Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AU9967

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
17-01-2006
Datum publicatie
20-01-2006
Zaaknummer
212384 BR VERZ 06-2
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verwerping nalatenschap; EG Verordening nr. 2201/2003.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 268
Burgerlijk Wetboek Boek 4
Burgerlijk Wetboek Boek 4 193
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2007/69
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Heerlen

Zaak/repnr.: 212384 BR VERZ 06-2

Gezien

- het op 10 januari 2006 via de Rechtbank sector kanton in Nijmegen ontvangen verzoekschrift, met bijlagen van [naam verzoeker], in zijn hoedanigheid van ouder en wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarigen:

[minderjarige 1], geboren [1989] te [woonplaats] en

[minderjarige 2], geboren [1998] te [woonplaats],

allen wonende te [woonplaats], Duitsland;

- de akte van overlijden van [grootmoeder van minderjarigen];

- de accoordverklaring van [minderjarige 1].

Overweegt

1 Verzoeker vraagt namens de minderjarigen, erfgenamen in de nalatenschap van [grootmoeder van minderjarigen], overleden [2005] te [woonplaats], deze nalatenschap te mogen verwerpen.

2 Verzoeker en de minderjarigen hebben allen de Nederlandse nationaliteit. Zij wonen echter circa vijf kilometer over de Nederlandse grens in Duitsland, zodat eerst onderzocht dient te worden of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft. Dienaangaande wordt het volgende overwogen. Duitsland en Nederland zijn beide lidstaten van de EG. Op 1 augustus 2005 is de EG Verordening nr. 2201/2003 in werking getreden betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid. Deze Verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten. Ingevolge artikel 1 lid 2 sub e) is de Verordening van toepassing op burgerlijke zaken betreffende de maatregelen ter bescherming van het kind, die verband houden met het beheer of de instandhouding van dan wel de beschikking over het vermogen van het kind. Artikel 8 lid 1 verklaart in dergelijke zaken bevoegd de gerechten van de lidstaat, waarop het kind zijn gewone verblijfplaats heeft. Lid 2 van dat artikel zegt dat dit geldt onder voorbehoud van artikel 12. Dit artikel regelt de prorogatie van rechtsmacht. Op grond van artikel 12 sub 3 zijn de gerechten van een lidstaat ook bevoegd terzake van de ouderlijke verantwoordelijkheden indien: a) het kind een nauwe band met die lidstaat heeft, met name omdat het kind onderdaan van die lidstaat is en b) deze bevoegdheid op het tijdstip waarop de zaak aanhangig is gemaakt, uitdrukkelijk dan wel op enige andere ondubbelzinnige wijze is aanvaard door alle partijen bij de procedure en door het belang van het kind wordt gerechtvaardigd.

Deze bepalingen hebben ex artikel 60 en 61 van de Verordening voor de EG lidstaten voorrang op de bepalingen van het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1961 en het (nog niet in werking getreden) Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996.

De vader en de minderjarigen hebben de Nederlandse nationaliteit en de minderjarigen gaan in Nederland naar school. De nalatenschap, waarvan de verwerping wordt verzocht, is in Nederland opengevallen. De vader heeft - namens de minderjarigen - de rechtsmacht van de Nederlandse rechter uitdrukkelijk aanvaard door het verzoek in Nederland in te dienen en er zijn geen andere partijen bij de onderhavige procedure betrokken.

Derhalve is, gelet op de hiervoor weergegeven bepalingen van de EG Verordening nr. 2201/2003, de Nederlandse rechter bevoegd van het verzoek kennis te nemen.

Artikel 4: 193 BW wijst in casu geen (relatief) bevoegde rechter aan. Aangezien het verzoek de verwerping van een nalatenschap betreft wordt aansluiting gezocht bij artikel 268 RV, zodat de kantonrechter van de Rechtbank Maastricht, lokatie Heerlen, bevoegd is.

3 Bij het verzoek is een financieel overzicht gevoegd, waaruit blijkt dat de nalatenschap van de grootmoeder van de minderjarigen een geringe omvang heeft en nauwelijks voldoende is om de afwikkelingskosten bij de notaris te voldoen. Verzoeker wil zijn dochters niet confronteren met een eventueel negatief saldo uit de nalatenschap en hen niet emotioneel belasten, gelet op de bestaande familieverhoudingen. Verzoeker heeft een met het verzoek instemmende verklaring van de minderjarige overgelegd, die de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt.

Het verzoek is derhalve op de wet gegrond en de gevraagde machtiging zal worden verleend.

Beslissing

De kantonrechter:

machtigt verzoeker als wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarigen [minderjarige 1 en minderjarige 2 ] tot verwerping van de nalatenschap van van [grootmoeder van minderjarigen], overleden [2005] te [woonplaats].

Aldus op 17 januari 2006 gewezen en in het openbaar uitge-spro-ken door

mr. A.C. Oosterman-Meulenbeld, kanton-rechter, in tegen-woor-digheid van de griffier.

AodK