder geval) één van deze bomen hangen takken over de erfgrens met het perceel van [Eiser].

Bij schrijven van 8 maart 2005 zijn [Gedaagden] gesommeerd de takken tot een aanvaardbaar niveau terug te snoeien, opdat [Eiser] daarvan geen hinder meer zou ondervinden, waarbij zij tevens zijn gesommeerd de overhangende takken te verwijderen.

Tot op heden hebben [Gedaagden] geen gehoor gegeven aan de sommatie.

2.2 Op 15 november 2005 heeft gerechtsdeurwaarder S.M.J. Quaedvlieg een akte van constatering opgemaakt omtrent –kort gezegd- de situatie ter plaatse. Op 28 november 2005 heeft de door [Eiser] ingeschakelde deskundige ing. M.C.L. Brunenberg van Pius Floris Boomverzorging Bunde B.V. een rapport uitgebracht dat is getiteld “Rapport Snoeiadvies eiken [adres en woonplaats eiser]”.

2.3 In het vigerende “werkexemplaar Bomenverordening [Woonplaats] 2004” is in artikel 1.1, voor zover van belang, vermeld:

“(...) 2. houtopstand: één of meer bomen, (...)

5. vellen: rooien, met inbegrip van verplanten, alsmede het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben;

6. dunning: een velling die het voortbestaan van het grootste deel van de houtopstand tot doel heeft zonder dat daarmee het beeld van de houtopstand ingrijpend wijzigt; (...)”

In artikel 1.2 van genoemd werkexemplaar is, voor zover van belang, bepaald:

“Kapverbod

1. Het is, behoudens het bepaalde in de volgende leden en het bepaalde in artikel 1.3, verboden zonder of in afwijking van een door het college verleende vergunning een houtopstand te vellen of te doen vellen. (...)”

In een schrijven van de gemeente [Woonplaats] aan (onder andere) [Gedaagden] van 3 november 2004 is, voor zover thans van belang, weergegeven:

“(...) Door de gemeenteraad is op 29 september 2004 de Bomenverordening [Woonplaats] 2004 vastgesteld.

Deze verordening (...) zal (...) op 17 november 2004 in werking treden.

Essentieel aan deze verordening is onder andere dat geen kapvergunning meer nodig is voor het vellen van bomen in tuinen of erven behorende bij woningen, niet zijnde gestapelde woningen, waarvan de perceelsoppervlakte niet groter is dan 2000 m².

Een uitzondering hierop zijn houtopstanden dan wel soorten van houtopstanden alsmede specifieke categorieën van gevallen welke door ons college zijn aangewezen.

In dat kader hebben wij de houtopstanden aangewezen op percelen gelegen aan de onderstaande wegen aangezien deze beeldbepalend zijn in overwegend bosrijke/groene omgeving.

(...)

- [Adres];

(...)

Voor de bomen op percelen gelegen aan de bovenstaande wegen blijft het verbod om zonder kapvergunning over te gaan tot velling onverminderd in stand. (...)”

2.4 [Eiser] stelt -kort samengevat en voor zover thans van belang- het volgende.

2.4.1 Op enig moment hebben [Eiser], gedaagde sub 1 (hierna: [Naam gedaagde sub 1]) en een boomdeskundige de bomen bekeken. Volgens die deskundige zouden de takken gesnoeid kunnen worden, maar niet via het terrein van [Eiser]. [Naam gedaagde sub 1] heeft in het bijzijn van de deskundige toestemming daarvoor gegeven. Partijen spraken af dat, zodra het weer het zou toelaten, de boomdeskundige zou terugkomen om de takken te snoeien. Toen de boomdeskundige in het voorjaar van 2005 ter plekke verscheen, weigerde [Naam gedaagde sub 1] zonder opgaaf van redenen de boomdeskundige de toegang tot zijn perceel. Ook weigerde hij zijn medewerking aan het snoeien van de bomen. Tot op heden weigeren [Gedaagden], ondanks sommatie, hun medewerking.

2.4.2 [Gedaagden] handelen in strijd met de artikelen 5:37 van het Burgerlijk Wetboek, (BW), 5:44 BW en 6:162 BW. Er is sprake van overhangende takken, welke takken door een coniferenhaag steken die toebehoort aan [Eiser]. De coniferenhaag wordt hierdoor beschadigd. Daarnaast is door de hoogte van de bomen sprake van een zodanige schaduwwerking dat de inval van direct zonlicht in de tuin van [Eiser] op een zodanige wijze wordt ingeperkt dat er sprake is van hinder. Een van de gevolgen is mosgroei. Het is een feit van algemene bekendheid dat er sprake is van mosgroei als een grasveld onvoldoende (zon)licht krijgt. Ook ervaart [Eiser] ieder najaar hinder van de massa bladeren die op zijn erf vallen. Bovendien bestaat er blijkens het deskundigenrapport van ing. M.C.L. Brunenberg een risico van takbreuk. In het deskundigenrapport geeft de deskundige aan dat om deze reden niet kan worden volstaan met het terugsnoeien van de overhangende takken, doch dat alle nieuwe takken gesnoeid zullen moeten worden tot aan de takbasis (knotten). Er is derhalve sprake van gevaarzetting door takken die mogelijk kunnen afbreken.

2.4.3 [Eiser] wil de bomen knotten. Dit valt niet onder een eventueel kapverbod. Van het kappen of vellen van de bomen is immers geen sprake.

2.4.4 Op grond van de locale situatie is het niet mogelijk dat [Eiser] de (overhangende) takken zelf verwijdert. Om die reden vordert [Eiser] thans in rechte dat [Gedaagden] bedoelde takken op hun kosten verwijderen en verwijderd houden.

2.4.5 [Eiser] heeft een spoedeisend belang bij na te melden vordering.

2.5 Op grond van het vorenstaande heeft [Eiser] gevorderd dat de voorzieningenrechter – de voorzieningenrechter gaat er van uit dat in het petitum met “eisers” (meervoud) “[Eiser]” (enkelvoud) is bedoeld- uit hoofde van voormeld bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

1. [Gedaagden] hoofdelijk veroordeelt de hierboven bedoelde bomen te knotten volgens het door de boomdeskundige in productie 1 gegeven advies (dat heet: alle nieuwe takken tot aan de takbasis terug te snoeien), zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag aan [Eiser], althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen bedrag, voor iedere dag dat [Gedaagden] daarmee in gebreke blijven en [Gedaagden] tevens hoofdelijk veroordeelt, nadat de bomen geknot zijn, dit periodiek om de 10 jaar te doen;

subsidiair:

2. [Gedaagden] hoofdelijk veroordeelt de hierboven bedoelde bomen te knotten op een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen wijze, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag aan [Eiser], althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen bedrag, voor iedere dag dat [Gedaagden] daarmee in gebreke blijven;

meer subsidiair:

3. [Gedaagden] hoofdelijk veroordeelt de takken van de bomen, die op het erf van [Eiser] overhangen, te verwijderen en deze takken alsook toekomstige takken verwijderd te houden (op een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen wijze), zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag aan [Eiser], althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen bedrag, voor iedere dag dat [Gedaagden] daarmee in gebreke blijven;

voor het geval de voorzieningenrechter onverhoopt van mening zou zijn dat voor het knotten c.q. verwijderen van de takken een kapvergunning nodig zou zijn:

nog meer subsidiair:

4. [Gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om binnen vijf dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis mede te werken aan het aanvragen van een kapvergunning om de bomen te mogen knotten c.q. snoeien (op de door de deskundige aangegeven wijze (zie productie 1)) en [Gedaagden] hoofdelijk veroordeelt al het nodige te doen om tot afgifte van deze kapvergunning te komen, zonodig bij een afwijzende beschikking in het kader van een bezwaar en/of hoger beroepprocedure, zulks onder verbeurte van een dwangsom ad € 1.000,00 per dag aan [Eiser], althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen bedrag, voor iedere dag dat [Gedaagden] daarmee in gebreke blijven en [Gedaagden] vervolgens veroordeelt om na afgifte van de kapvergunning de hierboven bedoelde bomen binnen 30 dagen na afgifte van deze kapvergunning te knotten op de door de deskundige in zijn advies (productie 1) voorgeschreven wijze (dat heet: alle takken tot aan de takbasis terugsnoeien), zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag aan [Eiser], althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen bedrag, voor iedere dag dat [Gedaagden] daarmee in gebreke blijven;

nog meer subsidiair:

5. [Gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om binnen vijf dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis mede te werken aan het aanvragen van een kapvergunning om de bomen te mogen knotten c.q. snoeien (op de door de deskundige aangegeven wijze (zie productie 1)) en [Gedaagden] hoofdelijk veroordeelt al het nodige te doen om tot afgifte van deze kapvergunning te komen, zonodig bij een afwijzende beschikking in het kader van een bezwaar en/of hoger beroepprocedure, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag aan [Eiser], althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen bedrag, voor iedere dag dat [Gedaagden] daarmee in gebreke blijven en [Gedaagden] vervolgens veroordeelt om na afgifte van de kapvergunning de hierboven bedoelde bomen binnen 30 dagen na afgifte van deze kapvergunning te knotten op een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen wijze, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag aan [Eiser], althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen bedrag, voor iedere dag dat [Gedaagden] daarmee in gebreke blijven;

uiterst subsidiair:

6. [Gedaagden] hoofdelijk veroordeelt om binnen vijf dagen na betekening van het te dezen te wijzen vonnis mede te werken aan het aanvragen van een kapvergunning om de bomen te mogen knotten c.q. snoeien (op de door de deskundige aangegeven wijze (zie productie 1)) en [Gedaagden] hoofdelijk veroordeelt al het nodige te doen om tot afgifte van deze kapvergunning te komen, zonodig bij een afwijzende beschikking in het kader van een bezwaar en/of hoger beroepprocedure, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 per dag aan [Eiser], althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen bedrag, voor iedere dag dat [Gedaagden] daarmee in gebreke blijven en [Gedaagden] vervolgens veroordeelt om binnen 30 dagen na afgifte van deze kapvergunning de takken van de bomen, die op het erf van [Eiser] overhangen, te verwijderen en deze takken alsook toekomstige takken verwijderd te houden (op een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen wijze), zulks onder verbeurte van een dwangsom van

€ 1.000,00 per dag aan [Eiser], althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie vast te stellen bedrag, voor iedere dag dat [Gedaagden] daarmee in gebreke blijven;

primair tot en met uiterst subsidiar:

7. [Gedaagden] veroordeelt in de kosten vallende op deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de achtste dag dat [Gedaagden] na betekening van het in deze te wijzen vonnis in gebreke blijven met de betaling van de in het vonnis vastgestelde proceskostenveroordeling tot de dag der algehele voldoening, alsmede [Gedaagden] veroordeelt om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [Eiser] te betalen de door [Eiser] gemaakte buitengerechtelijke kosten, ten aanzien van de kosten honorarium raadsman [Eiser], deze te begroten op twee punten van het toepasselijke liquidatietarief, althans een door de voorzieningenrechter vast te stellen bedrag en de volledige kosten van de bomendeskundige die gemoeid zijn met het opstellen van het rapport (productie 1) en de kosten van de deurwaarder die gemoeid zijn met het opstellen van het proces-verbaal van constatering.

2.6 De vordering wordt door [Gedaagden] weersproken, waartoe wordt verwezen naar de op de dienende dag voorgedragen, en vervolgens aan de stukken toegevoegde, pleitnota.

Op het verweer wordt, voor zover van belang, hierna ingegaan.

3. De beoordeling

3.1 Tussen partijen is in confesso, hetgeen de voorzieningenrechter ten tijde van de plaatsopneming ook heeft geconstateerd, dat van in ieder geval één boom van [Gedaagden] de takken hangen over de erfgrens met het perceel van [Eiser]. Een deel van die takken steken dwars door een coniferenhaag die toebehoort aan [Eiser].

In artikel 5:44 lid 1 BW is bepaald:

“Indien een nabuur wiens beplantingen over eens anders erf heenhangen, ondanks aanmaning van de eigenaar van dit erf, nalaat het overhangende te verwijderen, kan laatstgenoemde eigenaar eigenmachtig het overhangende wegsnijden en zich toeëigenen.”

Gelet op dit artikel en gelet op het feit dat [Eiser] [Gedaagden] heeft gesommeerd de overhangende takken te verwijderen, hetgeen laatstgenoemden tot op heden hebben nagelaten, komt [Eiser] in beginsel het recht toe de overhangende takken eigenmachtig weg te snijden - hetgeen onverlet laat dat [Eiser] de mogelijkheid heeft om van [Gedaagden] in rechte verwijdering te vorderen- tenzij [Eiser] daarmee misbruik van bevoegdheid maakt.

Van misbruik van bevoegdheid van wegsnijdingsrecht is eerst sprake bij een zodanige onevenredigheid van de wederzijdse belangen dat [Eiser] in redelijkheid niet tot verwijdering kan overgaan. In dit kader, zo begrijpt de voorzieningenrechter, hebben [Gedaagden] aangevoerd dat zij de overhangende takken niet kunnen verwijderen zonder de grote takken –waaraan de overhangende takken ontspruiten- te kappen, ten gevolge waarvan de bomen onevenredig zouden worden beschadigd. Dit verweer acht de voorzieningenrechter onvoldoende duidelijk c.q. onvoldoende onderbouwd. Indien [Gedaagden] bedoelen te stellen dat de bomen (ook indien slechts het overhangende deel van de takken wordt weggesneden) het niet zullen overleven, oordeelt de voorzieningenrechter dat ook dit verweer niet kan worden gehonoreerd, allereerst nu dit verweer, met name wat betreft het wegsnijden van het overhangende deel van de takken, eerst in de correspondentie tussen de raadslieden die is gevoerd ná de dienende dag, (duidelijk) naar voren is gekomen, en ten tweede nu dit verweer niet is onderbouwd, bijvoorbeeld door middel van een (andersluidend) rapport waarin is vermeld dat de bomen zullen sterven door de wegsnijding van takken. Bovendien is in het deskundigenrapport van een dergelijk gevaar voor de bomen geen melding gemaakt. Blijkens dit rapport is het mogelijk de overhangende takken “zonder problemen te verwijderen”.

Op grond van het vorenstaande, alsmede nu de voorzieningenrechter met [Eiser] van oordeel is dat het wegsnijden van de overhangende takken niet valt onder een eventueel kapverbod nu geen sprake is van “vellen”, kan in ieder geval worden toegewezen de vordering strekkende tot het wegsnijden van de overhangende takken (voor de duidelijkheid: slechts het overhangende deel van de takken behoeft te worden verwijderd).

De voorzieningenrechter acht bij deze vordering overigens ook een voldoende spoedeisend belang gegeven, daarbij mede in aanmerking nemende dat aan [Eiser], indachtig het voorgaande, ook reeds voorafgaande aan onderhavige procedure de wettelijke bevoegdheid toekwam de overhangende takken eigenmachtig te verwijderen. De voorzieningenrechter merkt (hierbij) voorts nog op dat hij begrijpt dat [Eiser] heeft gekozen voor onderhavige vordering in rechte vanwege zijn onweersproken stelling dat hij vanaf zijn perceel de overhangende takken niet kan verwijderen.

Het door [Gedaagden] gevoerde verweer dat een rechtsvordering uit hoofde van artikel 5:44 BW is verjaard nu er al langer dan 20 jaar sprake is van overhangende takken, kan niet slagen. De bevoegdheid van artikel 5:44 BW tot eigenmachtig snoeien na aanmaning, is niet aan verjaring onderhevig. Gelet hierop is de voorzieningenrechter van oordeel dat een vordering in rechte tot het laten snoeien van overhangende takken door de wederpartij, evenmin vatbaar is voor verjaring.

Overigens is, zelfs al zou het vorenstaande anders zijn, niet door [Gedaagden] aannemelijk gemaakt dat de litigieuze takken al méér dan 20 jaar over de erfgrens met het erf van [Eiser] hangen (nog daargelaten dat bepaling van de tijd dat de takken overhangen, gelet op de groei van de takken, op praktische problemen zou kunnen stuiten).

Zo [Gedaagden] hebben bedoeld te stellen dat het recht tot verwijdering van de overhangende takken is verjaard omdat het recht om ex artikel 5:42 BW verwijdering van de bomen te vorderen is verjaard, oordeelt de voorzieningenrechter dat eventuele verjaring van het hiervoor bedoelde recht niet afdoet aan het recht tot verwijdering van de overhangende takken (onder andere Hof Leeuwarden 19-12-2001, NJ 2002/333).

3.2 Daargelaten de vraag of er sprake is van een geldend “kapverbod” dat aan toewijzing van de overige vorderingen in de weg zou staan, oordeelt de voorzieningenrechter dat hij voor het toewijzen van een verderstrekkende vordering dan die hiervoor bij 3.1 is behandeld, geen aanleiding ziet, gelet op het volgende.

De stelling van [Eiser] dat [Naam gedaagde sub 1] op enigerlei moment toestemming heeft gegeven voor het snoeien van de bomen, of dat dit zou zijn afgesproken tussen partijen, is gemotiveerd door [Gedaagden] betwist en daarmee niet aannemelijk geworden.

Dat de bomen hinder opleveren in de zin van artikel 5:37 BW, is eveneens niet aannemelijk geworden, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van deze stelling door de wederpartij.

Dat er sprake is van een “enorme bladafval in het najaar”, kan een dergelijke conclusie in ieder geval niet dragen. Dat de inval van direct zonlicht in de tuin van [Eiser] op een zodanige wijze wordt ingeperkt dat er sprake is van hinder, is op geen enkele wijze onderbouwd, waarbij de voorzieningenrechter opmerkt dat hij aan de bevindingen van de deurwaarder in dit kader niet veel waarde hecht, nu gesteld noch gebleken is dat de deurwaarder terzake kundig is. Overigens heeft ook de voorzieningenrechter ten tijde van de plaatsopneming niet een (aanmerkelijk) “gebrek aan licht” geconstateerd. Terzake beide punten acht de voorzieningenrechter bovendien van belang dat partijen in een bosrijke omgeving wonen, weshalve hinder ten gevolge van voormelde punten minder snel onrechtmatig moet worden geoordeeld.

Daarnaast is de gestelde “gevaarzetting” onvoldoende aannemelijk geworden, gelet op de gemotiveerde betwisting van die stelling door de wederpartij, alsmede gelet op het feit dat de deskundige die het rapport heeft opgemaakt de bomen (slechts) visueel vanuit de tuin van [Eiser] heeft beoordeeld. De deskundige heeft in zijn algemeenheid geoordeeld dat er bij gekandelaberde bomen een verhoogd breukrisico van nieuw gegroeide takken bestaat. Dat er ten aanzien van de litigieuze bomen een concreet gevaar voor takbreuk bestaat, is niet door de deskundige vastgesteld. In dit kader acht de voorzieningenrechter nog van belang dat [Gedaagden] onbestreden hebben aangevoerd dat een recente storm geen takken heeft doen afbreken. Bovendien is niet dan wel onvoldoende gesteld of gebleken dat er nog immer sprake zal zijn van gevaarzetting als de overhangende takken zijn verwijderd.

3.3 Op basis van het vorenstaande zal (slechts) het gevorderde bij 3 onder matiging en maximering van de dwangsom worden toegewezen zoals hierna in het dictum is vermeld, met dien verstande dat het deel van die vordering dat ziet op het verwijderd houden van “toekomstige takken” zal worden afgewezen omdat een dergelijke veroordeling het bestek van een kort geding te buiten gaat. Bovendien acht de voorzieningenrechter termen aanwezig de zinsnede “binnen een week na betekening van het vonnis” toe te voegen aan de veroordeling.

3.4 De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen bij gebrek aan enige onderbouwing of toelichting, worden afgewezen. De vordering tot vergoeding van de kosten van het deskundigenrapport, zullen eveneens worden afgewezen, mede nu [Gedaagden] niet bij de totstandkoming daarvan zijn betrokken. Hetzelfde geldt voor de kosten van het proces-verbaal van constatering door de deurwaarder, waarbij de voorzieningenrechter nog opmerkt dat onduidelijk is wat de toegevoegde waarde van dit proces-verbaal is (geweest) voor onderhavige zaak.

3.5 Gelet op het feit dat partijen deels in het (on)gelijk zijn gesteld, en zij elkaars buren zijn, acht de voorzieningenrechter termen aanwezig de proceskosten te compenseren zoals hierna in het dictum is vermeld.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank te Maastricht:

RECHT DOENDE in kort geding:

veroordeelt [Gedaagden] hoofdelijk om het deel van de takken van de zomereiken dat op het erf van [Eiser] overhangt binnen een week na betekening van dit vonnis te verwijderen en verwijderd te houden, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag aan [Eiser] voor iedere dag dat [Gedaagden] daarmee in gebreke blijven, met een maximum van € 10.000,-;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Bergmans, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

F.B.