Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AV0206

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
05-01-2006
Datum publicatie
25-01-2006
Zaaknummer
008291-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van de rechtbank is het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn hier geschonden. Bij afweging van de betrokken belangen, te weten het belang dat de gemeenschap ook na overschrijding van de redelijke termijn houdt bij normhandhaving door berechting en anderzijds het belang van verdachte bij het verval van het recht tot strafvervolging nadat die termijn is overschreden, zou een niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie geen passende reactie vormen. De rechtbank merkt in dit verband op dat sprake is van ernstige feiten, met name de bij de artikelen 2 en 10a van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.

De rechtbank vindt in de termijnoverschrijding wel aanleiding een lagere straf op te leggen dan de rechtbank zonder deze verdragsschending zou hebben opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/008291-01

Datum uitspraak: 5 januari 2006

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 22 december 2005 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte],

wonende te [adres verdachte].

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij meermalen, althans eenmaal, in of omstreeks de periode van 1 januari 2001 tot en met 15 oktober 2001 in de gemeente Stein, in elk geval in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om (een) feit(en), bedoeld in het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het (meermalen, althans eenmaal) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of vervaardigen van MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA en/of amfetamine, in elk geval van enig middel voorkomend de bij de Opiumwet behorende lijst I, zijnde MDA, MDMA, N-ethyl MDA en amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet

behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, voorwerpen en/of stoffen, te weten meermalen, althans eenmaal, vaten en/of jerrycans, althans hoeveelheden chemicaliën en/of gasflessen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) en/of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

2.

hij op of omstreeks 16 oktober 2001 in de gemeente Stein, in elk geval in het arrondissement Maastricht, in een garage behorende bij het pand [X], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 99 kilogram, althans (ongeveer) 95,186 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of amfetamine, zijnde MDMA en amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij op of omstreeks 16 oktober 2001 in de gemeente Stein, in elk geval in het arrondissement Maastricht, in de kelder van de woning [X], tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 4,6 kilogram, althans (ongeveer) 4,638 kilogram, tabletten met opdruk Stardust, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA en/of amfetamine, zijnde MDMA en amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4.

hij op of omstreeks 16 oktober 2001, althans in of omstreeks de periode van 12 tot en met 16 oktober 2001, in de gemeente Stein in een garage behorende bij het pand [X] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om (een) feit(en), bedoeld in het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het (meermalen, althans eenmaal)

opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of vervaardigen van MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA en/of amfetamine, in elk geval van enig middel voorkomend op de bij de Opiumwet behorende lijst I, zijnde MDA, MDMA, N-ethyl MDA en amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, voorwerpen en/of stoffen, te weten

- 5 vaten met (in totaal (ongeveer) 1000 liter) aceton en/of

- 5 (gas)flessen met waterstof en/of

- 7 jerrycans inhoudende zwavelzuur en/of methanol en/of isopropylalcohol en/of

- 3 vaatjes met (in totaal (ongeveer) 75 kilo) coffeïne

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) en/of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

5.

hij op of omstreeks 16 oktober 2001, althans in of omstreeks de periode van 12 tot en met 16 oktober 2001, in de gemeente Stein, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, al dan niet opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een in of op perceel [X] in een aan een woning grenzende garage gelegen inrichting (opslag van 1000 liter, althans een hoeveelheid, zeer licht ontvlambare stoffen en van 5 drukhouders

zeer explosief gas, te weten waterstof), zijnde een inrichting genoemd in Categorie 4.1 en 2.1 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage 1, in werking heeft gehad;

6.

hij op of omstreeks 18 september 2002 te Munstergeleen, gemeente Sittard-Geleen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om (een) feit(en), bedoeld in het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het (meermalen, althans eenmaal) opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of vervaardigen van MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA en/of amfetamine, in elk

geval van enig middel voorkomend de bij de Opiumwet behorende lijst I, zijnde MDA, MDMA, N-ethyl MDA en amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I voor te bereiden en/of te bevorderen, voorwerpen en/of stoffen, te weten 6 vaten met (in totaal (ongeveer) 150 liter) methanol voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) en/of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en).

De ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging

Door de raadsman is geen beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vervolging, doch wel is het volgende aangevoerd.

De raadsman heeft “wat betreft de termijnen” aangevoerd dat deze zaak al lange tijd stil ligt, daar er bijna twee jaar na de voorlopige hechtenis helemaal niets gebeurd is, dat na de kennisgeving van verdere vervolging, sedert de sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek, de zaak tot de zitting van 12 oktober 2004 ook al 8,5 maand stil ligt en dat dit toch niet “zo spoedig mogelijk” is als door de wetgever bedoeld in artikel 253, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering;

De rechtbank is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat de officier van justitie na de kennisgeving van verdere vervolging d.d. 26 januari 2004 – welke kennisgeving op 29 januari 2004 aan verdachte in persoon is uitgereikt – niet “zo spoedig mogelijk”, als bedoeld in artikel 253 eerste lid van het Wetboek van Strafvordering, tot dagvaarding is overgegaan niet tot diens niet-ontvankelijkheid leidt. De rechtbank verwerpt reeds daarom opgemeld door de raadsman gevoerd verweer. De rechtbank overweegt dat zijdens verdachte overigens niet een verzoek als bedoeld in artikel 253 tweede lid van het Wetboek van Strafvordering is ingediend.

De raadsman heeft verder “wat betreft de termijnen” aangevoerd dat sedert de dag van de inverzekeringstelling ruim drie jaren en drie maanden zijn verstreken, hetgeen in elk geval gevolgen dient te hebben voor de strafmaat, dat de feiten zelf van nog langere tijd geleden dateren, namelijk 5 tot 6 jaren geleden, en dat bestraffing met gevangenisstraf derhalve niet langer opportuun is, ook gezien het doorgebrachte voorarrest en het feit dat cliënt voor soortgelijke feiten geen relevant strafblad heeft.

De rechtbank stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Dit recht strekt ertoe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven.

Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen had tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend vanaf 18 september 2002, de dag waarop een bevel tot inverzekeringstelling van verdachte is verleend.

Verder is vast komen te staan:

- dat verdachte is gedagvaard om te verschijnen ter terechtzitting van 12 oktober 2004, welke dagvaarding op 23 september 2004 in persoon aan verdachte is uitgereikt;

- dat ter terechtzitting van 12 oktober 2004 het onderzoek is geschorst voor onbepaalde tijd (en wel in afwachting van de uitspraak van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch omtrent het door genoemde [H] ingestelde hoger beroep tegen het tegen hem (als medeverdachte) gewezen vonnis) aangezien – gelet op het door de raadsman daartoe gedane verzoek – de rechtbank het verder horen van de getuige à décharge [H.] in het kader van de waarheidsvinding noodzakelijk achtte, waarbij door de rechtbank voorts de oproeping van de getuige [W] en [V] is bevolen tegen het nader te bepalen tijdstip waarop het onderzoek zou worden hervat;

- dat verdachte voorts is opgeroepen om te verschijnen ter terechtzitting van 16 november 2005, welke oproeping op 3 november 2005 in persoon aan verdachte is uitgereikt;

- dat ter terechtzitting van 16 november 2005 het onderzoek is geschorst tot de terechtzitting van 22 december 2005, aangezien de getuige [H] niet op de bij de wet voorgeschreven wijze was opgeroepen om ter terechtzitting te verschijnen en aangezien zijdens verdachte niet van het verder verhoor van deze getuige was afgezien.

Naar het oordeel van de rechtbank is het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn hier geschonden. Bij afweging van de betrokken belangen, te weten het belang dat de gemeenschap ook na overschrijding van de redelijke termijn houdt bij normhandhaving door berechting en anderzijds het belang van verdachte bij het verval van het recht tot strafvervolging nadat die termijn is overschreden, zou een niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie geen passende reactie vormen. De rechtbank merkt in dit verband op dat sprake is van ernstige feiten, met name de bij de artikelen 2 en 10a van de Opiumwet strafbaar gestelde feiten.

De rechtbank vindt in de termijnoverschrijding wel aanleiding een lagere straf op te leggen dan de rechtbank zonder deze verdragsschending zou hebben opgelegd.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 tot en met 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij meermalen in de periode van 1 januari 2001 tot en met 15 oktober 2001 in de gemeente Stein, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, om (een) feit(en), bedoeld in het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of vervaardigen van MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA en/of amfetamine, zijnde MDA, MDMA, N-ethyl MDA en amfetamine middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, stoffen, te weten meermalen vaten en/of jerrycans en/of gasflessen voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededader(s) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

2.

hij op 16 oktober 2001 in de gemeente Stein, in een garage behorende bij het pand [X], tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 95,186 kilogram van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.

hij op 16 oktober 2001 in de gemeente Stein, in de kelder van de woning [X], tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad 4,638 kilogram, tabletten, met opdruk Stardust, van een materiaal bevattende MDMA en amfetamine, zijnde MDMA en amfetamine middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4.

hij op 16 oktober 2001 in de gemeente Stein, in een garage behorende bij het pand [X], tezamen en in vereniging met anderen, om feiten, bedoeld in het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bewerken, verwerken en/of vervaardigen van MDMA en/of amfetamine, zijnde MDMA en amfetamine middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, stoffen, te weten:

- 5 vaten met in totaal 1000 liter aceton en

- 7 jerrycans inhoudende zwavelzuur en methanol en isopropylalcohol en

- 3 vaatjes met in totaal (ongeveer) 75 kilo coffeïne,

voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte en verdachtes mededaders wisten of ernstige redenen hadden te vermoeden, dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten;

5.

hij op 16 oktober 2001 in de gemeente Stein, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk, zonder daartoe verleende vergunning, een op perceel [X], in een aan een woning grenzende garage, gelegen inrichting (opslag van 1000 liter zeer licht ontvlambare stoffen), zijnde een inrichting genoemd in Categorie 4.1 en 2.1 van de bij het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer behorende Bijlage 1, in werking heeft gehad;

6.

hij op 18 september 2002 te Munstergeleen, gemeente Sittard-Geleen, om (een) feit(en), bedoeld in het derde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of vervaardigen van MDA en/of MDMA en/of N-ethyl MDA en/of amfetamine, zijnde MDA, MDMA, N-ethyl MDA en amfetamine middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen, stoffen, te weten 6 vaten met (in totaal 150 liter) methanol voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte wist of ernstige redenen had te vermoeden, dat die bestemd waren tot het plegen van dat/die feit(en).

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 tot en met 6 meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De bijzondere overwegingen ten aanzien van het bewijs

De raadsman heeft aangevoerd dat de door de getuige [V] afgelegde verklaringen - zowel de door deze getuige ter terechtzitting afgelegde verklaring als de door deze getuige tegenover de politie afgelegde verklaringen – op bepaalde punten onjuist en derhalve onbetrouwbaar zijn en daardoor niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd, op gronden als in de pleitnota (te weten op pagina 4 en pagina 5 eerste alinea) is vermeld.

De raadsman heeft voorts aangevoerd dat de door de getuige [W] afgelegde verklaringen - zowel de door deze getuige ter terechtzitting afgelegde verklaring als de door deze getuige tegenover de politie afgelegde verklaringen – op bepaalde punten onjuist en derhalve onbetrouwbaar zijn en daardoor niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd, op gronden als in de pleitnota (te weten op pagina 5 vanaf de tweede alinea tot en met pagina 6 de eerste alinea) is vermeld.

De rechtbank is – gelet op hetgeen uit het onderzoek ter terechtzitting alsmede uit de inhoud van de zich in het strafdossier bevindende processen-verbaal van de politie, met name de processen-verbaal houdende de door deze getuigen tegenover de politie afgelegde verklaringen, is gebleken – van oordeel:

- dat niet gebleken is dat door een van de verbalisanten tegenover de getuige [V] of [W] de naam van verdachte is genoemd of in de mond is gelegd;

- dat vast is komen te staan dat zowel [V] als [W] de naam van verdachte spontaan tegenover verbalisanten hebben genoemd, namelijk:

o dat door [W] tijdens de door hem op 16 oktober 2001 te 16.40 uur tegenover de politie afgelegde verklaring is verklaard dat op verzoek van een vriend van hem goederen in de garage geplaatst zijn, waarvoor hij geld gekregen had, doch dat [W] toen nog niet de naam van deze vriend heeft genoemd;

o dat vervolgens [V], tijdens de door haar op 17 oktober 2001 te 13.13 uur tegenover de politie afgelegde verklaring, de naam van verdachte heeft genoemd alsmede

o dat daarna door [W], te weten tijdens een door hem op 19 oktober 2001 tegenover de officier van justitie afgelegde verklaring, de naam van verdachte is genoemd;

- dat voorts niet gebleken is dat [V] en [W] ter terechtzitting in strijd met de waarheid hebben verklaard;

- dat vast is komen te staan dat zowel [V] als [W] gedetailleerd en consistent hebben verklaard;

- dat [W] bovendien tegenover de politie een consistente verklaring heeft afgelegd omtrent de (door de raadsman bedoelde) herkomst van de door [W] op zijn spaarrekening gestorte geldbedragen (te weten vrijgekomen spaartegoeden);

- dat, met betrekking tot hetgeen door de raadsman verder omtrent de verschillende transporten, al dan niet met een auto met een hydraulische laadklep, is aangevoerd, niet gebleken is dat op de door de raadsman bedoelde data het bedoelde transport met precies dezelfde auto heeft plaatsgevonden.

De rechtbank is, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, van oordeel dat de door [V] en [W] afgelegde verklaringen betrouwbaar zijn en derhalve als bewijsmiddel kunnen worden gebruikt en verwerpt derhalve opgemeld door de raadsman gevoerd verweer.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt:

t.a.v. feit 1:

medeplegen van: om een feit, bedoeld in het derde lid van artikel 10 (oud) van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;

t.a.v. feit 2:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder C (oud), van de Opiumwet gegeven verbod;

t.a.v. feit 3:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder C (oud), van de Opiumwet gegeven verbod;

t.a.v. feit 4:

medeplegen van: om een feit, bedoeld in het derde lid van artikel 10 (oud) van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;

t.a.v. feit 5:

medeplegen van overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 8.a, eerste lid onder c,van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan;

t.a.v. feit 6:

om een feit, bedoeld in het derde lid van artikel 10 (oud) van de Opiumwet voor te bereiden en/of te bevorderen, stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straffen

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van de feiten onder 1 tot en met 6 zal worden veroordeeld tot:

- een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 289 dagen, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 200 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en

- een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis.

De raadsman heeft gepleit tot vrijspraak van verdachte terzake van de feiten onder 1 tot en met 6.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en door en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straffen het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straffen gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving en

- de omstandigheid dat hard drugs als de onderhavige, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren, terwijl die gebruikers hun verslaving vaak door diefstal of ander crimineel handelen trachten te bekostigen, waardoor aan de samenleving ernstige schade wordt berokkend.

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank in het voordeel van verdachte er rekening mee gehouden:

- dat verdachte terzake van soortgelijke feiten nog niet eerder is veroordeeld, alsmede

- dat voor het bewezen verklaarde onder meer oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor een langere duur dan het voorarrest van 89 dagen passend zou zijn, echter dat, in verband met de hierboven vastgestelde schending van het recht van verdachte op een openbare behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn, slechts de hierna in de beslissing te noemen straffen zullen worden opgelegd.

De rechtbank zal terzake het bewezenverklaarde bovendien een geldboete opleggen, aangezien zij deze straf - gelet op het feit dat feiten als bewezen verklaard gepleegd worden met het oog op geldelijk gewin - meer passend vindt dan een taakstraf. Bij de vaststelling van de hoogte van de geldboete heeft de rechtbank rekening gehouden met de financiële draagkracht van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, artikelen 2 (oud), 10 (oud) en 10a van de Opiumwet, artikel 8.1 van de Wet milieubeheer en artikel 6 (oud) van Wet op de economische delicten.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank:

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 tot en met 6 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 tot en met 6 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 289 dagen;

- beveelt, dat van de opgelegde gevangenisstraf een deel, groot 200 dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van één jaar niet schuldig te maken aan een strafbaar feit;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- veroordeelt verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tevens tot een geldboete van 2500 Euro, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 50 dagen.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. Van der Aa, voorzitter, Mr. Otto en mr. Schreinemakers, rechters, in tegenwoordigheid van Wouters-Debougnoux, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 5 januari 2006.