Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2005:AU0173

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
27-07-2005
Datum publicatie
27-07-2005
Zaaknummer
03-703016-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Medeplegen van moord op ex-vriendin medeverdachte en bezit imitatiewapen. Verdachte met toepassing strafrecht voor meerderjarigen onder meer veroordeeld tot 8 jaren gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/703016-05

Datum uitspraak: 27 juli 2005

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 13 juli 2005 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen de minderjarige

[NAAM VERDACHTE],

geboren te [Geboorteplaats verdachte] op [Geboortedatum verdachte],

wonende te [Woonplaats verdachte], [Woonadres verdachte],

thans gedetineerd in de Rijksinrichting De Hunnerberg te Nijmegen.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij op of omstreeks 7 januari 2005 te Grevenbicht en/of te Born, althans in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en met voorbedachten rade [Naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, bestaande in het opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, met kracht, in elk geval gewelddadig, de keel en/of de hals en/of de nek van die [Naam slachtoffer] dichtdrukken en/of dichtgedrukt houden, in elk geval die [Naam slachtoffer] wurgen door samendrukkend en/of omsnoerend geweld op de keel en/of hals en/of nek van die [Naam slachtoffer] uit te oefenen en/of (vervolgens) die [Naam slachtoffer] in de rivier de Maas gooien/leggen, tengevolge waarvan voornoemde [Naam slachtoffer] is overleden;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

[Naam hoofdverdachte] op of omstreeks 7 januari 2005 te Grevenbicht en/of te Born, althans in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in het arrondissement Maastricht, opzettelijk en met voorbedachten rade [Naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, bestaande in het opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, met kracht, in elk geval gewelddadig, de keel en/of de hals en/of de nek van die [Naam slachtoffer] dichtdrukken en/of dichtgedrukt houden, in elk geval die [Naam slachtoffer] wurgen door samendrukkend en/of omsnoerend geweld op de keel en/of hals en/of nek van die [Naam slachtoffer] uit te oefenen en/of (vervolgens) die [Naam slachtoffer] in de rivier de Maas gooien/leggen, tengevolge waarvan voornoemde [Naam slachtoffer] is overleden, bij het plegen van welk misdrijf hij verdachte op of omstreeks 7 januari 2005 te Grevenbicht, in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk behulpzaam is geweest, door (te helpen) die [Naam slachtoffer] naar, althans in de richting van, de rivier de Maas te verslepen en (te helpen) die [Naam slachtoffer] in de rivier de Maas te gooien/leggen;

meer subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 7 januari 2005 te Grevenbicht en/of te Born, althans in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [Naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, bestaande in het met kracht, in elk geval gewelddadig, de keel en/of de hals en/of de nek van de [Naam slachtoffer] dichtdrukken en/of dichtgedrukt houden, in elk geval die [Naam slachtoffer] wurgen door samendrukkend en/of omsnoerend geweld op de keel en/of hals en/of nek van die [Naam slachtoffer] uit te oefenen en/of (vervolgens) die [Naam slachtoffer] in de rivier de Maas gooien/leggen, tengevolge waarvan voornoemde [Naam slachtoffer] is overleden;

meest subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

[Naam hoofdverdachte] op of omstreeks 7 januari 2005 te Grevenbicht en/of te Born, althans in de gemeente Sittard-Geleen, in elk geval in het arrondissement Maastricht, opzettelijk [Naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, bestaande in het met kracht, in elk geval gewelddadig, de keel en/of de hals en/of de nek van de [Naam slachtoffer] dichtdrukken en/of dichtgedrukt houden, in elk geval die [Naam slachtoffer] wurgen door samendrukkend en/of omsnoerend geweld op de keel en/of hals en/of nek van die [Naam slachtoffer] uit te oefenen en/of (vervolgens) die [Naam slachtoffer] in de rivier de Maas gooien/leggen, tengevolge waarvan voornoemde [Naam slachtoffer] is overleden, bij het plegen van welk misdrijf hij verdachte op of omstreeks 7 januari 2005 te Grevenbicht, in de gemeente Sittard-Geleen, opzettelijk behulpzaam is geweest, door (te helpen) die [Naam slachtoffer] naar, althans in de richting van, de rivier de Maas te verslepen en (te helpen) die [Naam slachtoffer] in de rivier de Maas te gooien/leggen;

uiterst subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij op of omstreeks 7 januari 2005 te Grevenbicht, in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, het lijk van [Naam slachtoffer], heeft verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt door die [Naam slachtoffer] te verslepen naar, althans in de richting van, de rivier de Maas en/of (vervolgens) die [Naam slachtoffer] in die rivier te gooien/leggen met het oogmerk om het feit van het overlijden van genoemde [Naam slachtoffer] te verhelen en/of met het oogmerk de oorzaak van het overlijden van genoemde [Naam slachtoffer], te weten de moord cq doodslag, te verhelen;

2.

hij op of omstreeks 9 januari 2005 te Grevenbicht, in de gemeente Sittard-Geleen, een wapen van categorie I onder 7°, te weten een veerdrukpistool (Carl Walther Waffenfabrik Ulm/Do.), zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm, afmeting en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen en/of met een voor ontploffing bestemd voorwerp voorhanden heeft gehad.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1. primair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

1. primair

hij op 7 januari 2005 in de gemeente Sittard-Geleen, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en met voorbedachten rade [Naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, bestaande in het opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, met kracht, de hals van die [Naam slachtoffer] dichtdrukken en/of dichtgedrukt houden, in elk geval die [Naam slachtoffer] wurgen door samendrukkend en/of omsnoerend geweld op de hals van die [Naam slachtoffer] uit te oefenen, tengevolge waarvan voornoemde [Naam slachtoffer] is overleden;

2.

hij op 9 januari 2005 te Grevenbicht, in de gemeente Sittard-Geleen, een wapen van categorie I onder 7°, te weten een veerdrukpistool (Carl Walther Waffenfabrik Ulm/Do.), zijnde een voorwerp dat voor wat betreft zijn vorm, afmeting en kleur een sprekende gelijkenis vertoonde met een vuurwapen voorhanden heeft gehad.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1. primair meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

Nadere overweging ten aanzien van het bewijs van feit 1. primair

Met betrekking tot het bestanddeel voorbedachte raad overweegt de rechtbank als volgt.

Voorafgaand aan het plegen van het feit heeft verdachte’s mededader, volgens getuigenverklaringen, sedert het verbreken van zijn relatie met [Naam slachtoffer] (hierna te noemen: [Naam slachtoffer]) meerdere keren aangekondigd haar de strot dicht te zullen knijpen. Verdachte’s mededader heeft diverse keren met verdachte besproken hoe hij [Naam slachtoffer] het beste zou kunnen doden. Verdachte heeft verklaard dat hij wist dat verdachte’s mededader op 7 januari 2005 [Naam slachtoffer] om het leven zou gaan brengen.

In de middag en de vroege avond van 7 januari 2005 heeft verdachte, voordat [Naam slachtoffer] om het leven werd gebracht, blijkens de printgegevens veelvuldig telefonisch contact met zijn mededader gehad. In de visie van de rechtbank hebben deze telefonische contacten plaatsgevonden met het oog op de zorgvuldige planning tussen verdachte en zijn mededader van de moord op [Naam slachtoffer]. Verdachte’s mededader heeft voorafgaand aan de dodingshandelingen een betonblok en een touw in de achterbak van zijn auto gelegd. De rechtbank leidt uit het dossier af dat de bedoeling van verdachte’s mededader was om zich hiermee van het lichaam van [Naam slachtoffer] te ontdoen.

Uit de gedetailleerde, zorgvuldige voorbereiding door verdachte en zijn mededader is de rechtbank duidelijk geworden dat verdachte en zijn mededader omtrent het slagen van hun voornemen om [Naam slachtoffer] van het leven te beroven niets aan het toeval hebben willen overlaten.

Verdachte en zijn mededader hebben voldoende tijd en gelegenheid gehad zich te beraden omtrent het door hen genomen besluit om [Naam slachtoffer] van het leven te beroven. Er is derhalve naar het oordeel van de rechtbank sprake van voorbedachte raad.

Met betrekking tot het bestanddeel medeplegen overweegt de rechtbank als volgt.

Uit het dossier en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, is duidelijk geworden dat verdachte op de hoogte was van de locatie en het tijdstip waarop zijn mededader [Naam slachtoffer] van het leven zou gaan beroven. Uit niets is gebleken dat verdachte heeft getracht zijn mededader van zijn voornemen om [Naam slachtoffer] om te brengen, af te houden. Zelfs niet toen verdachte volgens de telefonisch gemaakte afspraak ter plaatse was gekomen en zijn mededader met diens voet op de hals en het gelaat van [Naam slachtoffer] aantrof. Hij heeft zich op dat moment niet gedistantieerd van hetgeen reeds had plaatsgevonden. Hij heeft er van afgezien om hulp(diensten) in te schakelen. Toen verdachte ter plaatse was gekomen, vertoonde [Naam slachtoffer] ogenschijnlijk nog teken van leven. Vervolgens hebben beiden het lichaam van [Naam slachtoffer] versleept naar de Maas en sporen weggemaakt. Nu verdachte zijn mededader niet heeft weerhouden van zijn plan, en hij de eerder gemaakte afspraken op 7 januari 2005 is nagekomen, is de samenwerking tussen verdachte en zijn mededader zo nauw en volledig geweest dat er naar het oordeel van de rechtbank sprake is van medeplegen van moord.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten welke moeten worden gekwalificeerd als volgt.

Feit 1 primair:

medeplegen van moord.

Feit 2:

handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

De strafbaarheid van de verdachte

Mevrouw G.C.G.M. Broekman, kinder- en jeugdpsychiater, heeft een psychiatrisch onderzoek naar de geestvermogens van verdachte ingesteld. Van dat onderzoek heeft genoemde kinder- en jeugdpsychiater een rapport, gedateerd 10 april 2005, opgemaakt, welk rapport vermeldt -zakelijk weergegeven- als conclusie:

- bij onderzochte is sprake van een oppositioneel opstandige gedragsstoornis op basis van een onrijpe persoonlijkheidsontwikkeling, met als belangrijkste kenmerken verstoorde agressie-impulsregulatie en een zwak zelfgevoel. Er is voorts sprake van drugabuses (cannabis en alcohol). De persoonlijkheid ontwikkelt zich in de richting van een persoonlijkheidsstoornis met afhankelijke kenmerken. Er is aldus sprake van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens;

- uit het onderhavige onderzoek is gebleken dat bovengenoemde stoornis van zijn geestvermogens van invloed was op het gedragspatroon van onderzochte ten tijde van het hem tenlastegelegde delict en wel zodanig, dat het ten laste gelegde daaruit verklaard kan worden;

- gezien het bovenstaande, immers de aanwezigheid van egozwakte op basis van een gebrekkige (onrijpe) persoonlijkheidsontwikkeling, zou het tenlastegelegde, indien bewezen, onderzochte in verminderde tot licht verminderde mate moeten worden toegerekend en is onderzochte derhalve als verminderd tot licht verminderd toerekeningsvatbaar te adviseren.

Ten aanzien van verdachte is door drs. A.F.J.M. Zwegers, psycholoog/ neuropsycholoog en vast gerechtelijk deskundige, een psychologisch onderzoek ingesteld omtrent de geestvermogens van verdachte. Van dat onderzoek heeft genoemde psycholoog een rapport, gedateerd 11 april 2005, opgemaakt, welk rapport vermeldt -zakelijk weergegeven- als conclusie:

- betrokkene is lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens. Meer specifiek werd er een stagnatie in de persoonlijkheidsontwikkeling vastgesteld, waarbij onder meer afhankelijke trekken opvallen;

- de gebrekkige ontwikkeling bestond evenzo ten tijde van het tenlastegelegde;

- de gebrekkige ontwikkeling was van invloed op betrokkene’s gedrag ten tijde van het ten laste gelegde, zodanig dat het ten laste gelegde, voor zover dat bewezen wordt, daaruit verklaard zou kunnen worden;

- indien het ten laste gelegde wordt bewezen adviseert rapporteur om dat in licht verminderde mate aan betrokkene toe te rekenen.

De rechtbank verenigt zich, gelet op de daarvoor gegeven gronden, met de in de rapporten gegeven conclusies voor wat betreft de toerekeningsvatbaarheid en maakt deze mitsdien tot de hare.

Er is ook overigens geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf en maatregelen

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten onder 1. primair en 2 zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met toepassing van artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsvrouwe heeft vrijspraak van het onder 1. primair, subsidiair en meest subsidiair tenlastegelegde bepleit en verzocht een straf op te leggen die recht doet aan het gebeurde. Tevens heeft zij gevraagd het mogelijk te maken dat cliënt het traject op De Hunnerberg kan continueren.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf en maatregelen het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf en maatregelen gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

De rechtbank overweegt in verband met de op te leggen sancties in het bijzonder nog het volgende.

[Naam slachtoffer] had op 7 januari 2005 een afspraak met de mededader van verdachte. Tijdens deze afspraak is zij door verstikking om het leven gebracht. Verdachte en zijn mededader hebben het lichaam van [Naam slachtoffer] naar de Maas gesleept en gedumpt in de Maas, teneinde nasporing te bemoeilijken. Voorts hebben zij, om ontdekking van het tenlastegelegde feit onder 1. primair tegen te gaan, de fiets, de jas en de met stenen verzwaarde tas van [Naam slachtoffer] in de Maas gedumpt, en hebben zij alles in het werk gesteld om zich een alibi te verschaffen.

Verdachte en zijn mededader hebben welbewust aan het leven van [Naam slachtoffer] een eind gemaakt en daardoor aan haar het meest fundamentele recht, het recht om te leven, ontnomen.

Reden voor deze gruwelijke gebeurtenis was dat verdachte’s mededader het kennelijk niet kon verkroppen dat [Naam slachtoffer] twee weken eerder hun relatie had verbroken.

Uit de schriftelijke slachtofferverklaring en de verklaring van de vader van het slachtoffer ter terechtzitting is de rechtbank gebleken hoe zeer zijn leven en het leven van de overige gezinsleden door de gebeurtenissen op 7 januari 2005 is verwoest. De gewelddadige dood van [Naam slachtoffer] heeft onmetelijk verdriet bij de vader, moeder, broers en zus van [Naam slachtoffer] veroorzaakt.

De rechtbank stelt voorop dat het bewezenverklaarde onder 1. primair een zeer ernstig strafbaar feit betreft. Moord wordt algemeen als één van de meest ernstige delicten van het Wetboek van Strafrecht beschouwd.

De rechtbank is zich ervan bewust dat geen enkele sanctie of combinatie van sancties de nabestaanden met het aangerichte leed zal kunnen verzoenen.

Bij de bepaling van de op te leggen sancties dient de rechtbank ook rekening te houden met de persoon van verdachte. In dat kader heeft de rechtbank gelet op de inhoud van voornoemde rapporten van mevrouw G.C.G.M. Broekman en drs. A.F.J.M. Zwegers en de indruk die verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting op de rechtbank heeft gemaakt.

In haar rapport d.d. 10 april 2005 is mevrouw G.C.G.M. Broekman, kinder- en jeugdpsychiater, tot navolgend advies gekomen - zakelijk weergegeven -:

Rapporteur heeft in vorengaande aangegeven dat er bij onderzochte sprake is van gebrekkige (agressieve) impulsbeheersing en vooral van (omgevings-)afhankelijkheid. Toepassing van het minderjarigenstrafrecht wordt door rapporteur als correct beschouwd.

In zijn rapport d.d. 11 april 2005 is drs. A.F.J.M. Zwegers, psycholoog/ neuropsycholoog, tot het volgende advies gekomen - zakelijk weergegeven -:

Indien het tenlastegelegde wordt bewezen adviseert rapporteur om betrokkene een passende straf op te leggen, eventueel rekening houdend met een licht verminderde toerekeningsvatbaarheid.

Gelet op het beeld dat de rechtbank naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van de verdachte heeft gekregen acht de rechtbank termen aanwezig het advies van mevrouw Broekman voor wat betreft het toepassen van het minderjarigenstrafrecht niet op te volgen.

Verdachte had ten tijde van het begaan van de bewezenverklaarde strafbare feiten de leeftijd van zestien jaren doch nog niet die van achttien jaren bereikt.

De rechtbank acht termen aanwezig ten aanzien van het bewezenverklaarde, met toepassing van artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht buiten toepassing te laten en recht te doen op grond van het meerderjarigenstrafrecht.

De rechtbank vindt daartoe grond in de ernst van het onder 1. primair bewezenverklaarde feit, de persoonlijke ontwikkeling, die verdachte blijkens zijn verklaring ter terechtzitting gedurende zijn verblijf het afgelopen half jaar in De Hunnerberg heeft ondergaan, en de omstandigheden waaronder dit feit is begaan, met name het feit dat verdachte het onder 1. primair bewezenverklaarde feit heeft begaan kort voordat hij de leeftijd van achttien jaren had bereikt.

De rechtsorde is door het bewezenverklaarde onder 1. primair in ernstige mate geschokt. Het feit, zoals bewezenverklaard onder 1. primair, raakt niet alleen de direct betrokkenen, maar de maatschappij als geheel. Levensdelicten versterken de binnen de samenleving reeds levende gevoelens van onveiligheid.

Het nemen van het leven van een ander is een zo ernstig strafbaar feit dat daarvoor alleen een vrijheidsbenemende straf in aanmerking komt. Het onpeilbare leed dat de dood van [Naam slachtoffer] voor de nabestaanden meebrengt, maakt dat een andere strafoplegging dan een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van hierna te vermelden duur de gevolgen van het onder 1. primair bewezenverklaarde feit onvoldoende zou onderkennen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan derhalve niet worden volstaan met een straf als door de officier van justitie gevorderd.

De rechtbank rekent het verdachte zwaar aan dat hij niets heeft gedaan om de dood van [Naam slachtoffer] te voorkomen, alhoewel hij daarvoor in de opvatting van de rechtbank ruimschoots de gelegenheid heeft gehad. Hij heeft gedurende de verhoren bij de politie en ter terechtzitting geen enkel reëel motief aangevoerd om [Naam slachtoffer] van het leven te beroven. Hij heeft het bestaan om naar de buitenwereld toe –zelfs tegenover de uiterst ongeruste ouders, broers en de zus van [Naam slachtoffer]– zich te gedragen alsof hij geen enkele wetenschap had van hetgeen met [Naam slachtoffer] was gebeurd. Nergens is uit gebleken dat verdachte onder druk stond van zijn mededader dan wel dat verdachte reden had om angst te hebben voor zijn mededader.

Bij het bepalen van de duur van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat het ten laste gelegde aan verdachte in licht verminderde mate kan worden toegerekend. Voorts heeft de rechtbank kennis genomen van de omstandigheid dat verdachte niet eerder is veroordeeld en van de jeugdige leeftijd van verdachte.

Het in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven pistool is van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het een voorwerp is met betrekking tot welke het onder 2 bewezenverklaarde is begaan. Het pistool zal aan het verkeer worden onttrokken.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 24c, 36b, 36c, 36f, 47, 77b en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

De vordering van de benadeelde partij

Ter terechtzitting is het formulier, als bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behandeld, waarbij [Naam benadeelde partij] zich ter zake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd.

Nu uit het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij [Naam benadeelde partij] door het onder 1. primair bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks schade is toegebracht tot het door hem gevorderde bedrag van € 12.549,74 en nu aan verdachte ter zake van dat feit een straf en maatregel zal worden opgelegd, zal deze vordering geheel worden toegewezen.

Nu verdachte ter zake van het onder 1. primair bewezenverklaarde strafbare feit zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens de hiervoor genoemde benadeelde partij [Naam benadeelde partij] aansprakelijk is voor de schade die door dat strafbare feit is toegebracht, heeft de rechtbank tot het opleggen van nader te noemen maatregel besloten.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1. primair en 2. ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1. primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van ACHT JAREN;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomene, te weten:

1 imitatiewapen kleur: grijs, Walther PPK S7.65, afschieten bolletjes;

- veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [Naam benadeelde partij], [Woonadres benadeelde partij], [Woonplaats benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 12.549,74 (zegge: twaalfduizendvijfhonderdnegenenveertig euro en vierenzeventig eurocent);

- veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [Naam benadeelde partij] in het kader van deze procedure gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil;

- legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [Naam benadeelde partij], [Woonadres benadeelde partij], [Woonplaats benadeelde partij], te betalen een bedrag van € 12.549,74 (zegge: twaalfduizendvijfhonderdnegenenveertig euro en vierenzeventig eurocent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 197 dagen;

- verstaat dat toepassing van laatstbedoelde vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot betaling niet opheft;

- bepaalt dat, indien de verdachte aan de benadeelde partij [Naam benadeelde partij] voormeld bedrag van € 12.549,74 heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de staat komt te vervallen;

- bepaalt dat, indien verdachte aan de verplichting tot betaling aan de staat van het bedrag van € 12.549,74, heeft voldaan, de verplichting tot betaling van dat bedrag aan de benadeelde partij [Naam benadeelde partij] komt te vervallen.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. M.A.M. van Uum, voorzitter en tevens kinderrechter, mr. W.L.J. Voogt en mr. J.H. Klifman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L. Berkers, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 juli 2005.