Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2005:AU7688

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
16-11-2005
Datum publicatie
08-12-2005
Zaaknummer
03-700272-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Witwassen - oplichting - opzettelijk gebruik maken van vals of vervalst geschrift.

Mede gezien de omvang van de bedragen waar het in deze zaak om gaat is het vertrouwen in het betalingsverkeer ernstig geschonden.

Ontslag van rechtsvervolging van 2 aan verdachte tenlastegelegde feiten, nu de lex specialis van artikel 227 van het Wetboek van Strafrecht prevaleert boven de lex generalis van artikel 226 van het Wetboek van Strafrecht en kwalificatie van het bewezenverklaarde op artikel 227 van het Wetboek van Strafrecht niet mogelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700272-05

Datum uitspraak: 16 november 2005

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 2 november 2005 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats en -datum],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in de P.I. “Overmaze” te Maastricht.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is na het in overeenstemming brengen met de krachtens artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering daaraan te stellen eisen en na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat

1.

hij in of omstreeks de periode van 7 januari 2004 tot en met 12 januari 2004, althans in of omstreeks de periode van 7 januari 2004 tot en met 20 april 2005 te [plaats], een voorwerp, te weten een bedrag groot 72.500 euro, heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet door dat geldbedrag dat op zijn, verdachtes, rekening was gestort/overgeboekt/bijgeschreven, (contant) op te nemen en/of aan een ander uit te betalen, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 7 januari 2004 tot en met 12 januari 2004, althans in of omstreeks de periode van 7 januari 2004 tot en met 20 april 2005 te [plaats], een geldbedrag van 72.500,00 euro heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen door dat geldbedrag dat op zijn, verdachtes, rekening was gestort/overgeboekt/bijgeschreven, (contant) op te nemen en/of aan een ander uit te betalen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van dat geldbedrag wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden, dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof;

2.

hij op of omstreeks 16 december 2004 te [plaats 2], tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, in een geval waarin een wettelijk voorschrift aan een verklaring onder ede rechtsgevolgen verbindt, mondeling, persoonlijk, opzettelijk valselijk, geheel of ten dele in strijd met de waarheid heeft verklaard:

"[verdachte] is eigenaar van een chalet, terwijl [naam] eigenaar is van de ondergrond.

Wij hebben vorig jaar juni tweeduizend drie het besluit genomen om het chalet en de grond beiden te verkopen. We hebben Ludwig Makelaardij hiervoor opdracht gegeven.

Net voor de kerstdagen kwam er een meneer bij het chalet, die zich voorstelde als de heer [naam 2]. Wij hadden deze heer [naam 2] nog nooit eerder gezien.De heer [naam 2] vroeg ons of het chalet - met de grond - nog te koop was. Daarop hebben wij bevestigend geantwoord.

Wij maakten met de heer [naam 2] de afspraak dat hij eerst het chalet zou kopen van de [verdachte] - omdat dit chalet roerend is - en daarna de grond van [naam]. Voor het overdragen van de grond zouden wij een notaris inschakelen. Voor chalet zou de heer [naam 2] eenhonderd duizend euro (EUR 100.000,00) betalen. Die zou hij overmaken op de rekening van [verdachte]. De heer [naam 2] maakte echter maar twee en zeventig duizend vijfhonderd euro (EUR 72.500,00) over en niet het afgesproken bedrag. Het restantbedrag wilde de heer [naam 2] in termijnen betalen.

[Verdachte] had het gevoel dat de heer [naam 2] deze afspraak dan niet zou nakomen. Als de heer [naam 2] nu al niet het afgesproken bedrag overmaakt, hoe zal het dan gaan met de koop van de grond?

Daarom is de koop van het chalet en de grond niet doorgegaan. In het bijzijn van [naam] heeft [verdachte] de twee en zeventig duizend vijfhonderd euro (EUR 72.500,00) in contanten aan de heer [naam 2] teruggegeven. Hierdoor heeft de heer [naam 2] in het bijzijn van ons beiden een kwitantie voor ontvangst van dit bedrag getekend.

Daarna hebben wij de heer [naam 2] nooit meer teruggezien.", waarna verdachte en/of zijn mededader in handen van notaris [naam 3] de eed hebben afgelegd dat de door hen/hem afgelegde verklaring geheel waar was/is;

3.

hij op of omstreeks 16 december 2004 te [plaats 2], tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, een notariële akte (zaaknummer 3790BN) "AFLEGGING EED" (document, althans afschrift van document in kopie opgenomen op p. 100/101 van het proces-verbaal) - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, althans valselijk heeft doen opmaken door notaris [naam 3], door tezamen en in vereniging met zijn, verdachtes, mededader, althans alleen, valselijk en in strijd met de waarheid en in strijd met de werkelijkheid in die akte als naar waarheid afgelegde verklaring van hem, verdachte en/of van zijn, verdachtes, mededader op te nemen, althans te doen opnemen:

"[verdachte] is eigenaar van een chalet aan de [plaats 2], terwijl [naam] eigenaar is van de ondergrond.

Wij hebben vorig jaar juni tweeduizend drie het besluit genomen om het chalet en de grond beiden te verkopen. We hebben Ludwig Makelaardij hiervoor opdracht gegeven.

Net voor de kerstdagen kwam er een meneer bij het chalet, die zich voorstelde als de heer [naam 2]. Wij hadden deze heer [naam 2] nog nooit eerder gezien.De heer [naam 2] vroeg ons of het chalet - met de grond - nog te koop was. Daarop hebben wij bevestigend geantwoord.

Wij maakten met de heer [naam 2] de afspraak dat hij eerst het chalet zou kopen van de [verdachte] - omdat dit chalet roerend is - en daarna de grond van [naam]. Voor het overdragen van de grond zouden wij een notaris inschakelen. Voor chalet zou de heer [naam 2] eenhonderd duizend euro (EUR 100.000,00) betalen. Die zou hij overmaken op de rekening van [verdachte].

De heer [naam 2] maakte echter maar twee en zeventig duizend vijfhonderd euro (EUR 72.500,00) over en niet het afgesproken bedrag. Het restantbedrag wilde de heer [naam 2] in termijnen betalen.

[Verdachte] had het gevoel dat de heer [naam 2] deze afspraak dan niet zou nakomen. Als de heer [naam 2] nu al niet het afgesproken bedrag overmaakt, hoe zal het dan gaan met de koop van de grond?

Daarom is de koop van het chalet en de grond niet doorgegaan. In het bijzijn van [naam] heeft [verdachte] de twee en zeventig duizend vijfhonderd euro (EUR 72.500,00) in contanten aan de heer [naam 2] teruggegeven. Hierdoor heeft de heer [naam 2] in het bijzijn van ons beiden een kwitantie voor ontvangst van dit bedrag getekend.

Daarna hebben wij de heer [naam 2] nooit meer teruggezien.",

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, terwijl die valsheid in geschrift werd gepleegd in een authentieke akte, te weten een notariële akte;

4.

hij op of omstreeks 20 april 2005 te [plaats 4], tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse notariële akte (zaaknummer 3790BN) "AFLEGGING EED" (document, althans afschrift van document in kopie opgenomen op p. 100/101 van het proces-verbaal) - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat (tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen) gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, volgens voorafgaande afspraak en/of voorafgaand overleg met zijn, verdachtes, mededader en/of met medeweten van zijn, verdachtes, mededader en/of terwijl zijn, verdachtes, mededader in zo'n (verhoor)situatie hetzelfde ook had/heeft gedaan en/of zou/zal doen en/of zou/zal gaan doen, althans alleen, tijdens zijn, verdachtes, verhoor als verdachte die notariële akte heeft overhandigd en/of overgelegd en/of getoond aan de hem, verdachte, verhorende politiebeambte(n) en bestaande die valsheid hierin dat valselijk en in strijd met de waarheid en in strijd met de werkelijkheid in die akte als naar waarheid afgelegde verklaring van hem, verdachte en/of van zijn, verdachtes, mededader was opgenomen/weergegeven:

"[verdachte] is eigenaar van een chalet aan de [plaats 2], terwijl [naam] eigenaar is van de ondergrond.

Wij hebben vorig jaar juni tweeduizend drie het besluit genomen om het chalet en de grond beiden te verkopen. We hebben Ludwig Makelaardij hiervoor opdracht gegeven.

Net voor de kerstdagen kwam er een meneer bij het chalet, die zich voorstelde als de heer [naam 2]. Wij hadden deze heer [naam 2] nog nooit eerder gezien.De heer [naam 2] vroeg ons of het chalet - met de grond - nog te koop was. Daarop hebben wij bevestigend geantwoord.

Wij maakten met de heer [naam 2] de afspraak dat hij eerst het chalet zou kopen van de [verdachte] - omdat dit chalet roerend is - en daarna de grond van [naam]. Voor het overdragen van de grond zouden wij een notaris inschakelen. Voor chalet zou de heer [naam 2] eenhonderd duizend euro (EUR 100.000,00) betalen. Die zou hij overmaken op de rekening van [verdachte]. De heer [naam 2] maakte echter maar twee en zeventig duizend vijfhonderd euro (EUR 72.500,00) over en niet het afgesproken bedrag. Het restantbedrag wilde de heer [naam 2] in termijnen betalen.

[Verdachte] had het gevoel dat de heer [naam 2] deze afspraak dan niet zou nakomen. Als de heer [naam 2] nu al niet het afgesproken bedrag overmaakt, hoe zal het dan gaan met de koop van de grond?

Daarom is de koop van het chalet en de grond niet doorgegaan. In het bijzijn van [naam] heeft [verdachte] de twee en zeventig duizend vijfhonderd euro (EUR 72.500,00) in contanten aan de heer [naam 2] teruggegeven. Hierdoor heeft de heer [naam 2] in het bijzijn van ons beiden een kwitantie voor ontvangst van dit bedrag getekend.

Daarna hebben wij de heer [naam 2] nooit meer teruggezien.",

terwijl dat geschrift een authentieke akte, te weten een notariële akte, was/is;

5.

[betrokkene] op of omstreeks 19 april 2004, althans in of omstreeks de periode van 22 december 2003 tot en met 19 april 2004, te [plaats], ter uitvoering van het door hem, [betrokkene], voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels ((een) medewerk(st)er(s) van) de [bank 1] te bewegen tot de afgifte (door middel van storting/overschrijving/bijboeking op diens, [betrokkene]', bankrekening (37.71.53.478), althans op een bankrekening (37.71.53.478) op naam van [naam 2], voor wie hij, [betrokkene], zich valselijk uitgegeven had/heeft,) van ongeveer 225.000 euro, in elk geval een hoeveelheid geld, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid zich tegenover ((die) medewerk(st)er(s) van) die [bank 1] heeft uitgegeven voor [betrokkene] en/of, nadat hij, [betrokkene], door middel van en/of onder vertoon van een op naam van [betrokkene] gesteld (vals/vervalst) Spaans paspoort bij voornoemde bank een rekening (37.71.53.478) had geopend (vervolgens) een op een echt en geldig gelijkende (valse/vervalste/ongeldige) cheque of promesse van een [Spaanse] bank aan (die medewerk(st)er(s) van) die bank heeft aangeboden ter verzilvering, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

-- tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 22 december 2003 tot en met 19 april 2004 te [plaats] meermalen, althans eenmaal, opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft:

en/of

-- bij het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 22 december 2003 tot en met 19 april 2004 te [plaats] meermalen, althans eenmaal, opzettelijk behulpzaam is geweest:

door (telkens, althans meermalen, althans eenmaal) van de/een bankrekening van hem, verdachte, geld op een rekening (37.71.53.478) van die [betrokkene], althans van die [naam 2] (zijnde die [naam 2] feitelijk die [betrokkene], althans zijnde die [naam 2] feitelijk een door die [betrokkene] aangenomen/gebruikte valse en/of gefingeerde naam en/of identiteit) over te maken en/of over te schrijven bij wijze van fictieve, althans bij wijze van zogenaamde salarisboeking/salarisbetaling, teneinde te doen voorkomen dat die rekening (37.71.53.478) een normale rekening van die [betrokkene], althans van die [naam 2] (zijnde die [naam 2] feitelijk die [betrokkene], althans zijnde die [naam 2] feitelijk een door die [betrokkene] aangenomen/gebruikte valse en/of gefingeerde naam en/of identiteit) was waarop (reguliere) echte salarisbetaling(en) plaatsvond(en) en/of teneinde (aldus) de geloofwaardigheid en/of de credietwaardigheid van die [betrokkene], althans van die [naam 2] (zijnde die [naam 2] feitelijk die [betrokkene], althans zijnde die [naam 2] feitelijk een door die [betrokkene] aangenomen/gebruikte valse en/of gefingeerde naam en/of identiteit) aan te tonen en/of voor te wenden en/of teneinde (aldus) aan te tonen en/of voor te wenden dat die [betrokkene], althans van die [naam 2] (zijnde die [naam 2] feitelijk die [betrokkene], althans zijnde die [naam 2] feitelijk een door die [betrokkene] aangenomen/gebruikte valse en/of gefingeerde naam en/of identiteit) (salaris)inkomsten genoot;

6.

hij in of omstreeks de periode van 28 april 2004 tot en met 12 augustus 2004 te [plaats] meermalen, althans eenmaal, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen (telkens) door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, ((een) medewerk(st)er(s) van) de [bank 2] heeft bewogen tot de afgifte (door middel van storting/overboeking/bijschrijving op de bankrekening (001-4263678-22) van hem, verdachte) van een geldbedrag van (ongeveer) 248.000 euro, althans van enig totaalbedrag aan geld, in elk geval (telkens, althans meermalen, althans eenmaal) tot de afgifte (door opname en/of overboeking/overschrijving en/of pinbetaling van die bankrekening) van (een) geldbedrag(en) tot enig totaalbedrag, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid een op een echt en geldig gelijkende cheque of promesse ("SCHECK GARANTIA") van de [Spaanse] bank op naam van "[naam]" met een waarde van 248.000 euro aan (die medewerk(st)er(s) van) die [bank 2] aangeboden ter storting/overboeking/bijschrijving op die door hem, verdachte, aldaar geopende bankrekening en/of (daarbij) gezegd dat dit geld afkomstig was van de verkoop van een huis in Spanje en/of dat er 110.000 euro bijgestort zou worden vanwege de verkoop van een chalet, waardoor die medewerk(st)er(s) van de [bank 2] (telkens) werd(en) bewogen tot bovenomschreven afgifte en/of storting/overboeking/bijschrijving op verdachtes bankrekening;

7.

hij op of omstreeks 3 augustus 2004, in elk geval in of omstreeks de periode van 28 april 2004 tot en met 12 augustus 2004 te [plaats], opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vals(e) of vervalst(e) cheque of promesse ("SCHECK GARANTIA") van de [Spaanse] bank op naam van "[naam]", (document in kopie opgenomen op p. 578 van het proces-verbaal) - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, die cheque of promesse ter verzilvering heeft aangeboden en/of overhandigd en/of ingeleverd aan (een medewerk(st)er van) de [bank 2] en bestaande die valsheid of vervalsing hierin dat op die cheque in strijd met de waarheid en/of in strijd met de werkelijkheid is vermeld/gedrukt dat "[naam]" een bedrag van 248.000,00 euro betaalbaar stelt aan "[verdachte]".

De vrijspraak

De rechtbank zal de verdachte vrijspreken van hetgeen hem onder 2 is ten laste gelegd. Zij overweegt dienaangaande als volgt:

Vast is komen te staan dat de verdachte ten overstaan van een notaris en onder ede een verklaring heeft afgelegd die ten dele niet strookt met de waarheid. Anders echter dan onder 2 ten laste gelegd ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank een wettelijk voorschrift dat aan de verklaring onder ede, zoals door de verdachte afgelegd, enig rechtsgevolg verbindt. Mitsdien moet de verdachte van dit onderdeel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 3, 4, 5, 6 en onder 7 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 7 januari 2004 tot en met 12 januari 2004, te [plaats], een voorwerp, te weten een bedrag groot 72.500 euro, heeft omgezet door dat geldbedrag dat op zijn rekening was bijgeschreven, contant op te nemen, terwijl hij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

3.

hij op 16 december 2004 te [plaats 2] tezamen en in vereniging met een ander, een notariële akte “(zaaknummer 3790BN) AFLEGGING EED" - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft doen opmaken door notaris [naam], door tezamen en in vereniging met zijn, verdachtes, mededader valselijk en in strijd met de waarheid in die akte als naar waarheid afgelegde verklaring van hem, verdachte en van zijn, verdachtes, mededader te doen opnemen:

"[verdachte] is eigenaar van een chalet " aan de [plaats 2], terwijl [naam] eigenaar is van de ondergrond.

Wij hebben vorig jaar juni tweeduizend drie het besluit genomen om het chalet en de grond beiden te verkopen. We hebben Ludwig Makelaardij hiervoor opdracht gegeven.

Net voor de kerstdagen kwam er een meneer bij het chalet, die zich voorstelde als de heer [naam 2]. Wij hadden deze heer [naam 2] nog nooit eerder gezien. De heer [naam 2] vroeg ons of het chalet - met de grond - nog te koop was. Daarop hebben wij bevestigend geantwoord.

Wij maakten met de heer [naam 2] de afspraak dat hij eerst het chalet zou kopen van de [verdachte] - omdat dit chalet roerend is - en daarna de grond van [naam]. Voor het overdragen van de grond zouden wij een notaris inschakelen. Voor chalet zou de heer [naam 2] eenhonderd duizend euro (EUR 100.000,00) betalen. Die zou hij overmaken op de rekening van [verdachte].

De heer [naam 2] maakte echter maar twee en zeventig duizend vijfhonderd euro (EUR 72.500,00) over en niet het afgesproken bedrag. Het restantbedrag wilde de heer [naam 2] in termijnen betalen.

[Verdachte] had het gevoel dat de heer [naam 2] deze afspraak dan niet zou nakomen. Als de heer [naam 2] nu al niet het afgesproken bedrag overmaakt, hoe zal het dan gaan met de koop van de grond?

Daarom is de koop van het chalet en de grond niet doorgegaan. In het bijzijn van [naam] heeft [verdachte] de twee en zeventig duizend vijfhonderd euro (EUR 72.500,00) in contanten aan de heer [naam 2] teruggegeven. Hierdoor heeft de heer [naam 2] in het bijzijn van ons beiden een kwitantie voor ontvangst van dit bedrag getekend.

Daarna hebben wij de heer [naam 2] nooit meer teruggezien.",

zulks met het oogmerk om dat geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door anderen te doen gebruiken, terwijl die valsheid in geschrift werd gepleegd in een authentieke akte, te weten een notariële akte;

4.

hij op 20 april 2005 te [plaats 3], opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een valse notariële akte “(zaaknummer 3790BN) AFLEGGING EED" - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij tijdens zijn verhoor als verdachte die notariële akte heeft overgelegd aan de hem verhorende politiebeambten en bestaande die valsheid hierin dat valselijk en in strijd met de waarheid en in strijd met de werkelijkheid in die akte als naar waarheid afgelegde verklaring van hem en van zijn mededader was opgenomen:

"[verdachte] is eigenaar van een chalet aan de [plaats 2], terwijl [naam] eigenaar is van de ondergrond.

Wij hebben vorig jaar juni tweeduizend drie het besluit genomen om het chalet en de grond beiden te verkopen. We hebben Ludwig Makelaardij hiervoor opdracht gegeven.

Net voor de kerstdagen kwam er een meneer bij het chalet, die zich voorstelde als de heer [naam 2]. Wij hadden deze heer [naam 2] nog nooit eerder gezien. De heer [naam 2] vroeg ons of het chalet - met de grond - nog te koop was. Daarop hebben wij bevestigend geantwoord.

Wij maakten met de heer [naam 2] de afspraak dat hij eerst het chalet zou kopen van de [verdachte] - omdat dit chalet roerend is - en daarna de grond van [naam]. Voor het overdragen van de grond zouden wij een notaris inschakelen. Voor het chalet zou de heer [naam 2] eenhonderd duizend euro (EUR 100.000,00) betalen. Die zou hij overmaken op de rekening van [verdachte]. De heer [naam 2] maakte echter maar twee en zeventig duizend vijfhonderd euro (EUR 72.500,00) over en niet het afgesproken bedrag. Het restantbedrag wilde de heer [naam 2] in termijnen betalen.

[Verdachte] had het gevoel dat de heer [naam 2] deze afspraak dan niet zou nakomen. Als de heer [naam 2] nu al niet het afgesproken bedrag overmaakt, hoe zal het dan gaan met de koop van de grond?

Daarom is de koop van het chalet en de grond niet doorgegaan. In het bijzijn van [naam] heeft [verdachte] de twee en zeventig duizend vijfhonderd euro (EUR 72.500,00) in contanten aan de heer [naam 2] teruggegeven. Hierdoor heeft de heer [naam 2] in het bijzijn van ons beiden een kwitantie voor ontvangst van dit bedrag getekend.

Daarna hebben wij de heer [naam 2] nooit meer teruggezien.";

5.

[betrokkene] op 19 april 2004 te [plaats], ter uitvoering van het door hem voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en door een of meer listige kunstgrepen een medewerker van de [bank 1] te bewegen tot de afgifte door middel van bijboeking op een bankrekening op naam van [naam 2], voor wie hij, [betrokkene], zich valselijk uitgegeven had, van ongeveer 225.000 euro, met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en listiglijk en bedrieglijk en in strijd met de waarheid zich tegenover die medewerker van die [bank 1] heeft uitgegeven voor [naam 2] en, nadat hij, [betrokkene], door middel van en onder vertoon van een op naam van [naam 2] gesteld vervalst Spaans paspoort bij voornoemde bank een rekening (37.71.53.478) had geopend een op een echt en geldig gelijkende vervalste promesse van een [Spaanse] bank aan die medewerker van die bank heeft aangeboden ter verzilvering, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid,

tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in de periode van 22 december 2003 tot en met 19 april 2004 te [plaats], opzettelijk gelegenheid heeft verschaft door meermalen van een bankrekening van hem, verdachte, geld op een rekening (37.71.53.478) van die [betrokkene] over te maken bij wijze van fictieve salarisbetaling;

6.

hij in de periode van 28 april 2004 tot en met 12 augustus 2004 te [plaats] meermalen met het oogmerk om zich en een ander wederrechtelijk te bevoordelen door listige kunstgrepen een medewerker van de bank 1 heeft bewogen tot de afgifte door middel van bijschrijving op de bankrekening (001-4263678-22) van hem, verdachte, van een geldbedrag van 248.000 euro, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - listiglijk een op een echt en geldig gelijkende cheque ("SCHECK GARANTIA") van de [Spaanse] bank op naam van "[naam]" met een waarde van 248.000 euro aan die medewerker van die [bank 1] aangeboden ter bijschrijving op die door hem, verdachte, aldaar geopende bankrekening en daarbij gezegd in strijd met de waarheid dat dit geld afkomstig was van de verkoop van een huis in Spanje, waardoor die medewerker van de [bank 1] werd bewogen tot bovenomschreven bijschrijving op verdachtes bankrekening;

7.

hij op 3 augustus 2004 te [plaats] opzettelijk gebruik heeft gemaakt van een vervalste promesse ("SCHECK GARANTIA") van de [Spaanse] bank op naam van "[naam]", - zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - als ware dat geschrift echt en onvervalst, bestaande dat gebruikmaken hierin dat hij, verdachte, die promesse ter verzilvering heeft aangeboden aan een medewerker van de [bank 1] en bestaande die vervalsing hierin dat op die promesse in strijd met de waarheid is vermeld dat "[naam]" een bedrag van 248.000,00 euro betaalbaar stelt aan "[verdachte]".

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 3, 4, 5, 6 en 7 meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De nadere motivering van het bewijs

Ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde overweegt de rechtbank het volgende.

Ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte ervan op de hoogte was dat [betrokkene] zich bediende van valse personalia en van verdichtsels ter onrechtmatige verkrijging van geldbedragen van banken.

De verdachte heeft van [betrokkene] geldbedragen aangenomen met het verzoek deze op zijn bankrekening te storten en vervolgens over te maken op de rekening van [betrokkene], zijnde een alias van [naam 2], onder vermelding van “salaris”.

De verdachte moet hebben geweten dat daarmee de enkele bedoeling van [betrokkene] was bij die [bank 1] de indruk te wekken dat [naam 2] beschikte over reguliere inkomsten uit arbeid waardoor deze bank vanuit een daardoor ontstaan vertrouwen in de kredietwaardig-heid van [naam 2] bereid zou zijn tot afgifte van een geldbedrag aan die [naam 2].

Door met deze wetenschap en onder deze omstandigheden over te gaan tot overboeking van geldbedragen van zijn rekening naar de rekening van [naam 2] onder vermelding van “salaris” is er bij de verdachte sprake van opzet.

Het ontslag van rechtsvervolging

De verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging ten aanzien van de onder 3 en 4 ten laste gelegde feiten. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt:

Ten laste is gelegd en bewezen is verklaard onder 3 dat -zakelijk weergegeven- de verdachte notaris [naam] valsheid in geschrifte heeft doen plegen, waarbij dat geschrift een authentieke akte betrof (artikel 47 junctis de artikelen 225 en 226 van het Wetboek van Strafrecht), alsmede, onder 4, dat de verdachte van deze akte gebruik heeft gemaakt (artikel 226, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht). De gedragingen van de verdachte vallen echter tevens onder de strafbepalingen van artikel 227, eerste lid, respectievelijk tweede lid, kort gezegd inhoudende het in een authentieke akte valse opgave doen opnemen alsmede het gebruiken van een dergelijke valse akte.

Naar het oordeel van de rechtbank is er in het onderhavige geval dan ook sprake van een situatie als bedoeld in artikel 55, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, en dient de specialis van artikel 227 van het Wetboek van Strafrecht te prevaleren boven de generalis van artikel 226 van het Wetboek van Strafrecht, mede gelet op het lagere strafmaximum van eerstgenoemde bepaling. Aangezien echter kwalificatie van het bewezenverklaarde op artikel 227 van het Wetboek van Strafrecht niet mogelijk is, dient ontslag van rechtsvervolging ten aanzien van onderhavige feiten te volgen.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt.

Feit 1 primair:

Witwassen.

Feit 5:

Medeplichtigheid aan poging tot oplichting.

Feit 6:

Oplichting.

Feit 7:

Opzettelijk gebruik maken van het valse of vervalste geschrift, als bedoeld in artikel 225, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, als ware het echt en onvervalst.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van de feiten onder 1 primair, 2, 3, 4, 5, 6 en 7 zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee jaren en zes maanden, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman heeft gevraagd de toe te passen straf te beperken, zakelijk weergegeven stellende dat de feiten onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegd en, daarnaast, ook de feiten onder 6 en 7 ten laste gelegd, in een zodanig nauw onderling verband staan dat deze moeten worden gezien als een logische opeenvolging van handelingen en dat de verdachte bovendien niet als de initiator van deze feiten kan worden beschouwd.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving;

- de omstandigheid dat de verdachte reeds eerder terzake soortgelijke strafbare feiten is veroordeeld;

- de omvang van de in het geding zijnde bedragen en het in het geding zijnde vertrouwen in het betalingsverkeer.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 45, 47, 48, 57, 225, 326 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

De vorderingen van de benadeelde partijen

Ter terechtzitting heeft de [bank] zich ter zake van haar vordering tot schadevergoeding, onder opgave van de inhoud daarvan en van de gronden waarop deze berust, als benadeelde partij in het strafproces gevoegd.

Ter terechtzitting is tevens het formulier, als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behandeld, waarbij de [bank 2] zich ter zake van haar vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd.

Beide benadeelde partijen hebben zich ter terechtzitting laten vertegenwoordigen door mr. T. van de Kreeke, advocate te Maastricht.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is niet komen vast te staan dat aan de benadeelde partij de [bank] rechtstreeks schade is toegebracht door het hiervoor onder 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit, zodat deze benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [bank ] door het hiervoor onder 6 bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 133.242,32 en nu aan de verdachte ter zake van dat feit een straf zal worden opgelegd, zal deze vordering tot dat bedrag worden toegewezen.

Tevens zal worden toegewezen de wettelijke rente, te berekenen over het hiervoor genoemde bedrag en vanaf de dag dat door [bank 2] de schade werd geleden.

Het, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, nog resterende deel van de vordering van de benadeelde partij zal worden afgewezen, daar de gestelde schade in zoverre ter terechtzitting niet is komen vast te staan.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair, 3, 4, 5, 6 en 7 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 3, 4, 5, 6 en 7 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor onder 1 primair, 5, 6 en 7 vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- ontslaat de verdachte ten aanzien van het onder 3 en 4 ten laste gelegde van alle rechtsvervolging;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van vierentwintig maanden;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan de veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- verklaart de benadeelde partij [bank] in haar vordering niet-ontvankelijk;

- veroordeelt de benadeelde partij [bank] in de kosten, door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, begroot op nihil;

- veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [bank 2] te betalen een bedrag van € 133.242,32 (honderd drieëndertig duizend tweehonderd tweeënveertig euro en tweeëndertig cent) vermeerderd met de wettelijke rente te berekenen over de periode vanaf 12 augustus 2004 tot aan de dag der algehele voldoening;

- wijst de vordering van de benadeelde partij [bank 2] ter zake de overige posten af;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [bank 2], in het kader van deze procedure gemaakt, begroot op € 1.452,=, alsmede in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. H.M.J. Quaedvlieg, voorzitter, mr. F.M. van Maanen Winters en mr. M.J.M. Goessen, rechters, in tegenwoordigheid van J.Th.G. Coenders, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 16 november 2005.