Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2005:AU7715

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
23-11-2005
Datum publicatie
09-12-2005
Zaaknummer
03-008114-03
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overschrijding van de redelijke termijn leidt niet tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, wel tot oplegging van een lagere straf dan zonder de schending van artikel 6 EVRM zou zijn opgelegd.

Verdachte wordt veroordeeld wegens verduistering in dienstbetrekking, valsheid in geschrift en oplichting. Zij heeft gedurende een langere periode met bijzondere geslepenheid geld afhandig gemaakt van haar werkgever(s) en daarmee ernstig misbruik gemaakt van de vertrouwenspositie die zij bekleedde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/008114-03

Datum uitspraak: 23 november 2005

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 november 2005 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats en -datum],

wonende te [adres].

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

dat zij in of omstreeks de periode van 1 januari 1998 tot en met 1 april 2003 te [plaats], meermalen althans eenmaal (telkens) opzettelijk een geldbedrag in contant geld (tot een totaalbedrag van omstreeks 105.000 Euro, althans tot enig totaalbedrag), dat geheel of ten dele toebehoorde aan de maatschap van plastisch chirurgengen [naam], in elk geval aan de plastisch chirurgen [namen], in elk geval aan een ander of anderen dan aan haar verdachte, en welk(e) geldbedrag(en) zij, verdachte, (telkens) uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking als secretaresse van voornoemde maatschap, althans als secretaresse van [namen] voornoemd ter betaling van een operatie of behandeling van (een) cliënt(en) in ontvangst had genomen, wel(ke) geldbedrag(en) zij in ieder geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

a)

zij op of omstreeks 31 mei 2001, in elk geval in of omstreeks de maand mei 2001 te [plaats], opzettelijk een geldbedrag in contant geld ten bedrage van Euro 3409,-, althans enig bedrag aan geld, geheel of ten dele toenbehorende aan de maatschap van Plastisch chirurgen [naam], in elk geval aan een ander of anderen dan aan haar, verdachte, welk geldbedrag zij uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking als secretaresse van voormelde maatschap ter betaling van een operatie of behandeling in ontvangst had genomen van cliënte [1], welk geldbedrag zij in ieder geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

b)

zij op of omstreeks 20 december 2000, in elk geval in of omstreeks de maand december 2000 in de gemeente [plaats], opzettelijk een geldbedrag in contant geld ten bedrage van fl 5900,-, althans enig bedrag aan geld, geheel of ten dele toebehorende aan de maatschap van plastisch chirurgen [naam], in elk geval aan een ander of anderen dan aan haar, verdachte, welk geldbedrag zij uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking als secretaresse van voormelde maatschap ter betaling van een operatie of behandeling in ontvangst had genomen van cliënte [2], welk geldbedrag zij in ieder geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

c)

zij in of omstreeks de periode van 10 oktober 2002 tot 28 februari 2003 te [plaats], opzettelijk een geldbedrag in contant geld ten bedrage van Euro 2750,- , althans enig bedrag aan geld, geheel of ten dele toebehorende aan de maatschap van plastisch chirurgen [naam], in elk geval aan een ander of anderen dan aan haar, verdachte, welk geldbedrag zij uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking als secretaresse van voormelde maatschap althans als secretaresse van [namen] voornoemd ter betaling van een operatie of behandeling in ontvangst had genomen van cliënte [3], welk geldbedrag zij in ieder geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

zij in of omstreeks de periode van 1 januari 1998 tot en met 1 april 2003 te [plaats], meermalen althans eenmaal (telkens) een zogenaamde machtiging(en) van een ziekenfonds, althans een zorgverzekeraar, tot het uitvoeren van een operatie op plastisch chirurgisch gebied, -inhoudende dat toestemming wordt verleend voor behandeling en vergoeding zal plaatsvinden volgens de geldende voorwaarden van de verzekering- elk zijnde derhalve een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt of vervalst, immers heeft verdachte telkens valselijk brieven/geschriften van een ziekenfonds althans zorgverzekeraar veranderd in machtigingen houdende toestemming tot een bepaalde behandeling voor een bepaalde client/cliente, zulks telkens met het oogmerk om die/dat geschrift(en) als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

a)

zij op of omstreeks 6 februari 2003, in elk geval in of omstreeks de maand februari 2003, te [plaats], een brief van (Stichting) Centrale Zorgverzekeraars, gedateerd 6 februari 2003 en gericht aan de heer [naam 2], inhoudende dat toestemming wordt verleend voor een behandeling van [client 4] en vergoeding plaatsvindt volgens de geldende voorwaarden van genoemde verzekerde, zijnde die brief een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van voornoemde toestemming en vergoeding, althans tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt althans heeft vervalst met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken, immers heeft verdachte een brief houdende afwijzing (van vergoeding) valselijk veranderd in een brief houdende toestemming als vooromschreven;

b)

zij in of omstreeks de maanden juni-juli 2002 te [plaats], een brief van (Stichting) Centrale Zorgverzekeraars, gericht aan de heer [naam 2], inhoudende dat toestemming wordt verleend voor een behandeling van een persoon genaamd [client 5] en vergoeding plaatsvindt volgens de geldende voorwaarden van genoemde verzekerde, zijnde die brief een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van voornoemde toestemming en vergoeding, althans tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt althans heeft vervalst met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken, immers heeft verdachte een brief betrekking hebbende op een andere cliënt dan genoemde [client 5] valselijk veranderd in een brief houdende toestemming als vooromschreven voor cliënt [client 5] voornoemd;

c)

zij op of omstreeks 26 september 2002 in elk geval in of omstreeks de periode van 7 maart 2002 tot 17 februari 2003 te [plaats], een brief van (Stichting) Centrale Zorgverzekeraars, gedateerd 26 september 2002 en gericht aan de heer [naam 2], inhoudende dat toestemming wordt verleend voor een behandeling van een persoon genaamd client [3] en vergoeding plaatsvindt volgens de geldende voorwaarden van genoemde verzekerde, zijnde die brief een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van voornoemde toestemming en vergoeding, althans tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt althans heeft vervalst met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken, immers heeft verdachte een brief houdende afwijzing (van vergoeding) valselijk veranderd in een brief houdende toestemming als vooromschreven;

d)

zij op of omstreeks 29 oktober 2002, in elk geval in of omstreeks de periode van 29 oktober 2002 tot 26 februari 2003 te [plaats], een brief van (Stichting) Centrale Zorgverzekeraars, gedateerd 29 oktober 2002 en gericht aan de heer [naam 2], inhoudende dat toestemming wordt verleend voor een behandeling van een persoon genaamd [client 5] en vergoeding plaatsvindt volgens de geldende voorwaarden van genoemde verzekerde, zijnde die brief een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van voornoemde toestemming en vergoeding, althans tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken, immers heeft verdachte een brief houdende afwijzing (van vergoeding) valselijk veranderd in een brief houdende toestemming als vooromschreven;

3.

zij op of omstreeks 3 juli 2002, in elk geval in of omstreeks de maand juli 2002, te [plaats], met het oogmerk om zich en/of een ander/anderen wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen en/of een samenweefsel van verdichtsels [naam] heeft bewogen tot afgifte van een geldbedrag van Euro 1090,- in elk geval enig geldbedrag, door vals, listig en bedrieglijk aan die [naam 2] mede te delen dat dat bedrag, dat door een cliënte van genoemde [naam 2], genaamd [client 5], op de rekening van die [naam 2] was overgemaakt ter betaling van een operatie, aan die cliënte [client 5] moest worden geretourneerd omdat er inmiddels door de verzekeraar van die cliënte bericht was dat toestemming tot de operatie verleend was en/of de de operatie vergoed zou worden/voor vergoeding in aanmerking kwam, althans een bericht van die strekking, en dat die cliënte het geld niet per bank overgemaakt doch contant uitbetaald wilde hebben, waarvoor zij, verdachte, dan zorg zou dragen, in elk geval mededelingen van dergelijke strekking aan die [naam 2] te doen, waarbij zij aan die [naam 2] een door haar valselijk opgemaakte brief van de verzekeraar met vooromschreven inhoud heeft getoond.

De ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging

Van de zijde van verdachte is primair het verweer gevoerd dat het openbaar ministerie in zijn vervolging niet-ontvankelijk behoort te worden verklaard omdat het in artikel 6 EVRM bedoelde recht van verdachte op een openbare behandeling van de strafzaak binnen een redelijke termijn is geschonden. Dit verweer is, zakelijk weergegeven, toegelicht met het argument dat verdachte onredelijk lang in grote onzekerheid heeft verkeerd, nu tussen de eerste daad van vervolging en de dagvaarding een termijn van twee jaren en bijna zeven maanden zit en voor het Openbaar Ministerie daarvoor geen rechtvaardigingsgrond aanwezig is. Subsidiair heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat het overschrijden van de redelijke termijn een behoorlijke strafvermindering rechtvaardigt.

De rechtbank stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Dit recht strekt ertoe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. Deze termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Staat jegens verdachte een handeling is verricht waaruit verdachte heeft opgemaakt en redelijkerwijs heeft kunnen opmaken dat het openbaar ministerie het ernstig voornemen heeft tegen verdachte een strafvervolging in te stellen. In het onderhavige geval moet de termijn worden gerekend over de periode vanaf 1 april 2003, de dag waarop verdachte in verzekering is gesteld en waarop het eerste verhoor door de politie in deze zaak heeft plaatsgevonden.

De rechtbank is van oordeel dat hier sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. Redenen en omstandigheden op grond waarvan de redelijke termijn in de onderhavige zaak op méér dan twee jaren moet worden gesteld zijn de rechtbank niet gebleken. De zaak is immers niet complex van aard. Desondanks is het Openbaar Ministerie weinig voortvarend te werk gegaan en heeft het sinds april 2003 geen vervolgingshandelingen meer verricht. Deze laatste omstandigheid is niet aan verdachte te wijten.

Bij afweging van de betrokken belangen, te weten het belang dat de gemeenschap ook na overschrijding van de redelijke termijn houdt bij normhandhaving door berechting en anderzijds het belang van verdachte bij het verval van het recht tot strafvervolging nadat die termijn is overschreden, is naar het oordeel van de rechtbank een niet-ontvankelijk verklaring van het openbaar ministerie niet de passende reactie.

De rechtbank vindt in de termijnoverschrijding aanleiding een lagere straf op te leggen dan de rechtbank zonder deze verdragsschending zou hebben opgelegd.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1.

zij in de periode van 1 december 2000 tot en met 1 april 2003 te [plaats] meermalen opzettelijk contant geld, dat toebehoorde aan de plastisch chirurgen [namen] en welk geldbedrag zij, verdachte, telkens uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking als secretaresse van [namen] voornoemd ter betaling van een operatie of behandeling van een cliënt in ontvangst had genomen, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.

zij in de periode van 1 juni 2002 tot en met 1 april 2003 te [plaats] meermalen een zogenaamde machtiging van een ziekenfonds, althans een zorgverzekeraar, tot het uitvoeren van een operatie op plastisch chirurgisch gebied, -inhoudende dat toestemming wordt verleend voor behandeling en vergoeding zal plaatsvinden volgens de geldende voorwaarden van de verzekering- elk zijnde derhalve een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, valselijk heeft opgemaakt, immers heeft verdachte telkens valselijk brieven/geschriften van een ziekenfonds althans zorgverzekeraar veranderd in een machtiging houdende toestemming tot een bepaalde behandeling voor een bepaalde cliënte, zulks telkens met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken;

3.

zij in of omstreeks de maand juli 2002 te [plaats] met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels [naam 2] heeft bewogen tot afgifte van een geldbedrag van Euro 1090,- door vals, listig en bedrieglijk aan die [naam 2] mede te delen dat dat bedrag, dat door een cliënte van genoemde [naam 2], genaamd [client 5], op de rekening van die [naam 2] was overgemaakt ter betaling van een operatie, aan die cliënte [client 5] moest worden geretourneerd omdat er inmiddels door de verzekeraar van die cliënte bericht was dat toestemming tot de operatie verleend was en de operatie vergoed zou worden/voor vergoeding in aanmerking kwam, en dat die cliënte het geld niet per bank overgemaakt doch contant uitbetaald wilde hebben, waarvoor zij, dan zorg zou dragen.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 2 primair en 3 meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

Bewijsoverweging

De officier van justitie heeft ter terechtzitting aangevoerd dat hij van oordeel is dat onder meer de feiten 1 primair en 2 primair bewezen kunnen worden verklaard. De bewezenverklaring van deze feiten baseert hij op de onder 1 subsidiair en 2 subsidiair verfeitelijkte gevallen.

De rechtbank volgt in deze de zienswijze van de officier van justitie en beschouwt de onder 1 subsidiair en 2 subsidiair tenlastegelegde gevallen als verfeitelijking van het in de onderhavige zaak onder de feiten 1 primair en 2 primair tenlastegelegde. Alle overige gevallen, welke genoemd worden in het dossier van deze zaak, laat de rechtbank derhalve buiten beschouwing.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt.

Ten aanzien van feit 1 primair:

verduistering gepleegd door haar die het goed uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking onder zich heeft, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2 primair:

valsheid in geschrift, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3:

oplichting.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straffen

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van de feiten onder 1 primair, 2 primair en 3 zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan 5 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De raadsvrouwe heeft aangevoerd dat in verband met de overschrijding van de redelijke termijn een taakstraf en eventueel een voorwaardelijke straf dient te worden opgelegd.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en door de raadsvrouwe namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straffen het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straffen gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, mede in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving. Voorts heeft de rechtbank gelet op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen:

De rechtbank rekent het verdachte ernstig aan dat zij gedurende een langere periode met een bijzondere geslepenheid op verschillende manieren op een zeer uitgekiende en slinkse wijze geld afhandig heeft gemaakt van haar meerdere(n), tot wie zij in dienstbetrekking stond. Zij heeft bij het uitvoeren van deze handelingen ernstig misbruik gemaakt van de vertrouwenspositie, die zij als secretaresse bekleedde.

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank in het voordeel van verdachte er rekening mee gehouden dat verdachte nog niet eerder is veroordeeld.

Bij de straftoemeting heeft de rechtbank er voorts rekening mee gehouden dat voor het bewezen verklaarde een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met daarnaast een taakstraf in de vorm van een werkstraf van 240 uren passend zou zijn.

Echter, in verband met de hierboven vastgestelde schending van het recht van verdachte op een openbare behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn, zullen slechts de in de beslissing te noemen straffen worden opgelegd.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 27, 57, 225, 321, 322 en 326 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 2 primair en 3 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt haar daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van DRIE maanden;

- beveelt, dat de opgelegde gevangenisstraf niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren niet schuldig te maken aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een taakstraf die zal bestaan uit een werkstraf, te weten het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van 160 uren;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 80 dagen zal worden toegepast;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de werkstraf geheel in mindering zal worden gebracht, naar de maatstaf van twee uren per dag.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. A.M.A. Eijck, voorzitter, mr. M.C.A.E. van Binnebeke en mr. J.H. Klifman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Schuwirth, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 23 november 2005.