Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2005:AU5959

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
28-10-2005
Datum publicatie
10-11-2005
Zaaknummer
03-410100-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte objectief gezien geen enkele reden had om tijdens de inhaalmanoeuvre enkele seconden onafgebroken naar rechts te kijken zodat zijn gedragingen, gelet op de hiervoor weergegeven omstandigheden, aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend waren.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWR 2005/101
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/410100-05

Datum uitspraak: 28 oktober 2005

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 14 oktober 2005 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte],

wonende te [adres verdachte].

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 20 oktober 2004, in de gemeente Sittard-Geleen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto), daarmede rijdende over de weg, de A2, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, te weten [slachtoffer], werd gedood, welke bovenbedoelde gedraging(en) roekeloos althans (aanmerkelijk) onvoorzichtig en/of onoplettend was/waren en hieruit heeft/hebben bestaan dat hij, verdachte, rijdend over de linker rijstrook van die A2, bij nadering van een vóór hem op die linker rijstrook, (langzaam) rijdend althans zich bevindend motorrijtuig (personenauto Volkswagen Golf) de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (bestelauto) niet althans niet voldoende heeft

geminderd en/of het door hem bestuurde motorrijtuig (bestelauto) niet of niet tijdig tot stilstand heeft gebracht en/of niet of niet voldoende is uitgeweken, waardoor althans mede waardoor een botsing en/of aan- of overrijding is ontstaan met/tussen/door zijn, verdachtes, motorrijtuig (bestelauto) en dat zich vóór hem bevindende motorrijtuig (personenauto Volkswagen Golf), en/of waardoor althans mede waardoor hij, verdachte,(vervolgens) de controle over zijn motorrijtuig (bestelauto) is verloren en/of waardoor althans mede waardoor hij, verdachte, tegen een zich eveneens vóór hem en vóórgenoemd motorrijtuig (personenauto, Volkswagen Golf) op die linker rijstrook (langzaam) rijdend althans zich bevindend motorrijtuig (personenauto Alfa Romeo), bestuurd door eerdergenoemde [slachtoffer], is gebotst althans is aangereden dat/waardoor (vervolgens) de bestuurder van laatstgenoemd motorrijtuig (personenauto Alfa Romeo) in botsing althans in aanrijding is

gekomen met een vóór hem op die linker rijstrook van die A2 rijdend althans zich bevindend motorrijtuig (personenauto Renault Megane) en/of (vervolgens) de bestuurder van dat motorrijtuig (personenauto Alfa Romeo) is gebotst en/of is aangereden tegen een op de rechter rijstrook van die A2 rijdend althans zich op die rechter rijstrook bevindend motorrijtuig (vrachtauto);

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of

zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 20 oktober 2004, in de gemeente Sittard-Geleen, als bestuurder van een motorrijtuig (bedrijfsauto), daarmee rijdende op de weg, de A2, hij, verdachte, rijdend over de linker rijstrook van die A2, bij nadering van een vóór hem op die linker rijstrook, (langzaam) rijdend althans zich bevindend motorrijtuig (personenauto Volkswagen Golf) de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig (bestelauto) niet althans niet

voldoende heeft geminderd en/of het door hem bestuurde motorrijtuig (bestelauto) niet of niet tijdig tot stilstand heeft gebracht en/of niet of niet voldoende is uitgeweken, en/of met zodanige snelheid en/of zo onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onoordeelkundig en/althans op zodanige wijze dat motorrijtuig (personenauto Volkswagen Golf) is genaderd en/althans zo onvoorzichtig en/of onoplettend en/of zo onoordeelkundig heeft geremd, dat hij, verdachte in botsing althans aanrijding is gekomen met dat zich vóór hem bevindende motorrijtuig (personenauto Volkswagen Golf), en/of waardoor althans mede waardoor hij, verdachte,(vervolgens) de controle over zijn motorrijtuig (bestelauto) is verloren en/of waardoor althans mede waardoor hij, verdachte, tegen een zich eveneens vóór hem en vóórgenoemd motorrijtuig (personenauto, Volkswagen Golf) op die linker rijstrook(langzaam) rijdend althans zich bevindend motorrijtuig (personenauto Alfa Romeo), is gebotst althans is aangereden dat/waardoor (vervolgens) de bestuurder van laatstgenoemd motorrijtuig (personenauto Alfa Romeo) in botsing althans in aanrijding is gekomen met een vóór hem op die linker rijstrook van die A2 rijdend althans zich bevindend motorrijtuig (personenauto Renault Megane) en/of (vervolgens) de bestuurder van dat motorrijtuig (personenauto Alfa Romeo) is gebotst en/of aangereden tegen een op de rechter rijstrook van

die A2 rijdend althans zich op die rechter rijstrook bevindend motorrijtuig (vrachtauto);

door welke gedraging(en) van verdachte (telkens) gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans (telkens) kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg (telkens) werd gehinderd, althans (telkens) kon worden gehinderd.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op 20 oktober 2004, in de gemeente Sittard-Geleen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (bestelauto), daarmede rijdende over de weg, de A2, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden, waardoor een ander, te weten [slachtoffer], werd gedood, welke gedragingen aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend waren en hieruit hebben bestaan dat hij, verdachte, rijdend over de linker rijstrook van die A2, bij nadering van een vóór hem op die linker rijstrook rijdend motorrijtuig (personenauto Volkswagen Golf), de snelheid van het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig niet voldoende heeft geminderd en het door hem bestuurde motorrijtuig niet tijdig tot stilstand heeft gebracht, waardoor een botsing is ontstaan tussen zijn, verdachtes, motorrijtuig, en dat zich vóór hem bevindende motorrijtuig, (personenauto Volkswagen Golf), en waardoor of mede waardoor hij, verdachte, vervolgens de controle over zijn motorrijtuig is verloren en hij, verdachte, tegen een zich eveneens vóór hem en vóórgenoemd motorrijtuig, (personenauto, Volkswagen Golf), op die linker rijstrook rijdend motorrijtuig (personenauto Alfa Romeo), bestuurd door eerdergenoemde [slachtoffer], is gebotst, waardoor vervolgens de bestuurder van laatstgenoemd motorrijtuig, in botsing is gekomen met een vóór hem op die linker rijstrook van die A2 rijdend motorrijtuig (personenauto Renault Megane).

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De bijzondere overwegingen ten aanzien van het bewijs

Uit het verhandelde ter terechtzitting en de inhoud van de processtukken is de rechtbank het volgende gebleken.

Op 20 oktober 2004 bestuurde de verdachte een bestelauto op de A2 in de gemeente Sittard-Geleen en reed verdachte achter een vrachtauto. De verdachte haalde de voor hem rijdende vrachtauto in en verhoogde de snelheid van zijn voertuig teneinde de vrachtauto te passeren.

Tijdens deze inhaalmanoeuvre heeft de verdachte, enkele seconden onafgebroken, naar rechts gekeken, dit terwijl hij doende was de snelheid van zijn voertuig te verhogen. De verdachte heeft toen te laat opgemerkt dat het verkeer voor hem snelheid verminderde vanwege filevorming, waarna een botsing is gevolgd.

De verdachte heeft ter terechtzitting onder meer verklaard dat het druk was op de A2, dat hij niet op enigerwijze was afgeleid en er geen specifieke reden was waarom hij, terwijl hij doende was de vrachtauto voor hem in te halen, naar rechts keek.

De rechtbank is van oordeel dat de verdachte objectief gezien geen enkele reden had om tijdens de inhaalmanoeuvre enkele seconden onafgebroken naar rechts te kijken zodat zijn gedragingen, gelet op de hiervoor weergegeven omstandigheden, aanmerkelijk onvoorzichtig en onoplettend waren.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op een strafbaar feit en moet worden gekwalificeerd als volgt:

Primair:

Overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander wordt gedood.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straffen

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van tweehonderd uren en een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twaalf maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

De raadsman heeft naar voren gebracht zich ter zake de bewezenverklaring te zullen refereren aan het oordeel van de rechtbank en de instructie te hebben van de verdachte om geen opmerkingen te maken over de strafmodaliteit of strafmaat.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straffen het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straffen gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De rechtbank heeft tevens er rekening mee gehouden dat verdachte nog niet eerder is veroordeeld en zowel tegenover de politie als ter terechtzitting open en eerlijk heeft verklaard over hetgeen is gebeurd en niet heeft vergoelijkt hetgeen hij gedaan heeft. De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de houding van de verdachte ter terechtzitting naar de nabestaanden van het slachtoffer toe.

Mede ter bescherming van de verkeersveiligheid zal de rechtbank voor een duur als hieronder vermeld aan de verdachte de bevoegdheid ontzeggen om motorrijtuigen te besturen.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een taakstraf die zal bestaan uit een werkstraf, te weten het verrichten van onbetaalde arbeid, voor de duur van TWEEHONDERD uren;

- verstaat dat deze taakstraf moet zijn voltooid binnen één jaar nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden;

- beveelt dat indien verdachte de taakstraf niet naar behoren heeft verricht, vervangende hechtenis voor de duur van HONDERD dagen zal worden toegepast;

- ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van TWAALF maanden;

- beveelt dat van de opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid een deel, groot NEGEN maanden, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde de voorwaarde niet heeft nageleefd zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren niet schuldig te maken aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. J.H. Klifman, voorzitter, mr. W.J.J. Beurskens en mr. W.A.P. Hillen, rechters, in tegenwoordigheid van L.A.J.W. Schoutese, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 28 oktober 2005.