Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2005:AU6028

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
09-11-2005
Datum publicatie
11-11-2005
Zaaknummer
03-005334-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Beroep op noodweer dan wel noodweerexces door de rechtbank verworpen, nu er geen sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen verdachte zich moest verdedigen. Verdachte en het latere slachtoffer liepen na hun ruzie immers van elkaar weg. Daarna draaide verdachte zich op enig moment om, liep op het slachtoffer toe en besloot te schieten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/005334-04

Datum uitspraak: 9 november 2005

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 26 oktober 2005 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboortedatum en -plaats verdachte],

wonende te [adres],

thans gedetineerd in [detentieadres].

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 23 april 2004 in de gemeente Brunssum opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen, meermalen, althans eenmaal op het lichaam en/of het hoofd van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 23 april 2004 in de gemeente Brunssum opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, met een vuurwapen, meermalen, althans eenmaal op het lichaam en/of het hoofd van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 23 april 2004 in de gemeente Brunssum opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen meermalen op het lichaam of het hoofd van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt:

Primair: moord.

De strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van verdachte is door de psychiater, en de psycholoog, beiden verbonden aan het Pieter Baan Centrum, Psychiatrische Observatiekliniek van het Gevangeniswezen te Utrecht, een onderzoek naar de geestvermogens van verdachte ingesteld en van dat onderzoek hebben genoemde psychiater en psycholoog een rapport, gedateerd 11 oktober 2005, opgemaakt, welk rapport vermeldt -zakelijk weergegeven- als conclusie dat onderzochte ten tijde van het plegen van het hem ten laste gelegde feit lijdende was aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling zijner geestvermogens, dat dit feit -indien bewezen- hem in enigszins verminderde mate kan worden toegerekend.

De raadsman heeft ter terechtzitting gesteld dat de verdachte een beroep op noodweer dan wel noodweer-exces toekomt.

De raadsman heeft daartoe aangevoerd -zakelijk weergegeven- dat, nadat het slachtoffer de schopsteel van de verdachte had afgepakt, hij direct de tegenaanval op de verdachte heeft geopend, en als een bezetene met die stok op de verdachte heeft ingeslagen.

De verdachte zag zich daarmee gesteld voor een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich onder de gegeven omstandigheden moest verdedigen.

Voor zover er sprake zou zijn van een overschrijding van de grenzen van noodzakelijke verdediging, is de overschrijding van die grenzen het onmiddellijk gevolg geweest van een hevige gemoedsbeweging welke door de ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding werd veroorzaakt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is de rechtbank het volgende gebleken.

Toen de ruzie met de schopsteel tussen de verdachte en het slachtoffer voorbij was, liepen beiden van elkaar weg. Als de verdachte zich op enig moment omdraait en een wapen in de hand heeft en op het slachtoffer toeloopt en besluit te schieten, doet zich niet de situatie voor dat sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waartegen de verdachte zich moest verdedigen. Dat verdachte handelde uit een hevige gemoedsbeweging waartegen hij op dat moment geen weerstand kon bieden acht de rechtbank niet aannemelijk geworden.

De rechtbank verwerpt het beroep van de raadsman op noodweer dan wel noodweer-exces.

Naar het oordeel van de rechtbank is er geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straffen en maatregel

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, en dat zal worden gelast dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld, met verpleging van overheidswege.

De raadsman heeft ter zake van het primair ten laste gelegde primair geconcludeerd tot vrijspraak en overigens dat de verdachte ter zake het primair en subsidiair ten laste gelegde dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat de verdachte een beroep op noodweer dan wel noodweer-exces toekomt.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straffen en maatregel het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straffen en maatregel gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving;

- het gewelddadig karakter van het bewezenverklaarde, de onrust bij de nabestaanden en de maatschappelijke onrust die mede daarvan het gevolg is.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel, dat in het onderhavige geval het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging, achterwege dient te blijven, gelet op de conclusie van het Pieter Baan Centrum, Psychiatrische Observatiekliniek van het Gevangeniswezen te Utrecht, inhoudende dat de deskundigen geen aanleiding zien de rechtbank het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging te adviseren of anderszins een behandeling in een strafrechtelijk kader op te leggen.

De in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, volgens eigen opgave aan de verdachte toebehorend, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het voorwerpen betreft met betrekking tot welke het primair bewezen verklaarde is begaan.

De rechtbank heeft bij deze beslissing rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

De in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het voorwerpen zijn met betrekking tot welke het primair bewezen verklaarde is begaan.

Deze voorwerpen zullen aan het verkeer worden onttrokken.

De officier van justitie heeft ter terechtzitting meegedeeld dat hij de beslaglijst ten aanzien van de nummers 4 t/m 16, 18, 21, 23 t/m 30, 32, 34, 40, 42, 43, 45, 46 en 58 intrekt omdat het om technische sporen ten behoeve van het onderzoek gaat, welke op zijn last zullen worden vernietigd.

Onder nummer 3 op de beslaglijst staat een soortgelijk technisch spoor vermeld waarvan de officier van justitie, naar de rechtbank aanneemt, verzuimd heeft mede te delen dat hij de beslaglijst ook ten aanzien van dit volgnummer intrekt. Gelet op het feit dat dit een soortgelijk technisch spoor betreft als die van welke de beslaglijst als ingetrokken moet worden beschouwd, acht de rechtbank het voor gehouden dat de officier van justitie de beslaglijst ook voor volgnummer 3 heeft ingetrokken.

De vordering van de benadeelde partij

Ter terechtzitting is het formulier, als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behandeld, waarbij [benadeelde partij] zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het hiervoor primair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht tot het door haar gevorderde bedrag van € 3232,00 en nu aan de verdachte ter zake van dat feit een straf zal worden opgelegd, zal deze vordering geheel worden toegewezen.

Nu de verdachte ter zake van het hiervoor primair bewezen verklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens de hiervoor genoemde benadeelde partij aansprakelijk is voor de schade die door dat strafbare feit is toegebracht, heeft de rechtbank tot het opleggen van nader te noemen maatregel besloten.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straffen en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 24c, 33, 33a, 36b, 36c, 36f en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van TWAALF jaren;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- verklaart verbeurd het inbeslaggenomene, te weten:

nr. 19: een munitiedoosje S&B 6.35 B

nr. 20: een patroonhouder, plastic houder van patronen;

- verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomene, te weten:

nr. 31: een huls, bodemstempel S&B 6.35

nr. 33: een huls, bodemstempel S&B 6.35

nr. 37: een huls, bodemstempel S&B 6.35

nr. 38: een huls, bodemstempel S&B 6.35

nr. 39: een huls, bodemstempel S&B 6.35

nr. 53: een kogel, kaliber 6.35

nr. 54: een kogel, kaliber 6.35

nr. 55: een kogel, kaliber 6.35

nr. 56: een kogel, kaliber 6.35

nr. 57: een kogel, kaliber 6.35

- gelast de teruggave aan de rechthebbende van het inbeslaggenomene, te weten:

nr. 2 : een steekschop, kleur grijs

nr. 16: een keukendoek

nr. 17: een bebloede theedoek

nr. 22: een schopsteel

nr. 35: een wegwerpaansteker

nr. 36: een personenauto, kenteken YR-10-SL

nr. 41: drie enveloppen met inhoud

nr. 44: een jas, kleur blauw, jeans

nr. 47: een broek, Levi Straus, jeans, maat 32/34

nr. 48: een trui, kleur wit, Versace, maat L

nr. 49: ondergoed, kleur grijs, Underwear

nr. 50: een sok, kleur zwart

nr. 51: schoeisel, Botticelli

nr. 52: een contactsleutel, 12-VT-XT

- veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij, [adres benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 3232,00 (drieduizendtweehonderdtweeendertig euro);

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van de benadeelde partij, [adres benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 3232,00 (drieduizendtweehonderdtweeendertig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 64 dagen;

- verstaat dat toepassing van laatstbedoelde vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot betaling niet opheft;

- bepaalt dat, indien de verdachte aan de benadeelde partij voormeld bedrag van € 3232,00 heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de staat komt te vervallen;

- bepaalt dat, indien verdachte aan de verplichting tot betaling aan de staat van het bedrag van € 3232,00, heeft voldaan, de verplichting tot betaling van dat bedrag aan de benadeelde partij komt te vervallen.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. M.E. Kramer, voorzitter, mr. E.W.A. van den Berg en mr. R.M.M. Kleijkers, rechters, in tegenwoordigheid van L.A.J.W. Schoutese, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 november 2005.