Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2005:AT9906

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
25-07-2005
Datum publicatie
25-07-2005
Zaaknummer
03/008444-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor het medeplegen van gekwalificeerde doodslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummers: 03/008444-04; 03/700120-05; 03/005347-03 (vtvv)

Datum uitspraak: 25 juli 2005

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 28 januari 2005, 20 april 2005, 5 juli 2005, 6 juli 2005, 8 juli 2005 en 11 juli 2005 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen de minderjarige

[Naam verdachte2],

geboren te [Geboorteplaats verdachte2] op [Geboortedatum verdachte2],

wonende te [Woonplaats verdachte2],

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Limburg Zuid - De Geerhorst te Sittard.

De bij afzonderlijke dagvaardingen onder bovenvermelde parketnummers aangebrachte zaken zijn ter terechtzitting gevoegd.

De tenlasteleggingen

Aan [Naam verdachte2] is in de zaak met het parketnummer 03/008444-04 na wijziging van de tenlastelegging ten laste gelegd dat

hij op of omstreeks 29 juli 2004 in de gemeente Maastricht tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [Naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door met dat opzet die [Naam slachtoffer]

- meermalen althans eenmaal met een honkbalknuppel, in elk geval met een hard voorwerp, op en/of tegen het hoofd en/of het lichaam te slaan en/of

- meermalen althans eenmaal met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp in het lichaam te steken en/of

- meermalen althans eenmaal met kracht en met geschoeide voet tegen het hoofd en/of het lichaam te schoppen en/of te trappen en/of

- meermalen althans eenmaal met kracht met vuisten te slaan en/of te stompen, tengevolge waarvan voornoemde [Naam slachtoffer] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd of vergezeld door enig strafbaar feit, te weten diefstal van een personenauto merk Volvo type XC 90 en/of een horloge van het merk Breitling en/of een beurs met inhoud en/of een GSM en/of een halskettinkje, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemer(s) straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

Subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij, verdachte, op of omstreeks 29 juli 2004 in de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een personenauto van het merk Volvo, type XC 90 en/of een horloge van het merk Breitling en/of een beurs met inhoud en/of een GSM en/of een halskettinkje, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [Naam slachtoffer], in elk geval toebehorende aan een ander of aan anderen dan aan hem, verdachte en/of aan zijn, verdachtes, mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld van geweld tegen voornoemde [Naam slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn, verdachtes, mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld bestond in het voornoemde [Naam slachtoffer]

- meermalen althans eenmaal met een honkbalknuppel, in elk geval met een hard voorwerp, op en/of tegen het hoofd en/of het lichaam slaan en/of

- meermalen althans eenmaal met een mes, in elk geval met een scherp en/of puntig voorwerp in het lichaam steken en/of

- meermalen althans eenmaal met kracht en met geschoeide voet tegen het hoofd en/of het lichaam heeft/hebben schoppen en/of trappen en/of

- meermalen althans eenmaal met kracht met vuisten slaan en/of stompen, welk vorenomschreven feit de dood van voornoemde [Naam slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

Aan [Naam verdachte2] is in de zaak met het parketnummer 03/700120-05 ten laste gelegd dat

hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2004 tot en met 26 oktober 2004 in de gemeente Maastricht, in elk geval in het arrondissement Maastricht tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter voorbereiding van het misdrijf

- gijzeling als omschreven in artikel 282a van het Wetboek van Strafrecht en/of

- wederrechtelijke vrijheidsberoving als omschreven in artikel 282 van het Wetboek van Strafrecht en/of

- afpersing als omschreven in artikel 317 van het Wetboek van Strafrecht en/of

- diefstal met geweld als omschreven in artikel 312 van het Wetboek van Strafrecht,

opzettelijk een of meer handgeschreven aantekeningen met betrekking tot voornoemde misdrijven en handgemaakte situatietekeningen waarop een woning en de onmiddellijke omgeving van die woning waren afgebeeld dan wel vermeld, kennelijk bestemd tot het (in vereniging) begaan van dat misdrijf, heeft verworven en/of vervaardigd en/of voorhanden heeft gehad.

De vrijspraak

[Naam verdachte2] wordt door het Openbaar Ministerie in de zaak met parketnummer 03/700120-05 verweten dat hij voorbereidingen heeft getroffen voor het al dan niet in vereniging plegen van een gijzeling en/of een beroving. Daartoe heeft hij een of meer situatietekeningen en aantekeningen verworven, vervaardigd en/of voorhanden gehad.

Om dit feit wettig en overtuigend bewezen te kunnen verklaren dient de rechtbank vast te stellen wat [Naam verdachte2] beoogde met de in de tenlastelegging bedoelde aantekeningen en situatietekeningen.

De rechtbank stelt vast:

- dat in de woning van [Naam verdachte2] drie vellen papier zijn aangetroffen met, kort gezegd, situatieschetsen van een woning en aantekeningen en dat het handschrift op deze papieren blijkens het rapport van het Nederlands Forensisch Instituut van 6 december 2004 met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid van [Naam verdachte2] is,

- dat verschillende verdachten hebben verklaard (blz. 2963-2965, 3022-3023, 3031-3032 en 3113-3116) dat zij en [Naam verdachte2] hebben gesproken over, kort gezegd, het beroven van de SNS-bank in Meerssen en het daartoe gijzelen van een bankmedewerker en zijn gezin, waarbij ook de planning en de uitvoering daarvan aan de orde zijn gekomen,

- dat de filiaalhouder van de SNS in Bunde uit de tekeningen haar woning herkent.

In het dossier bevinden zich foto’s van deze woning en de directe omgeving ervan. De rechtbank is, gelet op deze foto’s, de situatietekeningen met aantekeningen en de toelichting van genoemde filiaalhouder inzake haar woning en haar gewoontes met betrekking tot het openen van de voordeur, van oordeel dat er essentiële verschillen bestaan tussen de tekeningen en de werkelijke situatie. Ondanks het feit dat de filiaalhouder haar woning meent te herkennen staat daarom volgens de rechtbank niet vast dat de tekeningen en de aantekeningen betrekking hebben op de woning van de filiaalhouder van de SNS.

Dat [Naam verdachte2] en zijn medeverdachten over het beroven van een SNS-bank en een gijzeling van een van de medewerkers van die bank en zijn familie hebben gesproken staat volgens de rechtbank vast. Niet staat echter vast dat de in de tenlastelegging genoemde situatieschetsen en aantekeningen daar iets mee te maken hebben, nu de rechtbank dus niet kan vaststellen van welke woning deze zijn en waar deze betrekking op hebben.

Gelet op het voorgaande, acht de rechtbank dit feit niet wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal [Naam verdachte2] hiervan dan ook vrijspreken.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Uit de bewijsmiddelen volgt dat [Naam verdachte2] en zijn medeverdachten het plan hebben opgevat te gaan car-jacken. Daartoe hadden zij een knuppel en een mes bij zich. Vergaand geweld zou daarbij niet geschuwd worden, getuige de verklaring van [Naam verdachte7] dat het slachtoffer bewusteloos geslagen zou worden (blz. 3214). De rechtbank heeft echter geen aanwijzingen gevonden dat de verdachten reeds bij de planning voornemens waren het slachtoffer te doden.

Dit voornemen, het slachtoffer te doden, is vervolgens uiterlijk op de Sint Pietersberg bij een aantal groepsleden wel opgekomen, ook bij [Naam verdachte2]. Immers, nadat [Naam slachtoffer] door [Naam verdachte1] voor de eerste maal was geslagen en deze riep naar een medeverdachte “pak hem”, wordt [Naam slachtoffer] genadeloos bewerkt met de knuppel en wordt hij geschopt en geslagen. Daardoor blijft hij bloedend, en nagenoeg bewegingsloos, op de grond liggen. In het bijzijn van [Naam verdachte1] merkt [Naam verdachte2] dan op “Zo kunnen we hem niet achterlaten”, waarna bij [Naam verdachte1] het idee op komt dat [Naam verdachte2] het slachtoffer wil gaan vermoorden (blz. 3013). [Naam verdachte1] gaat vervolgens met zijn voet op de keel van het slachtoffer duwen (blz. 3037). Als blijkt dat het slachtoffer zo niet dood gaat, gaat [Naam verdachte2] op de keel van het slachtoffer staan. Als het slachtoffer dan nog niet dood is, pakt [Naam verdachte2] een mes en zet dat eerst op de keel van het slachtoffer. Vervolgens pakt hij het mes met twee handen vast en maakt een stekende beweging naar de borst van het slachtoffer. Volgens zijn eigen verklaring, tegenover [Naam verdachte1], zou hij daarbij zo diep gestoken hebben dat hij de grond voelde.

Uit deze handelingen volgt volgens de rechtbank dat [Naam verdachte2] het opzet heeft gehad om het slachtoffer de doden.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [Naam verdachte2] het in de zaak met het parketnummer 03/008444-04 primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

hij op of omstreeks 29 juli 2004 in de gemeente Maastricht, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [Naam slachtoffer] van het leven heeft beroofd, door met dat opzet die [Naam slachtoffer]

- meermalen met een honkbalknuppel tegen het lichaam en het hoofd te slaan en

- meermalen met een mes in het lichaam te steken en

- meermalen met kracht en met geschoeide voet tegen het hoofd en het lichaam te schoppen en

- meermalen met kracht met vuisten te slaan, tengevolge waarvan voornoemde [Naam slachtoffer] is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd door enig strafbaar feit, te weten diefstal van een personenauto merk Volvo type XC 90 en een horloge van het merk Breitling en een beurs met inhoud en een GSM, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan [Naam verdachte2] in de zaak met het parketnummer 03/008444-04 primair meer of anders is ten laste gelegd. [Naam verdachte2] moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezen verklaarde door [Naam verdachte2] is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De kwalificatie

Het in de zaak met het parketnummer 03/008444-04 bewezen verklaarde levert op een strafbaar feit welk moet worden gekwalificeerd als volgt.

primair:

medeplegen van doodslag, gevolgd van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken

De strafbaarheid van de verdachte

Betreffende de toerekeningsvatbaarheid van [Naam verdachte2] is gerapporteerd door forensisch psychiater dr. L.H. Jacobs-Dams d.d. 23 juni 2005 en psycholoog/neuropsycholoog drs. A.F.J.M. Zwegers d.d. 6 juni 2005.

Namens [Naam verdachte2] is verzocht een psychologisch en een psychiatrisch tegenonderzoek te laten plaatsvinden, nu:

- er aanwijzingen bestaan dat de forensisch psychiater dr. L.H. Jacobs-Dams vooringenomendheid jegens [Naam verdachte2] heeft gekoesterd, gelet op het taalgebruik in haar rapportage, en de psycholoog/neuropsycholoog drs. A.F.J.M. Zwegers mogelijk hierdoor beïnvloed kan zijn,

- genoemde psychiater en psycholoog tot divergerende diagnosen zijn gekomen, waardoor onduidelijkheid bestaat over de juistheid en de houdbaarheid van hun conclusies en adviezen, en

- de conclusie van de psychiater en van de psycholoog dat [Naam verdachte2] volgens het sanctierecht voor volwassenen bestraft zou moeten worden onbegrijpelijk is gezien hun bevindingen dat [Naam verdachte2] in emotioneel opzicht functioneert op het niveau van een elf- of twaalfjarige.

In dit verband is er voorts op gewezen dat het recht op tegenonderzoek voortvloeit uit het recht op een eerlijk proces, zoals dat wordt gegarandeerd door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, en dat de verdediging niet in de gelegenheid is geweest een tegenonderzoek te doen verrichten op voet van artikel 233 van het Wetboek van Strafvordering.

De rechtbank verwerpt dit verzoek op een tegenonderzoek en overweegt daartoe het volgende.

Noch uit het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens noch uit het Nederlands strafprocesrecht vloeit een algemeen recht op tegenonderzoek voort.

De Nederlandse wet biedt de verdachte in de fase van het gerechtelijk vooronderzoek de mogelijkheid een rapport van een door de rechter-commissaris benoemde deskundige door een door de verdachte aan te wijzen deskundige te laten onderzoeken (artikel 233, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering). Het artikel biedt de verdachte naar het oordeel van de rechtbank niet het recht op een tegenonderzoek van de persoon van de verdachte door een door hem zelf aangezochte deskundige. Voor zover de verdediging zich hierop heeft beroepen, gaat dit beroep dan ook niet op.

Volgens vaste jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (de arresten Bönisch, NJ 1989/385 en Brandstetter, Publ. ECHR, series A, vol. 211) bestaat voor de verdediging het recht op een tegenonderzoek, als er gerechtvaardigde twijfel bestaat met betrekking tot de objectiviteit van de deskundigen. Van een dergelijke twijfel is naar het oordeel van de rechtbank in deze zaak echter geen sprake.

De stelling van de verdediging dat zowel de psychiater als de psycholoog niet objectief zouden zijn jegens [Naam verdachte2], volgt de rechtbank niet. Net als de verdediging acht de rechtbank de door de psychiater gekozen bewoordingen “over lijken gaan” en “dat het hier volledig misplaatst zou zijn wanneer onderzochte volgens het jeugdstrafrecht berecht zou worden” minder gelukkig, maar de zakelijke inhoud van deze rapportage geeft de rechtbank geen aanleiding te twijfelen aan de objectiviteit van deze deskundige. Dat de psycholoog door bedoelde bewoordingen in negatieve zin is beïnvloed, is de rechtbank niet gebleken.

De rechtbank stelt vast dat de psychiater als diagnose stelt een gemengd persoonlijkheidsprobleem (persoonlijkheidsstoornis) met sterk op de voorgrond tredende afhankelijke trekken, maar ook in mindere mate met antisociale en narcistische kenmerken. De psycholoog stelt dat de diagnose afhankelijke persoonlijkheidsstoornis het beste aansluit bij zijn bevindingen dat de persoonlijkheidsstructuur gebrekkig is ontwikkeld en dat er stagnatie van de emotionele rijping, een gebrekkige autonomie en hoge steunbehoefte is. Ook stelt hij dat sprake is van misbruik van meerdere psychoactieve middelen. Gelet op deze diagnoses, kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat deze zodanig van elkaar verschillen dat de conclusies en adviezen van beide deskundigen onduidelijk of onhoudbaar zouden zijn. De rechtbank verwerpt daarom ook dit argument.

De stelling van de verdediging dat een tegenonderzoek aangewezen is, omdat onbegrijpelijk is dat beide deskundigen adviseren het sanctierecht voor volwassenen toe te passen, terwijl zij vaststellen dat [Naam verdachte2] in emotioneel opzicht functioneert op het niveau van een elf- of twaalfjarige, kan in het midden blijven om het volgende.

De rechtbank stelt vast dat [Naam verdachte2] ten tijde van het plegen van het feit bijna 17,5 jaar oud was. In beginsel wordt ten aanzien van daders van deze leeftijd het jeugdstrafrecht toegepast. Artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht voorziet echter in de mogelijkheid ten aanzien van jeugdigen het sanctierecht van volwassenen toe te passen, mits aan tenminste één van de in dit artikel genoemde voorwaarden is voldaan. De rechtbank is van oordeel dat in dit geval aan twee van deze voorwaarden is voldaan, te weten de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is begaan. [Naam verdachte2] heeft immers samen met zijn medeverdachten een man op een onbeschrijfelijk gruwelijke manier gedood tijdens een carjacking. De rechtbank acht daarom in deze zaak met deze verdachte het jeugdstrafrecht niet toereikend en zal aan artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht toepassing geven en de artikelen 77g tot en met 77gg van dat wetboek buiten toepassing laten.

Het eerder genoemde door dr. L.H. Jacobs-Dams opgestelde rapport houdt -zakelijk weergegeven- onder andere de volgende conclusies in:

- [Naam verdachte2] is lijdende aan een ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van zijn geestesvermogens welke in diagnostische zin kunnen worden omschreven als een gemengd persoonlijkheidsprobleem (persoonlijkheidsstoornis) met sterk op de voorgrond tredende afhankelijke kenmerken maar ook in mindere mate met antisociale en narcistische kenmerken.

- Deze ziekelijke stoornis/gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens was eveneens aanwezig ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde delict en beïnvloedde de gedragingen van [Naam verdachte2] ten tijde van het plegen van het ten laste gelegde, in die mate dat het ten laste gelegde grotendeels vanuit pathologie verantwoord verklaard kan worden.

- Op grond van de bovenvermelde stoornissen kan [Naam verdachte2] als verminderd toerekeningsvatbaar beschouwd worden.

Het eerder genoemde door drs. A.F.J.M. Zwegers opgestelde rapport houdt – zakelijk weergegeven - onder andere de volgende conclusies in:

- [Naam verdachte2] is lijdende aan een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. De persoonlijkheidsstructuur is gebrekkig ontwikkeld, waarbij een stagnatie van de emotionele rijping opvalt, alsmede een gebrekkige autonomie en een hoge steunbehoefte. De diagnose die hierbij het beste aansluit, luidt: ‘afhankelijke persoonlijkheidsstoornis’. Voorts is er sprake van misbruik van meerdere psychoactieve middelen.

- De gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis bestonden evenzo ten tijde van het ten laste gelegde en het ten laste gelegde, voor zover dat bewezen wordt, zou daaruit verklaard kunnen worden.

- Indien het ten laste gelegde wordt bewezen, is het te adviseren om dit in verminderde mate aan [Naam verdachte2] toe te rekenen.

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. [Naam verdachte2] is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf en maatregel

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat [Naam verdachte2] in de zaak met het parketnummer 03/008444-04 ter zake van het primair ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 03/700120-05 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht én dat zal worden gelast dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld, met verpleging van overheidswege.

De raadsman heeft naar voren gebracht [Naam verdachte2] vrij te spreken van het in de zaak met parketnummer 03/700120-05 ten laste gelegde. Voorts heeft de raadsman naar voren gebracht bij het bepalen van de strafmaat in de zaak met parketnummer 03/008444-04 gebruik te maken van het jeugdstrafrecht.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en door en namens [Naam verdachte2] ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf en maatregel het volgende.

Bij de bepaling van de op te leggen straf en maatregel is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van [Naam verdachte2], zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij is in het bijzonder rekening gehouden met het volgende.

[Naam verdachte2] heeft zich samen met zijn medeverdachten schuldig gemaakt aan doodslag op [Naam slachtoffer]. Tevens is vast komen te staan dat die doodslag is gepleegd teneinde die [Naam slachtoffer] te kunnen beroven van het door hem bestuurde voertuig. Crimineel gedrag als het onderhavige behoort tot de ernstigste delicten. De wetgever heeft de buitengewone ernst van dit soort criminaliteit tot uitdrukking gebracht door daarop levenslange gevangenisstraf als strafmaximum te stellen.

De ernst van het onderhavige feit wordt nog versterkt door de brute en gruwelijke wijze waarop [Naam slachtoffer] om het leven is gebracht. Nadat [Naam verdachte2] en [Naam verdachte1] [Naam slachtoffer] hadden voorgespiegeld seksueel contact met hem te willen hebben, zijn zij met [Naam slachtoffer] in diens voertuig naar de Sint Pietersberg gereden. Aldaar voegde [Naam verdachte3] zich bij dit drietal, waarna [Naam verdachte1] de ‘verleiding’ voortzette. Kort daarop werd [Naam slachtoffer] door [Naam verdachte1] geslagen in de hoop hem te kunnen overmeesteren. Toen [Naam slachtoffer] trachtte te vluchten, escaleerde het geweld onmiddellijk en werd hij door [Naam verdachte3] verschillende malen met een honkbalknuppel op het lichaam geslagen. De op de grond liggende en inmiddels weerloze [Naam slachtoffer] werd geslagen en, mede door de inmiddels gearriveerde [Naam verdachte4], met geschoeide voeten tegen het hoofd getrapt. [Naam verdachte1] duwde met zijn voet tegen de keel van [Naam slachtoffer] en [Naam verdachte2] ging volgens op [Naam slachtoffer]’s keel staan en toen het gewenste effect - te weten de dood van [Naam slachtoffer] - kennelijk nog niet was bereikt, heeft [Naam verdachte2] [Naam slachtoffer] twee maal met een mes in de borststreek gestoken en daarbij diens long geraakt.

De rechtbank acht voorts bijzonder ernstig dat hierboven genoemd geweld werd uitgeoefend terwijl daartoe voor het bereiken van het door [Naam verdachte2] en zijn medeverdachten beoogde doel – de diefstal van het voertuig van [Naam slachtoffer] – elke noodzaak ontbrak. [Naam slachtoffer] had immers reeds na de eerste klappen met de knuppel gezegd dat zij alles mochten hebben en hen gesmeekt hem geen pijn meer te doen.

De mate waarin deze gewelddadigheden en de daaruit voortvloeiende dood van [Naam slachtoffer] persoonlijk leed voor diens familie en naaste omgeving teweeg hebben gebracht, is onbeschrijfelijk. Daar komt nog bij dat ook de rechtsorde door feiten als het onderhavige extra ernstig wordt geschokt en dat gevoelens van angst, onrust en onveiligheid in de samenleving (nog verder) worden gevoed.

De rechtbank is op grond van het voorgaande van oordeel dat een lange vrijheidsbenemende sanctie op zijn plaats is. Daar komt bij dat [Naam verdachte2] degene is geweest die de knuppel en het mes heeft meegenomen en bij de ‘verleidingsactie’ alsmede bij de uitoefening van bedoeld geweld een zeer prominente rol heeft gespeeld. Beziet men de rolverdeling tussen de verschillende betrokkenen bij de gekwalificeerde doodslag van [Naam slachtoffer], dan heeft hij een van de meest kwalijke rollen in hetgeen is voorgevallen gespeeld. Deze rol van [Naam verdachte2] zal in de straf tot uiting dienen te komen. Tot slot is nog van belang dat hij eerder veroordeeld is wegens voorbereidingshandelingen voor een overval.

Aan de andere kant heeft [Naam verdachte2] geen rol gespeeld bij de planning van de voorgenomen car-jacking. Voorts dient rekening te worden gehouden met de nog jeugdige leeftijd van [Naam verdachte2] alsmede met het gegeven dat hij als verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden aangemerkt.

Alle bovenstaande factoren in haar oordeel betrokken hebbend, komt de rechtbank tot een naar haar oordeel aanzienlijke gevangenisstraf voor [Naam verdachte2]. Desalniettemin zal deze straf aanmerkelijk lager liggen dan de gevangenisstraf die door het Openbaar Ministerie is geëist. Dat hangt samen met het Nederlandse strafklimaat, waarnaar de rechtbank eveneens heeft gekeken. Meer concreet heeft de rechtbank bij het bepalen van de hoogte van de straf de ernst van het bewezen verklaarde feit gerelateerd aan andere soortgelijke strafbare feiten, waarbij rekening is gehouden met de straffen die voor soortgelijke feiten in den lande plegen te worden opgelegd.

Wat betreft de persoon van [Naam verdachte2] heeft de rechtbank in het bijzonder in aanmerking genomen:

1. het eerder bedoelde rapport van dr. L.H. Jacobs-Dams, voor zover inhoudende onder andere de volgende conclusies en advies - zakelijk weergegeven -:

- Indien [Naam verdachte2] niet de kans krijgt om zijn achterstand in de emotionele ontwikkeling op te halen, waardoor de kans groter wordt dat hij opnieuw in een gelijkaardige context, met name in contact komt met sterk beïnvloedbare personen, waarbij [Naam verdachte2] in emotionele zin op een bepaald ogenblik binnen een bepaalde context zijn emoties niet meer zal kunnen hanteren, waarbij de kans dan groot is dat hij opnieuw angstig en agressief zal reageren en controle zal verliezen op zijn gedrag, is de kans op recidive als zijnde zeer groot in te schatten.

- Geadviseerd wordt om [Naam verdachte2] de maatregel van TBS met dwangverpleging op te leggen, omdat de kans op recidive binnen gelijkaardige context en onder dezelfde dynamiek als zijnde zeer groot wordt ingeschat en behandeling in een gespecialiseerd centrum dient te gebeuren en waarbij te verwachten is dat deze behandeling geruime tijd in beslag zal nemen en in eerste instantie intramuraal dient te gebeuren.

2. het eerder bedoelde rapport van drs. A.F.J.M. Zwegers, voor zover inhoudende onder andere de volgende conclusies en advies - zakelijk weergegeven -:

- Zolang de gebrekkige persoonlijkheidsontwikkeling bestaat, zal [Naam verdachte2] zich in omstandigheden begeven die hem in emotioneel opzicht overvragen. Er bestaat derhalve gevaar voor recidive.

- Omdat ook na een eventuele (langdurige) detentiestraf het recidivegevaar onverminderd groot zal zijn, is een behandeling aangewezen.

- Aangezien bij bewezenverklaring van het ten laste gelegde een detentiestraf van meer dan 3 jaar te verwachten is, kan een behandeling niet anders worden veiliggesteld dan met een TBS met verpleging. Bovendien is het van belang, gelet op het recidivegevaar, dat de behandeling in een beveiligde omgeving plaatsvindt.

Gezien de inhoud van vorenbedoelde rapporten en het beeld dat de rechtbank naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van [Naam verdachte2] heeft gekregen, is de rechtbank van oordeel dat [Naam verdachte2] ter beschikking dient te worden gesteld, nu tijdens het begaan van het bewezen verklaarde feit een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond, het door hem begane feit een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van die maatregel eist.

De rechtbank zal daarnaast tevens bevelen dat [Naam verdachte2] van overheidswege zal worden verpleegd, nu de rechtbank van oordeel is dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verpleging eist.

De vordering tot tenuitvoerlegging

Ter terechtzitting is gelijktijdig behandeld de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging alsnog van jeugddetentie voor de duur van drie maanden, aan [Naam verdachte2] opgelegd bij onherroepelijk vonnis van deze rechtbank d.d. 16 september 2003, gewezen onder parketnummer 03/005347-03.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat [Naam verdachte2], door hetgeen thans bewezen en strafbaar is verklaard, zich voor het einde van de vastgestelde proeftijd opnieuw heeft schuldig gemaakt aan een strafbaar feit en aldus de algemene voorwaarde heeft overtreden.

Echter, gelet op het feit dat [Naam verdachte2] ter zake het bewezenverklaarde in de zaak met parketnummer 03/008444-04 veroordeeld zal worden tot een gevangenisstraf van lange duur, zal de rechtbank de vordering tenuitvoerlegging niettemin afwijzen.

De vordering van de benadeelde partij

Ter terechtzitting is het formulier, zoals bedoeld in artikel 51b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering, behandeld, waarbij de nabestaanden van het slachtoffer zich ter zake van hun vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij in het strafproces hebben gevoegd.

De rechtbank stelt vast dat de benadeelde partij, gelet op hetgeen in de zaak met parketnummer 03/008444-04 primair bewezen is verklaard en nu aan [Naam verdachte2] ter zake van dat feit een straf en een maatregel zullen worden opgelegd, rechtstreeks schade heeft geleden. De kosten van lijkbezorging zijn immers ten laste van de nabestaanden gekomen. Gevorderd zijn de kosten van de koffietafel ter hoogte van € 977,80. Op grond van het bepaalde in artikel 6:108, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek zal de rechtbank dit bedrag toewijzen. De rechtbank zal tevens toewijzen de vordering voorschot in de advocaatkosten van € 1.000,-.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering voor wat betreft de overige materiële kosten, te weten de kosten publicaties, monument en posters, de reiskosten, de overnachtingskosten en de telefoonkosten, niet van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich voor behandeling in dit strafgeding leent en zal de benadeelde partij voor wat betreft deze kosten niet-ontvankelijk in haar vordering verklaren en verwijzen naar de burgerlijke rechter.

De benadeelde partij heeft voorts een voorschot smartengeld van € 5.000,- gevorderd. Gesteld is dat op grond van de Wet conflictenrecht onrechtmatige daad Belgisch recht op dit deel van de vordering van toepassing is en dat de vordering naar Belgisch recht dient te worden toegewezen.

De rechtbank zal de benadeelde partij ook voor dit deel van de vordering niet-ontvankelijk verklaren en naar de burgerlijke rechter verwijzen. Gelet op de rechtsvragen waarvoor de rechtbank zich ziet gesteld, is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft dit onderdeel niet van zodanig eenvoudige aard is dat deze zich voor behandeling in dit strafgeding leent.

Nu [Naam verdachte2] in de zaak met parketnummer 03/008444-04 ter zake van het primair bewezenverklaarde zal worden veroordeeld en hij naar burgerlijk recht jegens de benadeelde partij aansprakelijk is voor de schade die door dat strafbare feit is toegebracht, heeft de rechtbank besloten tot het opleggen van nader te noemen maatregel.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 24c, 36f, 37a, 37b, 47, 287 en 288 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het in de zaak met het parketnummer 03/700120-05 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het in de zaak met het parketnummer 03/008444-04 primair ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte inde zaak met het parketnummer 03/008444-04 primair meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het hiervoor vermeld strafbaar feit oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- gelast dat de verdachte ter beschikking zal worden gesteld, en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd;

- veroordeelt de verdachte hoofdelijk om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij nabestaanden [Naam slachtoffer], hierbij vertegenwoordigd door mr. A.J.L.J. Pfeil, Het Bat 16, 6211 EZ Maastricht, te betalen een bedrag van € 977,80 (negenhonderdzevenenzeventig euro en tachtig cent);

- bepaalt dat de benadeelde partij nabestaanden [Naam slachtoffer] voor het overige in haar vordering niet-ontvankelijk is en dat zij deze vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

- veroordeelt de verdachte hoofdelijk in de kosten door de benadeelde partij nabestaanden [Naam slachtoffer], in het kader van deze procedure gemaakt, begroot op € 1.000,00 (duizend euro), alsmede in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken;

- legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer nabestaanden [Naam slachtoffer], hierbij vertegenwoordigd door mr. A.J.L.J. Pfeil, Het Bat 16, 6211 EZ Maastricht, te betalen een bedrag van € 977,80 (negenhonderdzevenenzeventig euro en tachtig cent), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van negentien dagen;

- verstaat dat toepassing van laatstbedoelde vervangende hechtenis de opgelegde verplichting tot betaling niet opheft;

- bepaalt dat, indien de verdachte aan de benadeelde partij nabestaanden [Naam slachtoffer] voormeld bedrag van € 977,80 heeft voldaan, de verplichting tot betaling aan de staat komt te vervallen;

- bepaalt dat, indien verdachte aan de verplichting tot betaling aan de staat van het bedrag van € 977,80 heeft voldaan, de verplichting tot betaling van dat bedrag aan de benadeelde partij nabestaanden [Naam slachtoffer] komt te vervallen;

ad 03/ 005347-03 VTVV:

- wijst de vordering af.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. R.A.J. van Leeuwen, voorzitter, mr. M.C.A.E. van Binnebeke en mr. H.M.J. Quaedvlieg, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.L.P. Biesmans, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 juli 2005.