Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2005:AT9492

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
18-07-2005
Datum publicatie
18-07-2005
Zaaknummer
03-008526-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Toch veroordeling voor het plegen van doodslag ondanks bekennende verklaringen van twee afzonderlijke personen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/008526-04

Datum uitspraak: 18 juli 2005

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 22 maart 2005, 24 juni 2005 en 4 juli 2005 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen:

[naam verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichtingen Limburg Zuid – Huis van Bewaring “Overmaze” te Maastricht, Willem Alexanderweg 21.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 september 2004, in elk geval in of omstreeks de periode van 29 september 2004 tot en met 18 oktober 2004 te Nijswiller, gemeente Gulpen-Wittem, tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader met dat opzet de mond van die [slachtoffer] dichtgehouden en/of dichtgeduwd en/of de keel van die [slachtoffer] dichtgehouden en/of dichtgeduwd en/of dichtgeduwd gehouden en/of dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

subsidiair, althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden, dat:

hij in of omstreeks de periode van 29 september 2004 tot en met 18 oktober 2004 in de gemeente Gulpen-Wittem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een lijk, te weten het lijk van [slachtoffer], heeft weggevoerd en/of verborgen, met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden te verhelen, door dat lijk (in een koffer) weg te voeren van de woning van zijn mededader(s) naar een maïsveld, gelegen aan de doorgaande weg te Nijswiller, en/of (vervolgens) dat lijk in genoemd maïsveld achter te laten.

Extra overweging ten aanzien van de bewezenverklaring

In de onderhavige strafzaak is de rechtbank geconfronteerd met bekennende verklaringen van twee verdachten die beiden verklaren het slachtoffer zelfstandig van het leven te hebben beroofd. Een van deze verdachten, [naam verdachte2] (roepnaam [naam verdachte2], die hierna verder bij haar roepnaam zal worden genoemd), is inmiddels overleden.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of [naam verdachte] dan wel [naam verdachte2] of mogelijk een derde het slachtoffer [slachtoffer] gedood heeft. De rechtbank heeft geen aanwijzingen in het dossier aangetroffen dat een derde het onderhavige strafbare feit gepleegd kan hebben. Zowel ten aanzien van [naam verdachte] als ten aanzien van [naam verdachte2] is voldoende wettig bewijs aanwezig. De rechtbank dient te beoordelen of geloofwaardig is dat een van hen dan wel dat zij gezamenlijk [slachtoffer] om het leven hebben gebracht.

De rechtbank zal daartoe beide verklaringen aan een nader onderzoek onderwerpen.

De rechtbank overweegt daarover het navolgende:

Bijna terstond vanaf het moment van hun aanhouding hebben zowel verdachte [naam verdachte2] als verdachte [naam verdachte] verklaard dat het [naam verdachte] is geweest die het slachtoffer van het leven heeft beroofd.

Zo heeft [naam verdachte2] in haar verhoor op 10 november 2004 verklaard (proces-verbaalnummer 2004139713-164): “Mijn vriend sloeg [slachtoffer] waarschijnlijk op haar hoofd. ..Voor mijn gevoel hield mijn vriend [slachtoffer]’s mond of keel maar twee of drie minuten dicht. Mijn vriend liet hierna [slachtoffer] los en ze viel op de grond neer...Ik zag dat [slachtoffer] geen reactie gaf en stil bleef liggen....”.

In haar verhoor op 11 november 2004 (proces-verbaalnummer 2004139713-171) heeft [naam verdachte2] verklaard: “Mijn vriend trok [slachtoffer]’s haar en sloeg [slachtoffer] met zijn vuist op haar achterhoofd...Daarna hield mijn vriend dus haar mond of keel twee tot drie minuten dicht...”.

[naam verdachte] heeft in zijn verhoor van 9 november 2004 (proces-verbaalnummer 2004139713-145) verklaard: “Toen kregen we ruzie vanwege het geld. Ze stond naast het bed met mij te praten. Ze praatte heel hard. Omdat het nog vroeg in de ochtend was, was ik bang dat zij iemand wakker maakte en daarom heb ik haar op het bed geduwd en ze spartelde. Ik was bang dat ze zoveel geluid maakte en daarom heb ik mijn hand op haar mond gelegd en met mijn andere hand heb ik haar keel vastgepakt...”.

Op 15 november 2004 (proces-verbaalnummer 2004139713-174) verklaart [naam verdachte]: “ Ik hield toen de mond en de keel van [slachtoffer] dicht en op hetzelfde moment had [naam verdachte2] [slachtoffer] nog steeds aan haar haren vast en trok daaraan...Ik deed dit omdat ze nog steeds tegenstribbelde...Ik was veel te kwaad en heb dan ook veel te lang haar keel en mond dichtgehouden. Ik wilde dat ze stopte. Ik was niet van plan haar te doden. Ik wilde dat het over was maar wilde haar niet dood hebben...”.

In zijn verklaring van 28 december 2004 (proces-verbaalnummer 2004139713-206) heeft [naam verdachte] verklaard: “Het is gegaan zoals ik nu vertel...Eerst hebben [slachtoffer] en [naam verdachte2] gevochten. Ze trokken zich aan de haren en eerst probeerde ik hen uit elkaar te halen. Dat lukte niet en ik heb toen partij gekozen voor [naam verdachte2] en heb [slachtoffer] op het bed geduwd. [naam verdachte2] viel toen ook op het bed. Zij hield [slachtoffer] aan de haren vast en tegelijkertijd wurgde ik [slachtoffer]. Dat heeft 1 of 2 minuten geduurd, tenminste totdat zij helemaal stil lag. [naam verdachte2] heeft op een gegeven moment [slachtoffer] losgelaten en ik heb toen nog de keel en de mond en neus van [slachtoffer] dichtgehouden. Op een gegeven moment lag zij helemaal stil en ik liet haar los...”.

In haar verklaring van 29 december 2004 (proces-verbaalnummer 2004139713-207) wijzigt [naam verdachte2] echter haar eerder vermelde verklaringen en bekent zij het slachtoffer van het leven te hebben beroofd.

Geconfronteerd met deze verklaring antwoordt [naam verdachte] in zijn verhoor van 6 januari 2005 (proces-verbaalnummer 2004139713-208): “Ik spreek de waarheid. Het is gegaan zoals ik heb verteld. [naam verdachte2] liegt hierover. Ik denk dat ze dat doet omdat ze gek is...Ik kan me goed herinneren wat er allemaal is gebeurd. Ik blijf hierbij. Ik heb de waarheid gesproken...”.

Pas na het overlijden van [naam verdachte2] op 14 januari 2005 wijzigt [naam verdachte] zijn verklaring en stelt hij dat [naam verdachte2] [slachtoffer] van het leven heeft beroofd en hij pas na het overlijden van [slachtoffer] daarvan door [naam verdachte2] op de hoogte is gesteld.

De vraag is hoe de bekennende verklaring van [naam verdachte2] en de uiteindelijke bevestiging daarvan door [naam verdachte] dienen te worden geduid.

Volgens haar verklaring van 29 december 2004 zouden [naam verdachte2] en [slachtoffer] ruzie hebben gehad waarbij [slachtoffer] met haar hoofd tegen het metalen bed is gevallen en bewegingsloos op de grond is blijven liggen. Het gevecht zou in bed plaats hebben gevonden waarna [slachtoffer] op de grond viel nadat ze met haar hoofd tegen het ijzer van het bed viel. Op de vraag of zij nog iets anders bij [slachtoffer] gedaan heeft antwoordt [naam verdachte2]: “nee”.

De politie houdt haar vervolgens voor dat haar verklaring kan kloppen met hun bevindingen zij het dat de manier waarop [slachtoffer] is gedood niet helemaal klopt met hetgeen de dokter heeft verteld. De reactie van [naam verdachte2] hierop is: “Als jullie de doodsoorzaak toch weten waarom vragen jullie mij dan”.

In voornoemd proces-verbaal van verhoor is verder het navolgende te lezen:

“V: We willen je nog een keer vertellen dat de doodsoorzaak zoals bij de sectie is vastgesteld anders is dan jij tot nu toe verteld hebt. Er moet dus nog iets anders gebeurd zijn.

A:...

V: Door de patholoog-anatoom is vastgesteld dat het vallen tegen het bed en het stompen alleen niet alles te maken heeft met haar dood....

A:...

V: Wat ons opvalt is dat je tot nu toe altijd verteld hebt dat [slachtoffer] is gestorven door wurging maar dat had je vriend [naam verdachte] gedaan. Nu vertel je dat je het zelf gedaan hebt en dat valt ons op...

A:...

V: Ik vertel je dat de pathaloog-anatoom heeft vastgesteld dat [slachtoffer] is gestorven door verstikking...

A:...

V: Ook is vastgesteld dat de beentjes van haar strottenhoofd waren gebroken en dat gebeurt alleen bij verwurging...

A:...”.

In eerste instantie verklaart [naam verdachte2] in bovengenoemd verhoor dat [slachtoffer] tijdens de ruzie met haar hoofd tegen het metalen bed is gevallen en vervolgens bewegingsloos is blijven liggen.

Eerst na het geven van, wat achteraf is gebleken, onjuiste informatie en het stellen van suggestieve en leidende vragen heeft [naam verdachte2] bekend [slachtoffer] met beiden handen te hebben gewurgd.

Gelet op al het bovenstaande moet de bekennende verklaring van [naam verdachte2] als onwaarschijnlijk en ongeloofwaardig worden aangemerkt. [naam verdachte] heeft derhalve een ongeloofwaardige verklaring bevestigd en deze bevestiging heeft pas plaatsgevonden na het overlijden van [slachtoffer]. De bevestiging van deze verklaring door [naam verdachte] moet derhalve ook als ongeloofwaardig worden gekenschetst.

De rechtbank heeft voorts onderzocht of de door [naam verdachte2] in haar bekentenis in eerste instantie geschetste toedracht van het overlijden van [slachtoffer] ook daadwerkelijk mogelijk was. Daartoe heeft de rechtbank ter zitting van 4 juli 2005 de arts-patholoog F.R.W. van de Goot gehoord. Volgens de patholoog is een mogelijke val van [slachtoffer] tegen een paal van het bed niet de doodsoorzaak geweest gelet op het door hem aangetroffen letsel dat hier mogelijk het gevolg van zou kunnen zijn (een blauwe plek). Voorts heeft hij verklaard dat de op het hoofd van het slachtoffer aangetroffen blauwe plek alleen kan zijn ontstaan toen het slachtoffer nog leefde waardoor de door [naam verdachte2] afgelegde verklaring dat zij [slachtoffer] eerst heeft gewurgd en dat [slachtoffer] daarna tegen de paal is gevallen niet op waarheid kan berusten aangenomen dat de val tegen een paal de blauwe plek zou hebben veroorzaakt . Dit maakt de in eerste instantie door [naam verdachte2] afgelegde bekennende verklaring onaannemelijk.

Voort zijn er nog enkele bijkomende “opvallende “ omstandigheden die de rechtbank in haar overtuiging sterken dat [naam verdachte2] [slachtoffer] niet heeft gedood.

- Volgens de getuige [naam getuige1] is de woning waarin [slachtoffer] gedood is gehorig. De getuige [naam getuige2], die naast de kamer van [naam verdachte2] en [slachtoffer] sliep, heeft echter niets van ruzie en een vechtpartij tussen [slachtoffer] en [naam verdachte2] gehoord. Zelfs al zou de TV in de kamer van [naam getuige1] hebben aangestaan dan nog acht de rechtbank het waarschijnlijk dat harde geluiden uit een aangrenzende slaapkamer door [naam getuige2] zouden zijn gehoord.

- [naam verdachte2] verklaart vanaf het begin dat [naam getuige2] haar slaapkamer is binnengekomen om een sigaret te vragen op het moment dat zij en [slachtoffer] in bed lagen. In haar bekentenis zegt zij dat ze zo geschrokken was door het overlijden van [slachtoffer] dat ze niet op het bed durfde te gaan zitten. Een en ander lijkt met elkaar in tegenspraak. Het is minder waarschijnlijk dat [naam verdachte2] de politie attendeert op een verklaring af te leggen door [naam getuige2] als voor haar van meet af aan vaststond dat zij [slachtoffer] om het leven had gebracht.

- tenslotte is opvallend dat [naam verdachte] door het keukenraampje naar binnenklimt op het moment dat [naam verdachte2] – er van uitgaande dat haar bekentenis juist zou zijn - zich als enige in de woning bevindt;

- [naam verdachte] en [naam verdachte2] verklaren tevoren te hebben afgesproken dat [naam verdachte] naar Nijswiller zou komen om [slachtoffer] er van te “overtuigen” dat zij hen geld moest geven. Het is daarom aannemelijker dat [naam verdachte2] zijn komst heeft afgewacht.

Wat resteert zijn de eerder afgelegde bekennende verklaringen van [naam verdachte] en de bevestiging daarvan door [naam verdachte2]. Hoewel deze verklaringen van [naam verdachte2] en [naam verdachte] niet op alle punten overeenstemmen en niet altijd consistent zijn, zijn ze dat wel op het hoofdpunt: [naam verdachte] is degene geweest die [slachtoffer] bij de keel/neus/mond heeft gepakt en wel zolang tot zij niet meer bewoog.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat het primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen dient te worden verklaard.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Primair:

hij op 29 september 2004 te Nijswiller, gemeente Gulpen-Wittem, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet de mond van die [slachtoffer] dichtgehouden en/of dichtgeduwd en/of de keel van die [slachtoffer] dichtgehouden en/of dichtgeduwd en/of dichtgeduwd gehouden en/of dichtgeknepen en/of dichtgeknepen gehouden, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.

De partiële vrijspraak

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op een strafbaar feit dat moet worden gekwalificeerd als

primair:

doodslag

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde feit zal worden vrijgesproken en ter zake van het subsidiaire feit zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek overeenkomstig het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht.

De raadsman heeft eveneens vrijspraak ten aanzien van het primair ten laste gelegde en oplegging van een beduidend lagere straf, dan door de officier van justitie is gevorderd, bepleit.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf het volgende.

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met:

- de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede het belang van een juiste normhandhaving,

- het gewelddadig karakter van het bewezen verklaarde en de maatschappelijke onrust die mede daarvan het gevolg is, alsmede

- de manier waarop de verdachte na het plegen van het feit zich met behulp van een ander heeft ontdaan van het stoffelijk overschot van het slachtoffer.

De rechtbank overweegt daarbij dat verdachte er niet voor heeft teruggedeinsd de schuld af te schuiven op zijn, inmiddels overleden, medeverdachte.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf is gegrond op artikel 287 van het Wetboek van Strafrecht.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart dat het bewezenverklaarde het hiervoor vermelde strafbare feit oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van ZES JAREN;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. M.E. Kramer, voorzitter, mr. W.L.J. Voogt en mr. M.J.M. Goessen, rechters, in tegenwoordigheid van J.M.A. Haanen, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 juli 2005.