Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2005:AU8813

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
16-12-2005
Datum publicatie
28-12-2005
Zaaknummer
AWB 05 / 955 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft verweerder verzocht haar op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) in aanmerking te brengen voor bijzondere bijstand voor de kosten van de aanslag OZB en Afvalstoffenheffing over het jaar 2005. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres afgewezen, omdat sprake is van algemene (woon)kosten van het bestaan, die kunnen worden voldaan uit de bijstandsuitkering. Van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35 van de WWB is geen sprake. Ook van dringende redenen in de zin van artikel 16, eerste lid, van de WWB is niet gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 05 / 955 WWB

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[A],

wonende te Brunssum, eiseres,

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Brunssum,

gevestigd te Brunssum, verweerder.

Datum bestreden besluit: 3 mei 2005

Kenmerk: ABZ/JZ nr. 05/4037

Behandeling ter zitting: 7 november 2005

1. Ontstaan en loop van het geding

In het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder het door eiseres ingediende bezwaarschrift van 11 maart 2005 ongegrond verklaard.

Tegen bovengenoemd besluit heeft eiseres bij schrijven van 15 mei 2005 beroep ingesteld. Bij brief van 19 oktober 2005 heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, kenbaar gemaakt dat hij vanaf heden eiseres in deze procedure als gemachtigde zal bijstaan. Hij heeft bij dit schrijven tevens de gronden van het beroep aangevuld.

De door verweerder ter voldoening aan artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken alsmede het verweerschrift zijn in kopie aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de recht-bank op 7 november 2005, alwaar eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R.L.M. Meijers en W.M.J. Michiels.

2. Overwegingen

2.1. Eiseres ontvangt sedert geruime tijd een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.

De gemeente Brunssum heeft de mogelijkheid tot kwijtschelding van aanslagen onroerend zaakbelasting (OZB) en Afvalstoffenheffing met ingang van 1 januari 2005 afgeschaft.

Eiseres heeft verweerder op 10 januari 2005 verzocht haar op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) in aanmerking te brengen voor bijzondere bijstand voor de kosten van de aanslag OZB en Afvalstoffenheffing over het jaar 2005. Verweerder heeft de aanvraag van eiseres bij besluit van 22 februari 2005 afgewezen, omdat sprake is van algemene (woon)kosten van het bestaan, die kunnen worden voldaan uit de bijstandsuitkering. Van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35 van de WWB is geen sprake. Ook van dringende redenen in de zin van artikel 16, eerste lid, van de WWB is niet gebleken.

Tegen dit besluit heeft de gemachtigde van eiseres bij schrijven van 11 maart 2005 een bezwaarschrift ingediend.

Op 18 april 2005 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

2.2. Bij het thans bestreden besluit van 3 mei 2005 is het bezwaarschrift ongegrond verklaard. Verweerder heeft daarbij op het standpunt gesteld dat de kosten waar bijstand voor wordt gevraagd niet zijn veroorzaakt door een bijzondere omstandigheid. Het feit dat de gemeente de kwijtscheldingsmogelijkheid heeft afgeschaft, doet daar niet aan af.

2.3. Eiseres heeft in het beroepschrift aangegeven dat zij zich niet met het standpunt van verweerder kan verenigen.

Namens eiseres is in het aanvullend beroepschrift het standpunt van verweerder bestreden dat de aanslag OZB en Afvalstoffenheffing uit de bijstandsnorm kan worden voldaan. De enkele Nederlandse gemeenten die het kwijtscheldingsbeleid voor minima hebben afgeschaft, hebben compensatie geboden aan bijstandsgerechtigden door de hantering van een ruimer bijstandsbeleid. Dit is ondanks toezeggingen van verweerder bij de gemeente Brunssum niet gebeurd. Eiseres komt blijkens een door haar volgens de Nibud gemaakte berekening maandelijks € 126,-- tekort om samen met haar dochter van te leven. Eiseres is al geruime tijd volledig arbeidsongeschikt. Zij heeft de ziekte van Raynaud (vaatproblemen) waardoor zij harder moet stoken. Zij heeft voorts in verband met blaasproblemen extra bewassingskosten. Ook heeft zij een schuld bij de Kredietbank, die is ontstaan door de noodzakelijke vervanging van meubilair. Haar aflossingscapaciteit wordt, zo zij die al heeft, daar al voor gebruikt. Eiseres is ten slotte reeds 14 jaar aangewezen op een bijstandsuitkering.

2.4. De rechtbank dient in dit geding te beoordelen of verweerder de aanvraag van eiseres voor bijzondere bijstand voor de aanslag OZB en Afvalstoffenheffing over 2005 terecht en op goede gronden heeft afgewezen.

De rechtbank overweegt hiertoe het navolgende.

Artikel 15, eerste lid, van de WWB bepaalt dat geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.

Blijkens de gedingstukken alsmede het ter zitting gestelde is de mogelijkheid om als bijstandsgerechtigde in aanmerking te komen voor kwijtschelding van de aanslag OZB en Afvalstoffenheffing met ingang van 1 januari 2005 afgeschaft. Van een voorliggende voorziening voor de in geding zijnde kosten is dan ook vanaf voormelde datum geen sprake meer.

Ingevolge artikel 35, eerste lid, van de WWB heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij artikel 31, tweede lid en artikel 34, tweede lid niet van toepassing zijn. Het college bepaalt het begin en de duur van de periode waarover het vermogen en het inkomen in aanmerking wordt genomen.

Onbetwist is dat het in casu noodzakelijke kosten van het bestaan betreft. In geschil is echter of de onderhavige kosten uit de eigen middelen dienen te worden voldaan. Namens eiseres wordt gesteld dat de eigen middelen ontoereikend zijn. Gelet op de bij eiseres aanwezige bijzondere omstandigheden, kan naar haar mening dan ook niet van haar worden verwacht dat zij de aanslag zelf betaalt. De door eiseres in dit verband aangevoerde langdurige bijstandsafhankelijkheid kan naar het oordeel van de rechtbank niet als bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 35, eerste lid, van de WWB worden aangemerkt. Ook de omstandigheid dat zij een alleenstaande moeder (van één kind) is, is op zich zelf gezien niet een zodanige omstandigheid. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat eiseres voor de door haar in verband met haar gezondheidstoestand aangevoerde extra stook- en bewassingskosten een aparte aanvraag voor bijzondere bijstand kan indienen. In het kader van deze aanvraag kunnen deze kosten, die overigens niet nader zijn gespecificeerd, echter niet als bijzondere omstandigheid die tot bijstandsverlening nopen worden aangemerkt. Ook voor wat betreft de door eiseres aangehaalde inrichtingskosten bestaat de mogelijkheid tot het indienen van een bijstandsaanvraag. Deze kosten zijn overigens door eiseres in de onderhavige procedure op geen enkele wijze gespecificeerd, zodat hier reeds daarom geen rekening mee gehouden kan worden. Ook de door eiseres aangevoerde schuld bij de Kredietbank kan op zich zelf niet als bijzondere omstandigheid worden aangemerkt. Volgens vaste jurisprudentie en ook blijkens de wetsgeschiedenis kan het bestaan van een schuldenlast (in beginsel) immers niet worden aangemerkt als een zeer dringende reden.

Ter zitting is door gemachtigde van verweerder aangegeven dat de afschaffing van de mogelijkheid tot kwijtschelding van de aanslagen OZB en Afvalstoffenheffing op 7 november 2004 in een huis-aan-huis blad bekend is gemaakt. Verweerder heeft het voorgaande niet aan de bijstandsgerechtigden individueel bekend gemaakt. Voorts is ter zitting door gemachtigde van verweerder erkend dat door verweerder in het algemeen niet is stil gestaan bij de (individuele) gevolgen van de afschaffing van de mogelijkheid tot kwijtschelding voor bijstandsgerechtigden. De rechtbank stelt vast dat het gevolg van de afschaffing van de mogelijkheid tot kwijtschelding voor eiseres op geen enkele wijze door verweerder is gemotiveerd.

De rechtbank is verder van oordeel dat van een op voormelde afschaffing gerichte reservering vooraf geen sprake kon zijn, nu eiseres in het verleden nooit voor deze kosten heeft hoeven reserveren omdat haar steeds kwijtschelding was verleend en er niet van op de hoogte was dat hier inmiddels verandering in is gekomen. Niet is gebleken dat eiseres in staat is tot gespreide betaling achteraf. Verweerder heeft voorts nagelaten een op eiseres toegespitste verifieerbare draagkrachtberekening te maken. Dit had mogen worden verwacht nu namens eiseres is verwezen naar de zogenaamde NIBUD-berekening waaruit blijkt dat zij maandelijks € 126,00 tekort komt. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en een toereikende motivering ontbeert. Het besluit strijdt aldus met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Awb.

Gezien het vorenstaande acht de rechtbank termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten, die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbij-stand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

De rechtbank kent ter zake twee punten met elk een waarde van € 322,-- toe voor de indie-ning van het beroepschrift en de verschijning ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het te ver-goeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x € 322,-- x 1 = € 644,--.

Het bedrag van de reiskosten van eiseres wegens haar verschijning ter zitting wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder c, van het Bpb en artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 door de rechtbank vastgesteld op € 12,50, zijnde de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse.

Nu aan eiseres ter zake van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten à € 644,-- ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

Op grond van de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2. draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres;

3. bepaalt dat aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 37,00 wordt vergoed door de gemeente Brunssum;

4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op € 656,50 (waarvan wegens de kosten van rechtsbijstand € 644,00) te betalen door de gemeente Brunssum aan de griffier van de rechtbank Maastricht.

Aldus gedaan door mr. J.F.W. Huinen in tegenwoordigheid van mr. J.H. van Hoof als griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2005 door mr. Huinen voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. J.H. van Hoof w.g. J. Huinen

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 16 december 2005

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.