Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AU9905

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
18-01-2006
Datum publicatie
19-01-2006
Zaaknummer
AWB 06 / 40 BESLU VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 december 2005 heeft verweerder het verzoek van verzoekster met betrekking tot de verlenging van de termijn van geldigheid van de “wet lease-in” van een luchtvaartuig van het Turkse MNG Airlines geweigerd.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster niet voldoet aan één van de in de Handleiding ten aanzien van leasing, code sharing en interchange genoemde uitzonderingen, zodat de maximale termijn van de onderhavige “wet lease-in” niet meer dan zes maanden kan bedragen. Verweerder heeft reeds deze maximale termijn van een “wet lease-in” aan verzoekster verleend, zodat verweerder naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in navolging van zijn beleid, zoals neergelegd in de Handleiding, en in overeenstemming met de EEG-verordening nr. 2407/92, terecht het verzoek om verlenging van de “wet lease-in” heeft kunnen afwijzen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 06 / 40 BESLU VV

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht op het verzoek

om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

Interstate Airlines BV,

gevestigd te Beek, verzoekster,

tegen

de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat (de Hoofdinspecteur Toezichteenheid Luchtvaart Operationele Bedrijven),

gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder.

Datum bestreden besluit: 23 december 2005

Kenmerk: LOB/05.556978

Behandeling ter zitting: 12 januari 2006

1. Procesverloop

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 23 december 2005 – verzonden 28 december 2005 – heeft verweerder het verzoek van verzoekster met betrekking tot de verlenging van de termijn van geldigheid van de “wet lease-in” van een luchtvaartuig van het Turkse MNG Airlines geweigerd.

Tegen dit besluit is namens verzoekster tijdig een bezwaarschrift ingediend bij verweerder. Bij faxbericht van 5 januari 2006 is de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan de gemachtigde van verzoekster gezonden. De inhoud van de gedingstukken wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter van de rechtbank op 12 januari 2006, alwaar verzoekster is verschenen bij de heer [naam] bijgestaan door mr. H.H.B. Lamers, advocaat te Maastricht. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. G.H.H. Bisschoffs en ing. A.T.S. van der Weide, beiden werkzaam voor verweerders Ministerie.

2. Overwegingen

In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voorzover toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium mee brengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure.

De voorzieningenrechter ziet geen beletsel verzoekster in haar verzoek ex artikel 8:81 van de Awb te ontvangen. Ook de vereiste spoed acht de voorzieningenrechter in genoegzame mate aangetoond.

Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat zonder die voorziening het voor verzoeker uit het bestreden besluit voortkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang. Nu de voorzieningenrechter aan de zijde van verzoekster een bepaald spoedeisend belang aanwezig acht en derhalve niet reeds op voorhand kan worden geconcludeerd dat zij zonder enig nadeel een beslissing op bezwaar kan afwachten, is het antwoord op de vraag of sprake is van enig nadeel dat behoort te worden voorkomen door het treffen van een voorlopige voorziening in belangrijke mate mede afhankelijk van een voorlopig oordeel omtrent de vraag of het bestreden besluit als zodanig in een eventuele hoofdzaak zal kunnen worden gehandhaafd.

De voorzieningenrechter gaat vervolgens uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Verzoekster is een Nederlandse vliegtuigmaatschappij, die in opdracht van MNG Europe BV vrachtvluchten uitvoert voor UPS (United Parcel Service). Verzoekster en MNG Europe BV maken voorts samen deel uit van de Global Aviation Transport Group.

MNG Europe BV is doende de vergunningen te verkrijgen om als Nederlandse luchtvaart-maat-schappij te gaan functioneren. MNG Europe BV laat tot die tijd het vervoerscontract dat zij heeft afgesloten met UPS uitvoeren door verzoekster, die hiervoor gebruik maakt van een geleased luchtvaartuig van het Turkse MNG Airlines. Aangezien het luchtvaartuig geëxploiteerd wordt onder de vergunning tot luchtuitvoering – ook wel AOC (= Air Operator Certificate) genoemd – van de verhuurder (te weten MNG Airlines) is er sprake van een zogenaamde “wet lease-in”. Voor een dergelijke “wet lease-in” is goedkeuring van verweerder vereist. Deze goedkeuring is in eerste instantie bij besluit van 4 augustus 2005 voor de periode van 7 augustus 2005 tot 1 september 2005 toegekend. Vervolgens is bij besluit van 31 augustus 2005 deze termijn nogmaals met vijf maanden verlengd tot 7 februari 2006.

Mede ingegeven door het feit dat de hiervoor genoemde vergunningverlening aan MNG Europe BV nog niet heeft plaatsgevonden en de wens van Global Aviation Transport om actief te worden op de vrachtmarkt, heeft verzoekster bij schrijven van 29 november 2005 verweerder verzocht om een verlenging van de goedkeuring van de “wet lease-in”.

Bij het thans bestreden besluit van 23 december 2005 heeft verweerder dit verzoek afgewezen. Als weigeringsgronden heeft verweerder het navolgende aangevoerd:

- MNG Airlines BV voldoet niet aantoonbaar aan artikel 10, tweede lid, van de Verordening (EEG) nr. 2407/92 van de Raad van 23 juli 1992;

- paragraaf 4.1.2. van de Handleiding ten aanzien van leasing, code sharing en interchange (verder te noemen: de Handleiding) is van toepassing. Hierdoor is de maximum termijn voor deze “wet lease-in” gesteld op 6 maanden;

- het bestaan van uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in paragraaf 1.1 van de Handleiding is niet aangetoond.

De EEG-verordening nr. 2407/1992 gaat over de verlening van exploitatievergunningen op grond waarvan EU-luchtvaartmaatschappijen vervoer mogen verrichten.

Artikel 10, eerste lid, van voornoemde Verordening geeft aan dat in verband met de veiligheids- en aansprakelijkheidsnormen de luchtvaartmaatschappij die gebruik maakt van een luchtvaartuig van een andere onderneming of die een luchtvaartuig ter beschikking aan een andere onderneming stelt vooraf goedkeuring moet hebben verkregen van de vergunningverlenende autoriteit.

Het tweede lid van dit artikel geeft aan dat alleen goedkeuring voor een wet lease-in kan worden verleend indien aan gelijkwaardige veiligheidsnormen is voldaan.

In Nederland is verweerder de vergunning verlenende instantie. Verweerder heeft in de Handleiding, welke bekend is gemaakt middels de Aeronautical Information Circular series B (AIC-B) 23/02 van 12 december 2002, uiteengezet wat de wet- en regelgeving is ten aanzien van het leasen van luchtvaartuigen en de wijze waarop daar uitvoering aan wordt gegeven in Nederland voor zover de wet- en regelgeving daarin beleidsruimte geeft.

Voor wat betreft de gelijkwaardige veiligheidsnormen wordt aangesloten bij de Joint Aviation Authorities (JAA), zijnde een samenwerkingsverband van Europese luchtvaart-autoriteiten. Deze normen zijn neergelegd in de Joint Aviation Requirements – Operations (JAR-OPS) en in de wet- en regelgeving van de deelnemende staten geïmplementeerd.

Gebleken is voorts – en van de zijde van verzoekster wordt dit niet, althans onvoldoende, weersproken – dat het Turkse MNG Airlines geen JAA-luchtvaartmaatschappij is in de zin van paragraaf 1.2 van de Handleiding.

In paragraaf 4.1.2. van de Handleiding is vermeld dat in het geval, zoals hier aan de orde is, waarin een Nederlandse luchtvaartmaatschappij een “wet lease-in” aangaat met een niet JAA-luchtvaartmaatschappij de maximum termijn drie maanden bedraagt. Verder blijkt uit deze paragraaf van de Handleiding dat indien het luchtvaartuig voldoet aan de inrichting en uitrustingeisen van JAR-OPS Subpart K&L en JAR 26 de periode van goedkeuring kan worden verlengd tot ten hoogste zes maanden, tenzij er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden.

Onder uitzonderlijke omstandigheden dient ingevolge paragraaf 1.1. van de Handleiding te worden verstaan:

1) special/outsized cargo;

2) een kapot niet meer te herstellen luchtvaartuig, in afwachting van de levering van een vervangend luchtvaartuig, of

3) behoefte aan geringe extra vervoerscapaciteit ten behoeve van het ontwikkelen van een markt.

Verzoekster heeft aangevoerd dat de laatste uitzonderlijke omstandigheid op haar van toepassing is. Daarnaast doet verzoekster een beroep op het gelijkheidsbeginsel onder verwijzing naar een goedkeuring voor een “wet lease-in” van een luchtvaartuig van MNG Airlines, welke verleend is aan MagicBlue Airlines over een periode van in totaal 18 maanden. Tot slot is verzoekster de mening toegedaan dat verweerder zijn bevoegdheid tot het weigeren van goedkeuring gebruikt heeft op oneigenlijke gronden, hetgeen leidt tot strijd met het verbod van détournement de pouvoir. Volgens verzoekster is de persoon van de aandeelhouders van MNG Europe BV de daadwerkelijke reden om de door die vennootschap aangevraagde vergunningen met grote vertraging te behandelen en nu aan verzoekster verlening van de goedkeuring te weigeren.

De voorzieningenrechter merkt allereerst op dat in casu verzoekster en haar doelstellingen bepalend zijn voor de beoordeling van de geldigheidstermijn van de hier ter discussie staande “wet lease-in”.

Zoals hiervoor reeds is weergegeven, volgt uit de Handleiding dat de maximum termijn van de onderhavige “wet lease-in” zes maanden kan bedragen, tenzij er sprake is van, voorzover thans van belang, het ontwikkelen van een markt. Anders dan verzoekster, is de voorzieningenrechter van oordeel dat – gelet op de opbouw van de Handleiding gaat het om de luchtvaartmaatschappij die, zoals in deze, zelf gebruik maakt van een luchtvaartuig van een ander – hiermee bedoeld is het ontwikkelen van een eigen markt.

Uit de voorhanden zijnde gedingstukken en het verhandelde ter zitting stelt de voorzieningenrechter echter vast dat niet verzoekster, maar een ander bedrijf een nieuwe markt aan het ontwikkelen is, waarbij verwezen kan worden naar MNG Europe BV of MNG Airlines die de contractuele relatie hebben met UPS, dan wel de Global Aviation Transport Group, die volgens de aanvraag van 29 november 2005 actief wenst te worden op de vrachtmarkt.

Het feit dat verzoekster als aanvrager van de “wet lease-in” deel uitmaakt van de Global Aviation Transport Group en dat deze laatste zeggenschap heeft over verzoekster, maakt dit niet anders. De Global Aviation Transport Group kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet vereenzelvigd worden met verzoekster, die als een zelfstandige entiteit aan het rechtsverkeer deelneemt.

Nu verzoekster niet voldoet aan één van de in de Handleiding genoemde uitzonderingen, kan de maximale termijn van de onderhavige “wet lease-in” niet meer bedragen dan zes maanden. Verweerder heeft reeds deze maximale termijn van een “wet lease-in” aan verzoekster verleend, zodat verweerder naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in navolging van zijn beleid, zoals neergelegd in de Handleiding, en in overeenstemming met de EEG-verordening nr. 2407/92, terecht het verzoek om verlenging van de “wet lease-in” heeft kunnen afwijzen.

Het beroep van verzoekster op het gelijkheidsbeginsel gaat naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet op, omdat er geen sprake is van gelijke gevallen. Met betrekking tot de besluiten die genomen zijn ten aanzien van MagicBlue Airlines BV, is de voorzieningenrechter gebleken dat MagicBlue een eigen markt aan het ontwikkelen was en er derhalve sprake was van een uitzonderlijke situatie, terwijl verzoekster dit doet voor een derde.

Ook is de voorzieningenrechter niet gebleken dat in de onderhavige zaak sprake zou zijn van détournement de pouvoir.

Gelet op het voorgaande, zal het bestreden besluit hoogstwaarschijnlijk stand kunnen houden. Het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening komt dan ook niet voor toewijzing in aanmerking.

Op grond van artikel 8:84 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht:

wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. J.F.W. Huinen in tegenwoordigheid van mr. D.H.J. Laeven als griffier en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2006 door mr. Huinen voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. D. Laeven w.g. J. Huinen

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 18 januari 2006

LJN: AU 9905

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.