Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2005:AU7801

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
08-12-2005
Datum publicatie
12-12-2005
Zaaknummer
206287/05-2685
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verzoek tot ontbinding van arbeidsovereenkomst ná berusting in ontslag. Verzoekster niet ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2006, 6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

repnr: 2685/2005

zaaknr: 206287

Beschikking van 8 december 2005

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid FLOWWW B.V.,

statutair gevestigd en zaakdoende te Maastricht aan de Avenue Ceramique 221,

verzoekster,

gemachtigde mr. A.L. van den Bergh te Maastricht,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats] aan de [adres],

verweerster,

gemachtigde mr. J.C.P.C. Koog te Zoetermeer.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE:

Door partijen zijn achtereenvolgens de volgende processtukken met producties overgelegd:

- verzoekschrift, ontvangen op 1 november 2005,

- aanvullende brief bij het verzoekschrift, ontvangen op 18 november 2005, en

- verweerschrift, ontvangen op 23 november 2005. Verweerster heeft de kantonrechter bij verweerschrift verzocht om te beschikken op de stukken.

Ter mondelinge behandeling van 24 november 2005 is verzoekster vertegenwoordigd door haar gemachtigde en door haar directeur [naam directeur verzoekster]. De gemachtigde van verzoekster heeft een pleitnota overgelegd. Verweerster en haar gemachtigde zijn niet verschenen.

Van hetgeen ter mondelinge behandeling is verklaard heeft de griffier schriftelijk aantekening gemaakt.

De inhoud van voormelde stukken geldt als hier ingelast. De uitspraak is bepaald op heden.

VASTSTAANDE FEITEN:

Verweerster is krachtens een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 25 maart 2005 tot 25 september 2005 bij verzoekster werkzaam geweest als center manager. Met ingang van 25 september 2005 heeft verweerster voor verzoekster werkzaamheden verricht als sales & personal assistant. Haar laatstgenoten loon bedraagt € 1.950,-- bruto per maand, te vermeerderen met 8% vakantiebijslag.

Bij brief van 1 november 2005 heeft verzoekster - onder meer - aan verweerster meegedeeld dat de functie van sales & personal assistant niet zal worden gecreëerd, dat verweerster voor de door haar verrichte werkzaamheden tot en met 1 november 2005 conform haar laatstverdiende loon zal worden betaald en dat verzoekster rest verweerster te bedanken voor de door haar verrichte werkzaamheden. Verweerster heeft bij brief van 16 november 2005 verzoekster via haar gemachtigde gemeld dat zij zich neerlegt bij de opzegging van de arbeidsovereenkomst (“het ontslag”). Verweerster heeft bij die gelegenheid wel aanspraak gemaakt op een gefixeerde schadevergoeding omdat zij verzoekster op voet van artikel 7:677 BW schadeplichtig acht.

Verzoekster heeft bij brief van 18 november 2005 van haar gemachtigde aan verweerster medegedeeld dat voorzover er sprake zou zijn geweest van een onverwijlde opzegging van de arbeidsovereenkomst de opzegging door verzoekster wordt ingetrokken, alsmede dat het verzoek van 1 november 2005 tot de voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst wordt omgezet in een onvoorwaardelijk ontbindingsverzoek.

MOTIVERING VAN DE BESLISSING:

1.

Verzoekster heeft als werkgeefster verzocht de tussen haar en verweerster bestaande arbeidsovereenkomst te ontbinden wegens gewichtige redenen, bestaande in een zodanige verandering in de omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve zo spoedig mogelijk dient te eindigen.

Verzoekster heeft ter onderbouwing van haar verzoek gesteld dat de functie van sales & personal assistant niet zal worden gecreëerd en dat er geen andere passende functie voor verweerster voorhanden is.

Verzoekster heeft verder gesteld dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 25 september 2005 krachtens voorzetting bestaat en dat van een (onverwijlde) opzegging van de arbeidsovereenkomst harerzijds bij brief van 1 november 2005 geen sprake is geweest. Verzoekster heeft betwist dat zij een ondubbelzinnige, uitdrukkelijk op beëindiging van de arbeidsovereenkomst gerichte wil zou hebben geuit.

2.

Verweerster heeft gesteld dat verzoekster niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, nu op 2 november 2005 reeds een einde aan de arbeidsovereenkomst is gekomen. Verzoekster heeft bij brief van 1 november 2005 de arbeidsovereenkomst tussen partijen opgezegd en verweerster heeft bij brief van

16 november 2005 zich neergelegd bij deze, haars inziens overigens onregelmatige, opzegging van de arbeidsovereenkomst.

Verweerster heeft er verder op gewezen dat een onregelmatige opzegging niet kan worden teruggedraaid zonder de medewerking van de wederpartij en dat zij bij brief van 22 november 2005 verzoekster heeft gemeld dat zij niet wenst mee te werken aan een voorzetting van arbeidsovereenkomst.

Verweerster zal in een door haar aanhangig te maken bodemprocedure wegens de onregelmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst een gefixeerde schadevergoeding vorderen over de resterende duur van de arbeidsovereenkomst. Verweerster is van mening dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 25 september 2005 stilzwijgend voor de duur van zes maanden is voortgezet.

3.

Vaststaat dat het verzoekschrift tot voorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst van 1 november 2005, gewijzigd op 18 november 2005 in een onvoorwaardelijk verzoek, geen verband houdt met enig opzegverbod.

Ter terechtzitting van 24 november 2005 heeft verzoekster zich op het standpunt gesteld dat in het kader van deze procedure de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van

25 september 2005 nog steeds bestaat krachtens voortzetting. In deze procedure is haars inziens verder niet komen vast te staan dat verzoekster de arbeidsovereenkomst op 1 november 2005 (onverwijld) heeft opgezegd laat staan dat er sprake is van een schadeplichtige opzegging.

In het standpunt van verweerster - van welk standpunt zij niet terug kan komen - is de arbeidsovereenkomst tussen partijen echter reeds geëindigd.

De kantonrechter overweegt dienaangaande het volgende.

Nu verzoekster bij brief van 1 november 2005 uitdrukkelijk aan verweerster heeft gemeld dat een nieuwe functie voor verweerster niet kan worden gecreëerd en dat haar rest om verweerster te bedanken voor de door haar verrichte werkzaamheden, waarbij is toegezegd dat een eindafrekening zal worden opgemaakt conform het laatstelijk door haar verdiende loon en nu voorts verweerster bij brief van 16 november 2005 - welke brief door verzoekster is ontvangen - zich heeft neergelegd bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst, bestaat in ieder geval sedert 16 november 2005 geen arbeidsovereenkomst meer tussen partijen. Verzoekster kan verder een arbeidsovereenkomst die reeds tot een einde is gekomen niet meer eenzijdig tot stand brengen, wat verder ook het oogmerk moge zijn van haar brieven van

18 november 2005 aan haar wederpartij en aan de kantonrechter.

Het door verzoekster aangevoerde belang, een uitspraak van de kantonrechter in het bestek van dit geding over de (omvang van de) eventuele schadeplichtigheid ter zake van de (al dan niet vermeende) opzegging d.d. 1 november 2005, is eerstens niet aan de orde en zou tweedens de bodemrechter in het geschil over die schadeplicht niet binden.

Gelet op al het vorenoverwogene heeft verzoekster dan ook geen rechtens te respecteren belang (meer) bij de door haar verzochte ontbinding van de arbeidsovereenkomst.

Ten overvloede wordt nog overwogen dat toewijzing van de verzochte onvoorwaardelijke ontbinding van de arbeidsovereenkomst en een daarbij aan verweerster toe te kennen onvoorwaardelijke ontbindingsvergoeding, zonder dat daarbij kan worden meegewogen een eventueel nog aan verweerster toe te kennen gefixeerde schadevergoeding, gelet op het risico van cumulatie van beide vergoedingen evenmin in het belang van verzoekster is.

De kanton-rech-ter is derhalve van oordeel dat verzoekster niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar verzoek.

Verzoekster dient ten slotte als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van deze procedure te dragen.

BESLISSING:

Verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek.

Veroordeelt verzoekster in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verweerster tot deze uitspraak in totaal begroot op € 250,-- voor salaris en noodzakelijke verschotten van de gemachtigde van verweerster.

Aldus gegeven en in het openbaar uitgesproken door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter te Maastricht en te Sittard-Geleen, op 8 december 2005, en door deze en mr. C.M.N. Menten, griffier, getekend.