Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AV0683

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
31-01-2006
Datum publicatie
31-01-2006
Zaaknummer
03-005496-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging voor één der tenlastegelegde feiten, nu verdachte, toen hij het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel toebracht, handelde ter verdediging van zijn eigen lijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/005496-04

Datum uitspraak: 31 januari 2006

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 17 januari 2006 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats en -datum verdachte],

wonende te [adres].

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 28 juni 2004 in de gemeente Kerkrade aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een subduraal hematoom en/of een schedelfractuur en/of een armbreuk), heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een honkbalknuppel, althans met een hard voorwerp, meermalen althans eenmaal, op en/of tegen diens hoofd, in elk geval tegen diens lichaam te slaan;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 28 juni 2004 in de gemeente Kerkrade ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] met een honkbalknuppel, althans met een hard voorwerp, meermalen althans eenmaal, op en/of tegen diens hoofd, in elk geval tegen diens lichaam heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 28 juni 2004 in de gemeente Kerkrade opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [slachtoffer]), met een honkbalknuppel, althans met een hard voorwerp, meermalen althans eenmaal, op en of tegen diens hoofd, in elk geval tegen diens lichaam heeft geslagen, waardoor deze letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

2.

hij op of omstreeks 9 juli 2004 in de gemeente Kerkrade [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd :"Als mij iets overkomt, dan overkomt jou ook wat" en/of "Gebeurt mij wat, gebeurt jou wat", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1. primair

hij op 28 juni 2004 in de gemeente Kerkrade aan een persoon, genaamd [slachtoffer], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten een subduraal hematoom en een schedelfractuur en een armbreuk) heeft toegebracht, door deze opzettelijk met een honkbalknuppel meermalen op en/of tegen diens hoofd, in elk geval tegen diens lichaam te slaan;

2.

hij op 9 juli 2004 in de gemeente Kerkrade [slachtoffer] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer] dreigend de woorden toegevoegd :"Als mij iets overkomt, dan overkomt jou ook wat" en "Gebeurt mij wat, gebeurt jou wat".

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De kwalificatie

Het onder 1 primair bewezen verklaarde levert op het strafbare feit dat moet worden gekwalificeerd als volgt:

zware mishandeling;

het onder 2 bewezenverklaarde levert op het strafbare feit dat moet worden gekwalificeerd als volgt:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling.

De strafbaarheid van het onder 1 primair tenlastegelegde feit

De raadsman heeft namens verdachte een beroep gedaan op noodweer en gesteld dat verdachte voor het tenlastegelegde onder 1 primair, 1 subsidiair en 1 meer subsidiair ontslagen moet worden van alle rechtsvervolging. Verdachtes handelen was geboden ter verdediging van zijn eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer. Verdachte heeft zich hiertegen verweerd door de aanrander [slachtoffer] met een honkbalknuppel meermalen te slaan. Het slaan met de honkbalknuppel was in dit geval proportioneel, omdat verdachte zich toen niet op een andere, minder ingrijpende manier kon verdedigen.

De rechtbank overweegt omtrent dit verweer het volgende:

Uit het onderzoek ter terechtzitting is duidelijk geworden dat [verdachte] het slachtoffer meermalen heeft geslagen met een honkbalknuppel en hem daarbij op het hoofd en aan een van zijn armen heeft geraakt. Alleen [verdachte] en [slachtoffer] waren tijdens de schermutseling in het café aanwezig. [Verdachte] is bij het voorval niet gewond geraakt, zo blijkt uit de rapportage van de forensisch arts.

[Slachtoffer] heeft bij de politie en als getuige ter terechtzitting verklaard dat hij op de avond van 28 juni 2004 niet achter de bar is geweest. [Verdachte] heeft dit steeds betwist en heeft steeds gesteld dat [slachtoffer] op hem afkwam toen hij zich achter de bar bevond en dat de bar maar één uitgang heeft, welke uitgang werd geblokkeerd door [slachtoffer].

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk geworden dat [slachtoffer] wel degelijk achter de bar is geweest. Het door de technische recherche opgemaakte proces-verbaal relateert het aantreffen achter de bar van bloeddruppels op de vloer, van een bloedspoor met haren en van bloedspatten op de deur van de koelkast. De technische recherche heeft vastgesteld dat de bloedspatten op de vloer, gelet op hun vorm, van een bepaalde hoogte loodrecht naar beneden zijn gevallen en dat het spoor op de koelkast een veegspoor is dat waarschijnlijk is ontstaan door contact tussen een bebloed hoofd met haar en de deur van de koelkast. Deze bloedsporen kunnen naar het oordeel van de rechtbank alleen afkomstig zijn van het slachtoffer, nu verdachte blijkens de medische rapportage bij de schermutseling niet gewond is geraakt en geen feiten of omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan de bloedsporen zouden moeten worden toegeschreven aan een andere persoon. Resumerend, [slachtoffer] is – in tegenstelling tot hetgeen hij zelf heeft verklaard - wel achter de bar geweest. Bij de aanval stond [verdachte] achter de bar. [Slachtoffer] sloot door zijn aanwezigheid de vluchtweg voor [verdachte] af. [Verdachte] kon zich niet aan de aanranding door [slachtoffer] onttrekken. Nadat [verdachte], na eerst door [slachtoffer] geslagen te zijn, zich met de honkbalknuppel had verweerd en [slachtoffer] ten gevolge hiervan op de grond was terechtgekomen, kon [verdachte] wegkomen, hetgeen hij ook heeft gedaan.

Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat het handelen van verdachte geboden was ter noodzakelijke verdediging van zijn eigen lijf tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. De rechtbank heeft hiervoor reeds geoordeeld dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde heeft begaan. Evenwel zal de rechtbank verdachte ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde van alle rechtsvervolging ontslaan op grond van de aanwezigheid van noodweer.

Het in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp is vatbaar voor verbeurdverklaring. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het een voorwerp betreft:

- dat aan de veroordeelde toebehoort en

- met behulp waarvan het onder 1 bewezen verklaarde feit is begaan.

De rechtbank heeft bij deze beslissing rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De strafbaarheid van de verdachte voor wat betreft feit 2

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten onder 1 primair en 2 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met aftrek overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De raadsman heeft ten aanzien van feit 2 geconcludeerd tot vrijspraak.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de te nemen beslissing met betrekking tot de straf ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde het volgende.

De door verdachte richting verbalisant [slachtoffer] gebezigde woorden heeft deze laatste kennelijk aldus opgevat en ook kunnen opvatten dat deze woorden bij hem werkelijk vrees hebben opgewekt en hij zich in zijn vrijheid belemmerd achtte. Echter, gelet op de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en de omstandigheid dat de bedreiging niet geheel los kan worden gezien van de in noodweer begane zware mishandeling van feit 1, ter zake waarvan de verdachte zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging, alsmede dat verdachte ter zake van dit feit in verzekering is gesteld, zal de rechtbank artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht toepassen en bepalen dat geen straf of maatregel wordt opgelegd.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 33, 33a en 285 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart het onder 1 primair bewezenverklaarde feit niet strafbaar en ontslaat verdachte dientengevolge van alle rechtsvervolging;

- verklaart dat het onder 2 bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- bepaalt dat geen straf of maatregel wordt opgelegd voor het onder 2 bewezenverklaarde feit;

- verklaart verbeurd het inbeslaggenomen, te weten:

20300087787 1 een aluminium honkbalknuppel, Kleur zwart, merk:

EASTON HAMMER.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. M.C.A.E. van Binnebeke, voorzitter, mr. W.L.J. Voogt en mr. J.H. Klifman, rechters, in tegenwoordigheid van J.M.A. Haanen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 31 januari 2006, zijnde mr. W.L.J. Voogt buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.