Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2006:AU9894

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
16-01-2006
Datum publicatie
19-01-2006
Zaaknummer
AWB 05 / 999 AFSTHF
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onderdeel beleidsregels tenaamstelling aanslag afvalstoffenheffing gemeente Heerlen in strijd met artikel 1 van de Grondwet en derhalve onverbindend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2006/366
FutD 2006-0138
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 05 / 999 AFSTHF

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[eiser],

wonende te Heerlen, eiser,

tegen

de Heffingsambtenaar van de gemeente Heerlen,

gevestigd te Heerlen, verweerder.

Datum bestreden besluit: 18 april 2005

Kenmerk: 650644

Behandeling ter zitting: 29 november 2005

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 18 april 2005 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de hem bij beschikking van 28 februari 2005 opgelegde aanslag afvalstoffenheffing en rioolrechten ongegrond verklaard.

Tegen eerstgenoemd besluit heeft eiser bij brief van 26 mei 2005 beroep ingesteld.

Bij brief van 29 juli 2005 heeft verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna te noemen: de Awb) de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 29 november 2005, alwaar eiser in persoon is verschenen. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. M.G.G. Hilkens.

2. Overwegingen

Bij beschikking van 28 februari 2005 is eiser aangemerkt als degene die aan het begin van het belastingjaar 2005 de onroerende zaak [adres] te Heerlen al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt en is hij dientengevolge aangeslagen voor de afvalstoffenheffing en de rioolrechten gebruiker.

Deze beschikking heeft verweerder bij het thans bestreden besluit van 18 april 2005 gehandhaafd.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder hem ten onrechte heeft aangeslagen als een ‘meer dan 2-persoonshuishouding’, omdat hij een eenpersoonshuishouding voert. Eiser heeft in dat kader gesteld dat hij al jaren alleen leeft en een kamer bewoont van circa 8 m2 in een woning van een kamerverhuurbedrijf. In de woning bevinden zich meerdere kamers van eveneens veelal eenpersoonshuishoudens die een gezamenlijke keuken en toilet delen. Eiser is, zo heeft hij nog gesteld, geen hoofdbewoner, maar slechts een van de huurders.

In geding is de vraag of verweerder zijn beschikking eiser een aanslag afvalstoffenheffing en rioolrechten op te leggen, bij het thans bestreden besluit terecht en op goede gronden heeft gehandhaafd. De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Verordening op de heffing en invordering van afvalstoffenheffing Heerlen 2002 (hierna te noemen: de Verordening afvalstoffenheffing) wordt onder de naam ‘afvalstoffenheffing’ een directe belasting geheven als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Verordening afvalstoffenheffing wordt de belasting geheven van degene die in de gemeente feitelijk gebruik maakt van een perceel ten aanzien waarvan ingevolge artikel 10.11 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt.

De onroerende zaak [adres] te Heerlen is een kamerverhuurpand en bestaat uit een aantal verhuurde kamers, alsmede een gemeenschappelijke keuken en gemeenschappelijke sanitaire voorzieningen. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de afzonderlijke kamers in dat pand niet zijn aan te merken als afzonderlijke percelen. Dit brengt met zich dat meerdere personen belastingplichtig zijn voor voornoemde onroerende zaak. De belastingaanslag kan, ingevolge artikel 253, eerste lid, van de Gemeentewet, dan ook ten name van een van de huurders van een kamer in voornoemd pand worden gesteld.

Verweerder heeft voor wat de tenaamstelling van de aanslag betreft bij besluit van 31 maart 1998 beleidsregels vastgesteld. Ingevolge die regels hanteert verweerder bij de aanwijzing van de belastingplichtige die de aanslag op zijn of haar naam krijgt, een voorkeursvolgorde. Ingevolge onderdeel I, aanhef en onder 2, van de beleidsregels wordt de aanslag bij gelijke aandelen in het woongenot ten name gesteld van de bewoner die de oudste in leeftijd is.

Tussen partijen is niet in geding dat eiser aan het begin van het onderhavige belastingjaar (2005) in de gemeentelijke basisadministratie (hierna te noemen: de GBA) stond ingeschreven op het adres [adres] te Heerlen. Uit de, zich in het dossier bevindende, gegevens van de GBA blijkt dat op dat adres zes personen zijn ingeschreven, zodat er sprake is van een meer dan 2-persoonshuishouden. Voorts blijkt uit die gegevens dat eiser van die zes personen de oudste is. Niet is gebleken dat een van die personen een groter aandeel in het genotsrecht van meergenoemde onroerende zaak heeft. Toepassing van voornoemde beleidsregels zou aldus meebrengen dat eiser zou moeten worden aangewezen als degene aan wie de in geding zijnde aanslag zou moeten worden opgelegd.

Ter zitting heeft eiser zich echter op het standpunt gesteld dat toepassing van de beleidsregels in strijd is met het verbod van leeftijdsdiscriminatie. Dienaangaande overweegt de rechtbank als volgt.

Ingevolge artikel 1 van de Grondwet worden allen die zich in Nederland bevinden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan. De rechtsontwikkelingen sinds het van kracht worden van dit artikel op 17 februari 1983 hebben onmiskenbaar uitgewezen dat ook onderscheid op grond van leeftijd kan worden aangemerkt als een door artikel 1 van de Grondwet verboden discriminatie. De thans in geding zijnde grief ziet op een onderscheid naar leeftijd dat is opgenomen in een beleidsregel en kan om die reden aan artikel 1 van de Grondwet worden getoetst.

Blijkens onderdeel A van de beleidsregels is de aanwijzing van de oudste in leeftijd als belastingplichtige gebaseerd op veronderstelde betaalcapaciteit en doelmatige c.q. doeltreffende heffing en invordering, en wordt deze toegepast voor zover de gegevens voorhanden of te achterhalen zijn. Desgevraagd ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder aangegeven dat haar geen andere redenen voor het gemaakte onderscheid bekend zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank vormen deze, louter door efficiency ingegeven, redenen geen objectieve rechtvaardigingsgrond voor het door verweerder gehanteerde onderscheid naar leeftijd in geval van gelijke aandelen in het woongenot. De keuze voor de tenaamstelling van de aanslag voor de oudste bewoner is blijkens de beleidsregels geheel ingegeven door een betaalcapaciteit die bij een bepaalde leeftijd wordt verondersteld, zonder dat ook maar enigszins is komen vast te staan dat deze veronderstelling met de werkelijkheid overeenkomt. Niet is gebleken dat met de uit de beleidsregels geciteerde zinsnede “voor zover de gegevens voorhanden of te achterhalen zijn” is beoogd ook in concreto te doen vaststellen of de oudste bewoner voldoende betaalcapaciteit heeft. Tenslotte is niet gebleken dat verweerder bij zijn beleidskeuze de belastingaanslag op naam een van de bewoners te stellen, waartoe de wet op zichzelf de mogelijkheid biedt, alternatieve oplossingen heeft overwogen waarbij het risico van leeftijdsdiscriminatie zou kunnen worden vermeden.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat onderdeel I, aanhef en onder 2, van de beleidsregels in strijd is met artikel 1 van de Grondwet en daarom onverbindend is. Daarmee is tevens gegeven dat het bestreden besluit niet berust op een deugdelijke motivering en mitsdien is strijd is met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. Het beroep is dan ook gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Verweerder zal met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaarschrift van 26 maart 2005 moeten beslissen.

Van enige, op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, voor vergoeding in aanmerking komende kosten aan de kant van eiser is de rechtbank niet gebleken.

Gelet op het bepaalde in de artikelen 8:70, 8:72 en 8:74 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De Rechtbank Maastricht:

? verklaart het beroep gegrond en vernietigt het thans bestreden besluit van 18 april 2005;

? bepaalt dat verweerder opnieuw beslist op het bezwaarschrift van 26 maart 2005, met inachtneming van deze uitspraak;

? bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 37,-- wordt vergoed door de gemeente Heerlen.

Aldus gedaan door mr. R.E. Bakker, voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.L. Devoi als griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2006 door mr. Bakker voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. J. Devoi w.g. R.E. Bakker

Voor eensluidend afschrift:

de griffier:

Verzonden op: 16 januari 2006

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum:

? hoger beroep instellen bij het gerechtshof te 's Hertogenbosch (belastingkamer), Postbus 70583, 5201 CZ te ‘s-Hertogenbosch; dan wel

? beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag, mits de wederpartij daarmee schriftelijk instemt.

N.B. Bij het bestuursorgaan berust de bevoegdheid tot het instellen van beroep in cassatie niet bij de ambtenaar die de procedure voor de rechtbank heeft gevoerd.

Bij het instellen van hoger beroep dan wel beroep in cassatie dient het volgende in acht te worden genomen:

1. - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd,

2. - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep dan wel het beroep in cassatie.

Bij het instellen van beroep in cassatie dient daarnaast in acht te worden genomen dat bij het beroepschrift een schriftelijke verklaring van de wederpartij gevoegd, inhoudende dat wordt ingestemd met het instellen van beroep in cassatie tegen de uitspraak van de rechtbank.