Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2005:AT9443

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
15-07-2005
Datum publicatie
15-07-2005
Zaaknummer
102314 - KG ZA 05-223
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Vraag of een bepaald besluit onder artikel 27 lid 1 OR valt.

Wetsverwijzingen
Wet op de ondernemingsraden
Wet op de ondernemingsraden 27
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2005/184
ROR 2005, 24
JAR 2005, 184
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak : 15 juli 2005

Zaaknummer : 102314 / KG ZA 05-223

De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende kort-gedingvonnis gewezen

inzake

ONDERNEMINGSRAAD VAN DE ALGEMENE INSPECTIEDIENST VAN HET MINISTERIE VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT,

gevestigd te Kerkrade,

eiseres,

procureur mr. A.A.M. Hoogveld,

advocaat mr. R.J.M. Hampsink te Utrecht;

tegen:

STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelende te 's Gravenhage,

gedaagde sub 1,

geen procureur gesteld hebbende,

advocaat mr. J.G.F.M. Hoffmans te 's Gravenhage;

MINISTERIE VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT,

zetelende te 's Gravenhage,

gedaagde sub 2,

geen procureur gesteld hebbende,

advocaat mr. J.G.F.M. Hoffmans te 's Gravenhage;

ALGEMENE INSPECTIEDIENST VAN HET MINISTERIE VAN LANDBOUW, NATUUR EN VOEDSELKWALITEIT,

gevestigd te Kerkrade,

gedaagde sub 3,

geen procureur gesteld hebbende,

advocaat mr. J.G.F.M. Hoffmans te 's Gravenhage.

1. Het verloop van de procedure

Eiseres, hierna te noemen: "de OR", heeft gedaagden, hierna tezamen aangeduid als "de AID", gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag, 1 juli 2005, heeft de OR gesteld en gevorderd overeenkomstig de dagvaarding, waarna zij haar vordering met verwijzing naar op voorhand toegezonden producties nader heeft doen toelichten. De OR heeft daarbij gebruik gemaakt van pleitaantekeningen.

De AID heeft aan de hand van een pleitnota verweer gevoerd.

Partijen hebben daarna op elkaars stellingen gereageerd.

Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd. De uitspraak van het vonnis is bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 Eiseres is de ondernemingsraad van gedaagde sub 3. Gedaagde sub 3 is een onderdeel van gedaagde sub 2 en deze is weer een onderdeel van gedaagde sub 1.

2.2 Op 27 april 2005 heeft de OR kennis genomen van een bericht van dezelfde dag op de website van de AID, waarin de plaatsvervangend directeur van de AID de medewerkers mededeelt dat een systeem van "functieroulatie" ingevoerd zal worden. Achtergrond daarvan is de wens om "lekken" door medewerkers richting politiek en pers zoveel mogelijk te voorkomen. De AID constateert immers "een te hoog risico op ongewenste vergroeiing met het vakgebied", waardoor "noodzakelijke objectiviteit en zakelijkheid van optreden in het gedrang kan komen". Concreet zal invoering van dit systeem leiden tot het - volgens het principe "first in, first out" - rouleren van ten minste drie medewerkers per inspectie naar andere vakgroepen voor einde 2005. Gestart zal worden binnen de vakgroep Natuur.

2.3 De OR is van mening dat, naast het bestaan van inhoudelijke bezwaren tegen het besluit, voormeld besluit van de AID aangemerkt moet worden als een besluit in de zin van artikel 27 lid 1 onder e Wet op de Ondernemingsraden (WOR), zodat het besluit instemming van de OR behoeft. Bij schrijven van 24 mei 2005 heeft de OR de nietigheid van het besluit doen inroepen wegens het ontbreken van deze instemming. De AID geeft volgens de OR niettemin al uitvoering aan het besluit, is dat althans van plan, reden waarom de OR in dit kort geding, na vermeerdering van eis, heeft gevorderd bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de Staat der Nederlanden, in het bijzonder het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, meer in het bijzonder de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, met onmiddellijke ingang te verbieden tot (verdere) uitvoering van het bestreden besluit tot de invoering van een systeem van functieroulatie over te gaan en in dat kader in het bijzonder te gebieden de inmiddels in gang gezette roulatie van taken van negen AID-medewerkers met onmiddellijke ingang op te schorten, totdat de OR aan het besluit zijn instemming heeft verleend dan wel de bevoegde rechter in een nog te starten bodemprocedure een in kracht van gewijsde gegane uitspraak heeft gedaan; en

II. de Staat der Nederlanden, in het bijzonder het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, meer in het bijzonder de Algemene Inspectiedienst van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, te gebieden de hiervoor onder I genoemde negen AID-medewerkers per omgaande schriftelijk te berichten dat de gedwongen functieroulatie is opgeschort en hen met onmiddellijke (lees:) ingang in de gelegenheid te stellen hun eigen werkzaamheden te hervatten;

dit beide (dus zowel I als II) op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500.000,- althans een ander in goede justitie te bepalen redelijk bedrag voor iedere dag of gedeelte van een dag waarop de Staat geheel of gedeeltelijk nalaat gehoor te geven aan het in deze te wijzen vonnis.

2.4 De AID heeft gemotiveerd verweer gevoerd, welk verweer hierna, voor zover van belang, wordt besproken.

3. De beoordeling

3.1 Een voldoende spoedeisend belang volgt uit de aard van de zaak.

3.2 Beantwoord moet worden de vraag of het door de AID genomen besluit tot invoering van een systeem van functieroulatie, waartegen de OR ten strijde trekt, onder de werkingssfeer van artikel 27 lid 1 onder e WOR valt en daarmede instemming behoeft van de OR. Om deze vraag in dit kort geding bevestigend te kunnen beantwoorden is, tegen de achtergrond van het betoog van de OR, nodig en tevens voldoende dat de OR aannemelijk maakt dat het hier gaat om een besluit tot vaststelling of wijziging van een regeling op het gebied van het aanstellingsbeleid. Volgens de OR is dat het geval, naar de voorzieningenrechter begrijpt, omdat het vakgebied waarbinnen een medewerker van de AID wordt aangesteld (bijv. het vakgebied Natuur), onderdeel uitmaakt van zijn aanstelling en brengt het gewraakte besluit ook mee dat de standplaats van medewerkers wordt, althans kan worden gewijzigd.

3.3 Het standpunt van de AID komt tot de kern teruggebracht op het volgende neer. De aanstelling van de betreffende medewerkers staat geheel los van het vakgebied waarop zij werkzaam zijn of worden. De standplaats van de medewerkers wordt door het besluit niet gewijzigd. De betreffende medewerkers zijn aangesteld als controleur en dat blijft zo, ook de controleurswerkzaamheden blijven naar hun aard ongewijzigd, met dien verstande dat het vakgebied waarop gecontroleerd moet worden verandert (bijv. van Visserij naar Meststoffen of Natuur). In de visie van de AID gaat het in casu louter om een wijziging van de inhoud van het werk.

3.4 Artikel 27 lid 1 WOR geeft een opsomming van twaalf onderwerpen die een onderdeel vormen van het sociale beleid van de onderneming en waarover de OR een instemmingsrecht heeft. De ondernemer moet de instemming vragen bij elk voorgenomen besluit om een regeling op een van de genoemde terreinen vast te stellen, te wijzigen of in te trekken. Het gaat daarbij in beginsel niet om besluiten met betrekking tot de vaststelling van primaire arbeidsvoorwaarden. Het primaat voor de onderhandelingen over primaire arbeidsvoor-waarden rust bij de vakorganisaties. Gelet op het feit dat de opsomming van artikel 27 lid 1 WOR een limitatief karakter draagt, ligt het verder niet voor de hand de werkingssfeer van deze bepaling sterk op te rekken.

3.5 Tegen deze achtergrond moet om te beginnen vastgesteld worden dat het onderhavige besluit (dat een gedwongen roulatie tussen vakgebieden behelst), naar de letter genomen bezwaarlijk onder de werking van artikel 27 lid 1 WOR, meer in het bijzonder onderdeel e, gebracht kan worden. Dit zo zijnde, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter in dit kort geding evenmin met enige mate van zekerheid uitgemaakt worden of het hier gaat om een geval dat, gelet op zijn specifieke aard en strekking, met de regels op het gebied van het aanstellingsbeleid op één lijn kan worden gesteld, althans daarmee een zekere verbondenheid heeft. Of en in hoeverre dat het geval is, kan in abstracto niet uitgemaakt worden maar het antwoord op deze vraag is sterk verweven met de omstandigheden van het geval. Die nu zijn in deze zaak maar ten dele uit de verf gekomen. Voor wat het feitelijk substraat betreft staan partijen (immers) lijnrecht tegenover elkaar, terwijl documenten ter ondersteuning van deze of gene stelling (nagenoeg) ontbreken. Zo heeft de OR ter staving van zijn opvatting aan-gedrongen dat in de aanstellingsbrieven van de medewerkers expliciet het betreffende vakgebied pleegt te worden genoemd, wat pleit voor het standpunt van de OR, maar de AID heeft dit met klem bestreden. In nevelen gehuld is ook ("welles-nietes") of het gewraakte besluit consequenties heeft voor de standplaats van de medewerkers. Wat na wegstreping van het betwiste deel overblijft is, samenvattend, verreweg te mager om het standpunt van de OR te torsen. Denkbaar is al met al dat het besluit enkel betrekking heeft op een wijziging van de inhoud van de arbeidsprestatie, waarvoor naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen instemmingsrecht van de OR bestaat. Maar wat daarvan ook zij, een nader onderzoek naar feiten en omstandigheden zal hier duidelijkheid moeten verschaffen. Nu voor een dergelijk onderzoek in kort geding geen plaats is, moet voor de gevraagde voorziening van de OR in dit kort geding het doek reeds vallen. Een belangenafweging kan niet tot een andere uitkomst leiden, waarbij niet zonder gewicht is dat het van goed werkgeverschap getuigend aanbod van de AID tot overleg, door de OR rigoureus van de hand wordt gewezen. De OR wordt, gezien het bepaalde in artikel 22a WOR, niet in de kosten verwezen. Daarom wordt beslist op na te melden wijze.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

weigert de gevraagde voorziening.

compenseert de kosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Groen, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

RQ