Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2005:AU4761

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
21-10-2005
Datum publicatie
21-10-2005
Zaaknummer
03/700163-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Rechtbank Maastricht veroordeelt 3 stenengooiers voor poging tot doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700163-05

Datum uitspraak: 21 oktober 2005

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 7 oktober 2005 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen de minderjarige

[NAAM VERDACHTE],

geboren te [Geboorteplaats verdachte] op [Geboortedatum verdachte],

wonende te [Woonadres verdachte].

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 11 november 2003 in de gemeente Sittard-Geleen, meermalen, althans eenmaal ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [Naam slachtoffer23] en/of [Naam slachtoffer24] en/of [Naam slachtoffer25] en/of een of meer (andere) bestuurder(s) en/of inzittenden van motorrijtuigen die over de Middenweg reden van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal stenen en/of pilonnen en/of andere voorwerpen vanaf een brug over die Middenweg heeft gegooid en/of op die Middenweg heeft gelegd, zulks terwijl die [Naam slachtoffer23] en/of [Naam slachtoffer24] en/of [Naam slachtoffer25] en/of andere bestuurder(s) en/of inzittenden van motorrijtuigen over die Middenweg reden en/of de doorgang onder die brug (kort) waren genaderd, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 11 november 2003 in de gemeente Sittard-Geleen, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Middenweg, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [Naam slachtoffer23] en/of [Naam slachtoffer24] en/of [Naam slachtoffer25] althans een of meer (andere) bestuurder(s) en/of inzittenden van motorrijtuigen die over die weg reden, welk geweld bestond uit het gooien van stenen en/of een fles en/of andere voorwerpen vanaf een brug op die motorrijtuigen en/of op die weg, zulks terwijl die [Naam slachtoffer23] en/of [Naam slachtoffer24] en/of [Naam slachtoffer25] en/of (andere) bestuurder(s) en/of inzittenden van motorrijtuigen over die weg reden en/of de doorgang onder die brug (kort) waren genaderd;

2.

hij op of omstreeks 23 augustus 2004 in de gemeente Sittard-Geleen, meermalen, althans eenmaal ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [Naam slachtoffer17] en/of [Naam slachtoffer18] en/of [Naam slachtoffer19] en/of [Naam slachtoffer20] en/of [Naam slachtoffer21] en/of [Naam slachtoffer22] en/of een of meer (andere) bestuurder(s) en/of inzittenden van motorrijtuigen die over de Middenweg reden van het leven te beroven, met dat opzet meermalen, althans eenmaal stenen en/of een autoband en/of andere voorwerpen vanaf een brug over die Middenweg heeft gegooid en/of op die Middenweg heeft gelegd, zulks terwijl die [Naam slachtoffer17] en/of [Naam slachtoffer18] en/of [Naam slachtoffer19] en/of [Naam slachtoffer20] en/of [Naam slachtoffer21] en/of [Naam slachtoffer22] en/of andere bestuurder(s) en/of inzittenden van motorrijtuigen over die Middenweg reden en/of de doorgang onder die brug (kort) waren genaderd, terwijl de

uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht ofzou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 23 augustus 2004 in de gemeente Sittard-Geleen, met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, de Middenweg, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [Naam slachtoffer17] en/of [Naam slachtoffer18] en/of [Naam slachtoffer19] en/of [Naam slachtoffer20] en/of [Naam slachtoffer21] en/of [Naam slachtoffer22] althans een of meer (andere) bestuurder(s) en/of inzittenden van motorrijtuigen die over die weg reden, welk geweld bestond uit het gooien van stenen en/of een autoband en/of andere voorwerpen vanaf een brug op die motorrijtuigen en/of op die weg, zulks terwijl die [Naam slachtoffer17] en/of [Naam slachtoffer18] en/of [Naam slachtoffer19] en/of [Naam slachtoffer20] en/of [Naam slachtoffer21] en/of [Naam slachtoffer22] en/of (andere) bestuurder(s) en/of inzittenden van motorrijtuigen over die weg reden en/of de doorgang onder die brug (kort) waren genaderd;

3.

hij op of omstreeks 23 augustus 2004 in de gemeente Sittard-Geleen met een ander of anderen, op of aan het (spoor)baanvak Maastricht-Sittard, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een reizigerstrein (nummer 6884), welk geweld bestond uit het gooien van stenen tegen (ruiten van) die reizigerstrein en/of tegen een reizigerstrein (nummer 886), door het plaatsen van een met stenen gevulde (regen)ton op/in het spoor waarover die reizigerstrein reed;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht ofzou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 23 augustus 2004 in de gemeente Sittard-Geleen tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en wederrechtelijk een reizigerstrein met nummer 6884 en/of een reizigerstrein met nummer 886, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan n.v. Nederlandse Spoorwegen, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair en onder 3 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1. primair

hij op 11 november 2003 in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk [Naam slachtoffer23] en [Naam slachtoffer24] en [Naam slachtoffer25] van het leven te beroven, met dat opzet stenen en pilonnen vanaf een brug over de Middenweg heeft gegooid, zulks terwijl die [Naam slachtoffer23] en [Naam slachtoffer24] en [Naam slachtoffer25] over die Middenweg reden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2. primair

hij op 23 augustus 2004 in de gemeente Sittard-Geleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [Naam slachtoffer17] en [Naam slachtoffer18] en [Naam slachtoffer19] en [Naam slachtoffer20] en [Naam slachtoffer21] en [Naam slachtoffer22] van het leven te beroven, met dat opzet stenen en een autoband vanaf een brug over de Middenweg heeft gegooid, zulks terwijl die [Naam slachtoffer17] en [Naam slachtoffer18] en [Naam slachtoffer19] en [Naam slachtoffer20] en [Naam slachtoffer21] en [Naam slachtoffer22] over die Middenweg reden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3. primair

hij op 23 augustus 2004 in de gemeente Sittard-Geleen met anderen, op het spoorbaanvak Maastricht-Sittard, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een reizigerstrein (nummer 6884), welk geweld bestond uit het gooien van stenen tegen ruiten van die reizigerstrein en tegen een reizigerstrein (nummer 886), door het plaatsen van een met stenen gevulde ton op het spoor waarover die reizigerstrein reed;

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, 2 primair en onder 3 primair meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De nadere overwegingen met betrekking tot het bewijs

De raadsman heeft betoogd dat de in de tenlastelegging onder 1 primair en 2 primair omschreven gedragingen geen poging tot doodslag kunnen opleveren, ook niet in de zin van een voorwaardelijk opzet.

De rechtbank overweegt in dit verband het volgende:

- uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte en zijn mededader(s) vanaf een tweetal viaducten stenen en andere voorwerpen naar de op een tweebaansweg passerende motorvoertuigen hebben gegooid en dat de in de tenlastelegging bedoelde voertuigen daarbij geraakt zijn,

- de aanmerkelijke kans dat bij het raken van een op een weg voortrijdend voertuig met een steen of een ander voorwerp, de bestuurder zodanig komt te schrikken dat deze als gevolg hiervan de controle over het stuur verliest en, bijvoorbeeld, daardoor met zijn voertuig tegen een tegenligger botst of over de kop slaat, is hierbij zonder enige twijfel aanwezig,

- uit door de verdachte en zijn mededader(s) afgelegde verklaringen blijkt dat zij zich tijdens dat gooien bewust waren van de grote gevaren die hun handelen voor de bestuurders van de betrokken voertuigen konden opleveren.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de verdachte en zijn mededader(s) hebben geweten dat het gooien van voorwerpen, zoals in de tenlastelegging omschreven, zeer gevaarlijk is voor de inzittenden van de door hen geraakte motorvoertuigen. Hierdoor hebben de verdachte en zijn mededader(s) door het op die voertuigen gooien van vorenbedoelde voorwerpen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat (een van) de bestuurder(s) als gevolg van een aldus door hen veroorzaakt verkeersongeval zou komen te overlijden.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt.

Feit 1 primair, feit 2 primair:

Medeplegen van poging tot doodslag, meermalen gepleegd.

Feit 3 primair:

Openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen, meermalen gepleegd.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf en maatregel

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van de feiten onder 1 primair, 2 primair en onder 3 primair zal worden veroordeeld tot

een jeugddetentie voor de duur van tien maanden, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht, waarvan achtentwintig dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met de bijzondere voorwaarde dat hij hulp en steun van de Jeugdreclassering zal aanvaarden, ook als dat inhoudt een deelname aan een behandeling door de jeugdpsychiatrie.

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat de voorliggende civiele vorderingen zullen worden toegewezen en dat daarbij telkens de maatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafvordering zal worden opgelegd.

De raadsman heeft geconcludeerd tot vrijspraak van het onder 1 primair, 2 primair en onder 3 primair ten laste gelegde. Ten aanzien van het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en onder 3 subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman gepleit voor een matiging van de op te leggen vrijheidsstraf.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf en maatregelen het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf en maatregelen gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke een deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving;

- de mate waarin het bewezen verklaarde schade teweeg heeft gebracht.

- het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde en de maatschappelijke onrust die mede daarvan het gevolg is.

Nu de verdachte ter zake van de hiervoor onder 1 primair, 2 primair en 3 primair bewezen verklaarde strafbare feiten zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens de respectieve slachtoffers aansprakelijk is voor de schade die daardoor is toegebracht, heeft de rechtbank ten aanzien van de gevallen waarin een vordering als benadeelde partij werd ingesteld, tot het meermaal opleggen van nader te noemen maatregel besloten

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f, 45, 47, 77c, 77i, 77l, 77x, 77y, 77z, 77gg, 141 en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

De vorderingen van de benadeelde partijen

Ter terechtzitting zijn de formulieren, als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behandeld, waarbij [Naam slachtoffer24], [Naam slachtoffer25], [Naam slachtoffer17], [Naam slachtoffer18], [Naam slachtoffer20], en NS Reizigers-Schadezaken zich ter zake van hun vorderingen tot schadevergoeding als benadeelde partijen in het strafproces hebben gevoegd.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer24] door het hiervoor onder 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht tot een bedrag van € 3.232,60 en nu aan de verdachte ter zake van dat feit een straf zal worden opgelegd, zal deze vordering tot dat bedrag worden toegewezen.

Het, met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, nog resterende deel van de vordering van de benadeelde partij [Naam slachtoffer24] zal worden afgewezen, daar de gestelde schade in zoverre ter terechtzitting niet is komen vast te staan.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voorts komen vast te staan dat aan voornoemde benadeelde partij [Naam slachtoffer25] door het hiervoor onder 1 primair bewezen verklaarde strafbare feit rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De hoogte van deze immateriële schade is door de verdachte niet weersproken en zal derhalve worden vastgesteld op een bedrag van € 250,=. Nu aan de verdachte ter zake van dat feit een straf zal worden opgelegd, zal deze vordering geheel worden toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is tevens komen vast te staan dat aan de benadeelde partijen [Naam slachtoffer17], [Naam slachtoffer18] en [Naam slachtoffer20] door het hiervoor onder 2 bewezen verklaarde strafbare feit, en de benadeelde partij NS Reizigers-Schadezaken door de hiervoor onder 3 primair bewezen verklaarde strafbare feiten rechtstreeks schade is toegebracht tot de respectievelijk door hen gevorderde bedragen. Nu aan de verdachte ter zake van die feiten een straf zal worden opgelegd, zullen deze vorderingen geheel worden toegewezen.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 primair, onder 2 primair en onder 3 primair ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 primair, onder 2 primair en onder 3 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een jeugddetentie voor de duur van tweehonderd veertig dagen;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht;

- beveelt, dat van de opgelegde jeugddetentie een deel, groot achtentwintig dagen, niet zal worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de veroordeelde niet heeft nageleefd de voorwaarde zich voor het einde van een proeftijd van twee jaren niet schuldig te maken aan een strafbaar feit, dan wel navolgende bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat de veroordeelde gedurende de proeftijd zich zal gedragen overeenkomstig de door of vanwege de Jeugdreclassering van het Bureau Jeugdzorg te Groningen te stellen richtlijnen zolang deze reclasseringsinstelling zulks gedurende de proeftijd noodzakelijk oordeelt, ook indien zulks inhoudt een behandeling bij de Forensische Jeugd Psychiatrie Groningen;

- geeft opdracht aan genoemde Jeugdreclassering aan de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

- veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer24], [Adres slachtoffer24], te betalen een bedrag van € 3.232,60 (drieduizend tweehonderd tweeëndertig euro en zestig cent);

- wijst de vordering van de benadeelde partij [Naam slachtoffer24] voor het overige af;

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [Naam slachtoffer24] ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [Naam slachtoffer24], [Adres slachtoffer24], te betalen een bedrag van € 3.232,60 (drieduizend tweehonderd tweeëndertig euro en zestig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van één dag;

- verstaat dat toepassing van laatstbedoelde vervangende jeugddetentie de opgelegde verplichting tot betaling niet opheft;

- bepaalt dat, indien de verdachte aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer24] vorenbedoeld bedrag van € 3.232,60 heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de staat komt te vervallen;

- bepaalt dat, indien de verdachte aan de verplichting tot betaling aan de staat van het bedrag van € 3.232,60 heeft voldaan, de verplichting tot betaling van dat bedrag aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer24] komt te vervallen;

- veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer25], [Adres slachtoffer25], te betalen een bedrag van € 250,= (tweehonderd vijftig euro);

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [Naam slachtoffer25] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [Naam slachtoffer25], [Adres slachtoffer25], te betalen een bedrag van € 250,= (tweehonderd vijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van één dag;

- verstaat dat toepassing van laatstbedoelde vervangende jeugddetentie de opgelegde verplichting tot betaling niet opheft;

- bepaalt dat, indien de verdachte aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer25] vorenbedoeld bedrag van € 250,= heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de staat komt te vervallen;

- bepaalt dat, indien de verdachte aan de verplichting tot betaling aan de staat van het bedrag van € 250,= heeft voldaan, de verplichting tot betaling van dat bedrag aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer25] komt te vervallen;

- veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer17], [Adres slachtoffer17], te betalen een bedrag van € 150,= (honderd vijftig euro);

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [Naam slachtoffer17] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [Naam slachtoffer17], [Adres slachtoffer17], te betalen een bedrag van € 150,= (honderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van één dag;

- bepaalt dat, indien de verdachte aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer17] vorenbedoeld bedrag van € 150,= heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de staat komt te vervallen;

- bepaalt dat, indien de verdachte aan de verplichting tot betaling aan de staat van het bedrag van € 150,= heeft voldaan, de verplichting tot betaling van dat bedrag aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer17] komt te vervallen;

- veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer18], [Adres slachtoffer18], te betalen een bedrag van € 450,= (vierhonderd vijftig euro);

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [Naam slachtoffer18] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [Naam slachtoffer18], [Adres slachtoffer18], te betalen een bedrag van € 450,= (vierhonderd vijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van één dag;

- verstaat dat toepassing van laatstbedoelde vervangende jeugddetentie de opgelegde verplichting tot betaling niet opheft;

- bepaalt dat, indien de verdachte aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer18] vorenbedoeld bedrag van € 450,= heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de staat komt te vervallen;

- bepaalt dat, indien de verdachte aan de verplichting tot betaling aan de staat van het bedrag van € 450,= heeft voldaan, de verplichting tot betaling van dat bedrag aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer18] komt te vervallen;

- veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer20], [Adres slachtoffer20], te betalen een bedrag van € 238,= (tweehonderd achtendertig euro);

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [Naam slachtoffer20] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [Naam slachtoffer20], [Adres slachtoffer20], te betalen een bedrag van € 238,= (tweehonderd achtendertig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van één dag;

- verstaat dat toepassing van laatstbedoelde vervangende jeugddetentie de opgelegde verplichting tot betaling niet opheft;

- bepaalt dat, indien de verdachte aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer20] vorenbedoeld bedrag van € 238,= heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de staat komt te vervallen;

- bepaalt dat, indien de verdachte aan de verplichting tot betaling aan de staat van het bedrag van € 238,= heeft voldaan, de verplichting tot betaling van dat bedrag aan de benadeelde partij [Naam slachtoffer20] komt te vervallen;

- veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij NS Reizigers-Schadezaken, Postbus 19298, 3501 DG Utrecht, te betalen een bedrag van € 1.366,43 (duizend driehonderd zesenzestig euro en drieënveertig cent);

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij NS Reizigers-Schadezaken in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer NS Reizigers-Schadezaken, Postbus 19298, 3501 DG Utrecht, te betalen een bedrag van € 1.366,43 (duizend driehonderd zesenzestig euro en drieënveertig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door jeugddetentie voor de duur van één dag

- verstaat dat toepassing van laatstbedoelde vervangende jeugddetentie de opgelegde verplichting tot betaling niet opheft;

- bepaalt dat, indien de verdachte aan de benadeelde partij NS Reizigers-Schadezaken vorenbedoeld bedrag van € 1.366,43 heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de staat komt te vervallen;

- bepaalt dat, indien de verdachte aan de verplichting tot betaling aan de staat van het bedrag van € 1.366,43, heeft voldaan, de verplichting tot betaling van dat bedrag aan de benadeelde partij NS Reizigers-Schadezaken komt te vervallen.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. W.E. Elzinga, voorzitter, kinderrechter, mr. I. Becker-Hartenhof en mr. F.M. van Maanen Winters, rechters, in tegenwoordigheid van J.Th.G. Coenders, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 21 oktober 2005.