Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2005:AU8686

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
08-12-2005
Datum publicatie
27-12-2005
Zaaknummer
105643 / KG ZA 05-399
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Partijen zijn in een echtscheidingsprocedure verwikkeld. De vrouw vordert in kort geding om de man te verplichten dat de aan partijen samen toebehorende echtelijke woning plus de daarop drukkende hypotheek op zijn naam komt en om de man te verplichten de overwaarde van de woning aan haar uit te keren en voorts nog om de man te verplichten zijn medewerking te verlenen aan de verdeling van de boedel.

De vorderingen worden afgewezen. Als er al sprake zou zijn van definitieve afspraken ten aanzien van de overname van de echtelijke woning door de man dan kunnen deze afspraken eerst geëffectueerd c.q. afgewikkeld worden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 99
Burgerlijk Wetboek Boek 1 100
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2006/32
JIN 2006/61
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak : 8 december 2005

Zaaknummer : 105643 / KG ZA 05-399

De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende kort gedingvonnis gewezen

inzake

[Naam eiseres],

wonende te [adres],

eiseres bij exploit van dagvaarding van 2 november 2005 betekend aan het adres van de procureur van gedaagde en bij exploit van dagvaarding van 8 november 2005 betekend aan gedaagde in persoon,

procureur mr. A.M. Holmes, (toevoeging aangevraagd),

tegen:

[Naam gedaagde],

wonende te [adres],

gedaagde,

procureur mr.A.P.A. Snijders,

1. Het verloop van de procedure

Eiseres, hierna te noemen: de vrouw, heeft gedaagde, hierna te noemen: de man, gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag, 16 november 2005, heeft de vrouw gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna zij haar vordering met verwijzing naar met de dagvaarding meebetekende producties nader heeft doen toelichten.

De procureur van de man heeft aan de hand van een conclusie van antwoord verweer gevoerd.

Partijen hebben daarna in tweede termijn op elkaars stellingen gereageerd.

Ten slotte hebben partijen om vonnis verzocht. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1

Partijen zijn op 1 juli 1988 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd. Partijen zijn op dit ogenblik verwikkeld in een echtscheidingsprocedure. Deze procedure loopt onder zaaknummer 99686 / S RK 05-238 bij deze rechtbank. Op 11 november 2005 heeft de echtscheidingscomparitie plaatsgevonden.

2.2

Bij beschikking van 30 maart 2005 zijn er voorlopige voorzieningen getroffen.

In die beschikking is bepaald dat de vrouw met ingang van 6 april 2005 bij uitsluiting is gerechtigd tot het gebruik van de echtelijke woning en is de man bevolen de woning te verlaten en deze niet meer zonder toestemming van de vrouw te betreden.

2.3

Stellende dat de man van meet af aan heeft aangegeven zo snel als mogelijk de echtelijke woning met de daarop drukkende hypotheek uit de boedel van partijen te willen overnemen, vordert de vrouw bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis

primair:

1. de man te verplichten om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis zijn medewerking te verlenen aan dan wel zorg te dragen voor het transport van de aan partijen gezamenlijk in eigendom toebehorende onroerende zaak, staande en gelegen te [adres], uitsluitend op naam van de man, met benoeming van notaris mr. J.M. Ruyters te 6211 TE Maastricht (Sint Servaasklooster 26), althans diens waarnemer als instumenterende notaris, zulks op straffe van een dwangsom van € 5.000,-- voor elke gehele dag of voor elk dagdeel na 15 november 2005 dat de man hiermee in gebreke mocht blijven, met een maximum van € 100.000,--;

2. de man te verplichten om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis aan de vrouw, ter zake de helft van de aan de vrouw toekomende overwaarde, rustende op de onder 1 omschreven onroerende zaak, een voorschot te voldoen van

€ 100.000,--;

3. de man te verplichten om binnen twee dagen na betekening van dit vonnis zijn medewerking te verlenen aan de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen, waarbij minimaal aan de vrouw worden toegedeeld drie bedden met bijbehorende accessoires zoals matrassen en beddengoed ten behoeve van de vrouw en de kinderen van partijen, twee van de vier fauteuils, een van de twee bankstellen, een van de drie televisietoestellen, twee van de meerdere kasten en huisraad, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- voor elke dag of elk dagdeel na 15 november 2005 dat de man hiermee in gebreke mocht blijven, met een maximum van € 50.000,--;

subsidiair,

een zodanige voorziening te treffen met benoeming van een door de rechtbank aan te wijzen notaris en/of de vrouw een zodanig voorschot op haar deel van de overwaarde toe te kennen ten laste van de man en/of een zodanige verdeling te bevelen als de voozieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren;

4. en voorts primair en subsidiair de man in de kosten van de procedure te veroordelen.

2.4

Ter verdere onderbouwing van haar vordering stelt de vrouw dat de man haar op 8 juli 2005 heeft laten weten dat zij per 15 oktober 2005 de echtelijke woning moest hebben verlaten omdat hij die dan zou overnemen tegen betaling van haar aandeel in de overwaarde aan de vrouw een en ander nadat partijen in het licht daarvan al op 27 juli 2005 overeengekomen waren dat de aan de man toe te delen echtelijke woning € 334.400,-- waard is.

Omdat partijen een concrete prijs voor de woning zijn overeengekomen en een concrete datum voor de overname van de woning en de verdere afwikkeling zijn overeengekomen, is de vrouw gaan zoeken naar een andere woning. Na deze tegen medio augustus te hebben gevonden heeft de procureur van de vrouw, omdat de vrouw geheel zeker van haar zaak wilde zijn, aan de procureur van de man op 15 augustus 2005 een schrijven doen toekomen met het verzoek dit voor akkoord te tekenen. In dit schrijven staat vermeld:

'[...] Zodoende verzoekt cliënte aan uw cliënt andermaal dat hij – zo nodig – zijn volledige medewerking verleent, opdat cliënte die woning kan kopen. Cliënte laat voorts weten dat de datum van 15 oktober 2005, als zijnde de datum op welke cliënte de echtelijke woning zal hebben dienen te verlaten akkoord is, onder voorwaarde dat uw cliënt ultimo per gemelde datum die woning zal hebben overgenomen èn aan cliënte zal hebben voldaan haar deel van de op die woning rustende overwaarde. Dat is voor cliënte van belang nu die overwaarde – welke eerst later wordt uitgekeerd – deel uitmaakt van de constructie tot aanschaf van de nieuwe woning van cliënte. Ook is voorwaarde dat per de datum van overname uw cliënt alle toekomstige lasten, betrekking hebbende op de (echtelijke) woning, aan zijn zijde vallen, zonder dat (tevens) cliënte wordt aangesproken en dat alle kosten met betrekking tot de overschrijving c.a. op naam van uw cliënt aan zijn zijde vallen. [....] Ik verzoek u vriendelijk dit schrijven voor akkoord te ondertekenen en aan mij te retourneren, waarmee uw cliënt dit schrijven accepteert als een overeenkomst in de zin van artikel 1:100 lid 1 BW en waarmee partijen dus zijn overeengekomen, hetgeen in dit schrijven staat vermeld. [.....]. '

De procureur van de man heeft dit schrijven namens de man ondertekend en dit weer aan de procureur van de vrouw geretourneerd.

2.5

De vrouw heeft zich vervolgens per 31 augustus 2005 verbonden aan de koop van de door haar in [woonplaats] gevonden woning en er zich toe verplicht die per 15 november 2005 van de vorige eigenaar over te nemen voor de prijs van € 190.000,--, kosten koper. Zij heeft daarna, rekening houdend met de te ontvangen overwaarde uit de echtelijke woning per 22 september 2005 een tweetal offertes bij de Rabobank aangevraagd ter zake een hypotheek om de aankoop van de woning in [woonplaats] verder te kunnen financieren.

2.6

Bij brief van 25 september 2005 schrijft de man aan de procureur van de vrouw dat hij geen opdracht aan de procureur van de vrouw heeft verstrekt om in te stemmen met het voorstel en dat hij mondeling noch schriftelijk akkoord is gegaan met de inhoud van het schrijven van 15 augustus 2005 dat door zijn procureur namens hem is ondertekend. In dit schrijven van 25 september 2005 verzoekt de man vriendelijk de zojuist aangehaalde passage in de brief van 15 augustus 2005 gericht aan zijn procureur te wijzigen of door te halen.

De vrouw heeft daarop haar procureur de man bij brief van 27 oktober 2005 laten sommeren om de overeenkomst van 15 augustus 2005 na te komen en hieraan zijn volledige medewerking te verlenen.

Nu de man daar niet op in is gegaan, verkeert hij volgens de vrouw sedert 31 oktober 2005 in verzuim en heeft de vrouw een spoedeisend belang bij haar vordering. De vrouw lijdt schade aangezien de verkopers van de woning in [woonplaats] geen uitstel voor het op 15 november 2005 overeengekomen transport wilden verlenen. Zij heeft daarom voor de afname van de woning extra financieringen moeten regelen in die zin dat haar ouders haar met een hypotheeklening van € 50.000,-- op hun eigen woning geholpen hebben en zij daarmee alsnog de aangegane verplichtingen ter zake de woning in [woonplaats] is kunnen nakomen.

Ter zake deze woning stelt de vrouw dat partijen hebben afgesproken dat deze niet valt in de gemeenschap van goederen die door de echtscheiding ontbonden wordt om tussen partijen verdeeld te worden.

2.7

De vordering wordt door de man weersproken, waartoe wordt verwezen naar de conclusie van antwoord.

3. De beoordeling

3.1

De man heeft ter terechtzitting betoogd dat het steeds zijn wens is geweest de echtelijke woning uit de boedel over te nemen. Ter comparitie van 11 november 2005 heeft hij dat ook te kennen gegeven en met het oog daarop heeft hij de woning ook laten taxeren. Het probleem is evenwel dat hij voor het verkrijgen van een (aanvullende) hypotheek aan de hypotheekverlenende bank gegevens dient te verstrekken ter zake de lasten die er na de echtscheiding zullen zijn zoals onder meer de door de rechtbank te bepalen door de man te betalen alimentatie. Het antwoord op die vraag kan eerst gegeven worden wanneer de hypotheeklasten bekend zijn die hij moet voldoen als hij de woning uit de boedel overneemt. Ter terechtzitting van 11 november 2005 hebben partijen het daarover gehad en om de impasse te doorbereken heeft de (procureur van de) man toegezegd binnen een week een alimentatieberekening aan de rechtbank en de vrouw over te leggen waarbij als uitgangspunt wordt genomen de hypotheeklasten die de man zal hebben nadat hij een nieuwe hypotheek heeft afgesloten om de woning uit de boedel over te nemen. Afgesproken is ook dat de vrouw binnen een week hierop zal reageren en dat de rechtbank daarna in de echtscheidingsprocedure ter zake de alimentatieverplichtingen van de man haar oordeel zal geven.

Hierna kan de man met de financier de beoogde hypotheekovereenkomst sluiten.

Op grond hiervan is het de man niet mogelijk om de woning thans over te nemen. Indien de alimentatieverplichting te hoog uitvalt zal dit ook niet kunnen en zal in dat geval de woning moeten worden verkocht op de reguliere markt en kan de man in dat geval dus ook niet nakomen zoals de vrouw vordert.

In het licht van dit alles heeft de man opgemerkt dat hij zich per brief van 25 september 2005 tot de procureur van de vrouw heeft gewend en deze toen heeft medegedeeld het uitdrukkelijk niet eens te zijn met de passage waaruit zou moeten blijken dat hij akkoord zou zijn gegaan met de door zijn procureur namens hem ondertekende brief van 15 augustus 2005 waarin de toezegging is gedaan om per 15 oktober 2005 de woning uit de boedel over te nemen met betaling van de overwaarde daarvan aan de vrouw.

De man zegt dat zijn procureur hem over dat schrijven kort telefonisch heeft ingelicht maar dat hij nooit toestemming heeft gegeven om dat schrijven voor akkoord te retourneren aan (de procureur van) vrouw. De man stelt verder dat hij die toestemming toen niet kon en nu niet kan geven omdat hij niet wist en nog steeds niet weet of de financiering van de woning rond zou (zal) komen.

De man bevestigt dat partijen hebben afgesproken dat de door de vrouw verworven woning in [woonplaats] buiten de te verdelen gemeenschap van goederen van partijen valt.

3.2

In de litigieuze brief van 15 augustus 2005 heeft de procureur van de vrouw de procureur van de man verzocht om namens hem dat schrijven voor akkoord te ondertekenen en te retourneren. De (procureur van de) vrouw is van mening dat de man daarmee hetgeen in dit schrijven staat vermeld ter zake de overname van de echtelijke woning uit de nog bestaande gemeenschap van goederen door de man, accepteert als een overeenkomst in de zin van artikel 1:100 BW.

De voorzieningenrechter begrijpt dat de vrouw zich op het standpunt stelt dat de inhoud van de brief van 15 augustus 2005 beschouwd moet worden als een echtscheidingsconvenant.

De Hoge Raad heeft in zijn beslissing van 7 april 1995, NJ 1996, 499 gesteld dat een huwelijksgemeenschap vóór haar ontbinding kan worden verdeeld onder de opschortende voorwaarde dat die ontbinding zal plaatsvinden.

Een vóór de ontbinding van het huwelijk gesloten echtscheidingsconvenant is een rechtshandeling waarbij de gemeenschap wordt verdeeld onder de opschortende voorwaarde van ontbinding van de gemeenschap dan wel een obligatoire overeenkomst waarbij de deelgenoten zich tot een bepaalde concreet aangegeven verdeling van de gemeenschap verplichten.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de inhoud van de brief van 15 augustus 2005, los van de vraag of de man daaraan gebonden is door de ondertekening daarvan door zijn raadsman, geen echtscheidingsconvenant in de hiervoor weergegeven zin. In voornoemde brief wordt de man veeleer een inspanningsverplichting opgelegd om te bewerkstelligen dat hij de echtelijke woning overneemt en de vrouw haar aandeel in de woning uitbetaalt.

Daarnaast is de voorzieningenrechter van oordeel dat, zo er al sprake zou zijn van definitieve afspraken ten aanzien van de overname van de echtelijke woning door de man, uit het genoemde arrest van de Hoge Raad volgt dat deze afspraken eerst geëffectueerd c.q. afgewikkeld kunnen worden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Zolang de gemeenschap van goederen nog voortduurt is de tenuitvoerlegging van die afspraken, voorlopig oordelend, niet rechtens afdwingbaar, hetgeen leidt tot afwijzing van de vordering van de vrouw, zoals die hierboven onder 2.3 sub 1 en 2 is weergegeven.

3.3

Met betrekking tot de vordering van de vrouw om haar op voorhand al een aantal roerende inboedelgoederen ter hand te stellen heeft de man in zijn conclusie van antwoord en ter zitting gesteld de vrouw in zake de roerende inboedelgoederen een voorstel te hebben gedaan en voorts dat hij er geen moeite mee heeft om buiten dit geding om de thans door de vrouw reeds op voorhand gevraagde goederen aan haar ter hand te stellen.

Los van het antwoord op de vraag of de vordering om een aantal roerende inboedelgoederen uit de gemeenschap aan de vrouw ter hand te stellen wel of niet toewijsbaar is nu de gemeenschap van goederen van partijen tot op heden niet ontbonden is, hoeft die vordering naar het oordeel van de voorzieningenrechter thans niet besproken te worden nu de man de vrouw in die vordering buiten deze procedure om tegemoet wil komen.

3.5

De bovenstaande overwegingen houden naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorts in dat er in deze procedure geen ruimte is om de subsidiaire vordering toe te wijzen.

3.6

Nu partijen formeel nog echtelieden zijn, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de wijze als hierna in het dictum zal worden aangegeven.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst de gevorderde voorzieningen af;

compenseert de kosten van deze procedure aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Hazen, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

LD