Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2005:AT8795

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
06-07-2005
Datum publicatie
06-07-2005
Zaaknummer
171590 CV EXPL 04-5956
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gelijke behandeling mannen en vrouwen bij pensioenaanspraken. ABP. art. 12b eerste lid WGB, art. 7:646 vijfde lid BW en art. 141 EG-Verdrag.

Wetsverwijzingen
Algemene wet gelijke behandeling
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 646
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2005/146
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Heerlen

rolno: 04-5956

zaakno: 171590

typ: M.L.

coll:

vonnis van de kantonrechter d.d. 6 juli 2005

inzake

[eiseres], wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. P. de Casparis te Zoetermeer,

tegen

DE STICHTING STICHTING PENSIOENFONDS ABP, gevestigd te Heerlen aan de Oude Lindestraat 70,

gedaagde,

in het navolgende wordt gedaagde ook kortweg als ABP aangeduid,

gemachtigde: prof. dr. E. Lutjens te Amsterdam.

VERLOOP VAN DE PROCEDURE:

Eiseres heeft ABP gedagvaard voor de kantonrechter.

Aan de dagvaarding is een productie gehecht.

ABP heeft geconcludeerd voor antwoord, van haar kant producties in het geding brengend.

Eiseres heeft daarop onder wijziging van eis gerepliceerd, zich beroepend op niet eerder overgelegde producties.

ABP heeft, onder overlegging van een productie, gedupliceerd.

Tenslotte is vonnis bepaald op heden.

MOTIVERING VAN DE BESLISSING

Vaststaande feiten

Tussen partijen staat als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet, althans onvoldoende betwist het volgende vast.

Eiseres, geboren op [geboortedatum], is werkzaam in het bijzonder onderwijs. Haar werkgeefster is bij het ABP aangesloten, zodat eiseres aldaar pensioen opbouwt. Eiseres is gehuwd; haar echtgenoot geniet eveneens inkomsten uit arbeid. Bij de opbouw van het pensioen van eiseres wordt een deel van het inkomen buiten beschouwing gelaten in verband met opbouw van c.q. uitzicht op een AOW-uitkering. Dit deel wordt aangeduid als de franchise. De wijze van berekening van de franchise is niet steeds hetzelfde geweest.

In 1984 is door invoering van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen in de AOW de AOW-uitkering geïndividualiseerd, zodat echtgenoten (en daarmee gelijkgestelden) ieder een eigen recht van 50% kregen. Dit is 50% van het minimumloon. De uitkering voor alleenstaanden is 70%.

Vanaf 1986 tot 1995 kende de ABP-regeling een gedifferentieerd franchisesysteem dat onderscheid maakte tussen enerzijds gehuwden (en daarmee gelijkgestelden volgens de AOW) en anderzijds ongehuwden/alleenstaanden. De franchise voor de gehuwde kostwinner wordt door eiseres in navolging van de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) de kostwinnersfranchise genoemd.

Sinds 1995 geldt de uniforme franchiseregeling, die vorenstaand onderscheid niet meer maakt. (Art. 6.3 ABP-pensioenreglement) De franchise voor gehuwden van fl. 33.175,- en die voor ongehuwden van fl. 23.159,- werden op 1 januari 1995 vervangen door één uniforme franchise van fl. 26.500,-, nadien jaarlijks verhoogd.

Tot de wijziging van de Algemene wet gelijke behandeling per 1 januari 2002 (Stb. 2000, 625) was onderscheid op grond van burgerlijke staat in de aanvullende pensioenregeling bij het ouderdomspensioen toegestaan, althans niet in strijd met de Awgb.

Per 1 januari 2004 is het ABP op een geheel ander pensioensysteem overgestapt waarbij een franchise geldt, die afhankelijk is van het geboortejaar van de werknemer en welke franchise zich bevindt tussen de € 13.000,- en € 15.250,-.

Vorderingen inzake gelijke behandeling in pensioenaanspraken zijn door het HvJ EG beperkt tot de periode vanaf 17 mei 1990. (C-262/88, Barber arrest)

Het geschil tussen partijen

Het geschil betreft de vraag of het ABP vanaf 17 mei 1990 bij de toepassing van de franchise als onderdeel van de pensioenberekening verboden onderscheid tussen mannen en vrouwen gemaakt heeft, gelet op art. 12b eerste lid WGB, art. 7:646 vijfde lid BW en art. 141 EG-Verdrag. De Commissie Gelijke Behandeling (verder te noemen: CGB) heeft die vraag bij oordeel 2004-34 van 30 maart 2004 positief beantwoord. Eiseres beroept zich hierop en vordert te verklaren voor recht (beknopt weergegeven)

? dat het ABP door het hanteren van de kostwinnersfranchise bij de pensioenopbouw vanaf 17 mei 1990 tot 1 januari 1995 onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt;

? dat het ABP door het hanteren van de uniforme franchise bij de pensioenopbouw vanaf 1 januari 1995 onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt;

en vordert veroordeling tot vergoeding van daardoor geleden schade.

BEOORDELING:

1. Bij inleidende dagvaarding heeft eiseres overgelegd en verwezen naar uitspraak 2004-32 van de CGB waarin een soortgelijke aangelegenheid als die van 2004-34 aan de orde is, maar die niet tegen het ABP gericht is. Bij Conclusie van Antwoord heeft het ABP de tegen haar gerichte uitspraak 2004-34 ingebracht, een uitspraak die weliswaar door een andere verzoekster bij de CGB aanhangig gemaakt is, maar die dezelfde principiële problematiek betreft. Aan deze uitspraak als zodanig ontleent eiseres haar argumenten voor haar vorderingen, zoals bij Repliek gewijzigd en aangevuld.

2. De CGB heeft in paragraaf 2 (de feiten) van haar uitspraak drie gestandaardiseerde voorbeelden opgenomen die tot uitgangspunt van haar oordeel inzake de “kostwinnersfranchise” dienen. Deze voorbeelden zijn niet alleen in die zaak tegen het ABP gebezigd maar ook (identiek) in de eerder overgelegde uitspraak 2004-32 van de CGB, een niet ABP-zaak. De voorbeelden gaan alle drie van een pensioengevend inkomen van € 30.000,- uit. Vanwege de grote relevantie van de voorbeelden voor de uitspraak van de CGB, worden deze voorbeelden hier integraal herhaald en besproken.

Voorbeeld 1 (alleenverdienende kostwinner):

De AOW-uitkering voor samenwonenden bedraagt bijvoorbeeld € 15.400,-. De fran-chise wordt vastgesteld op 10/7 van de AOW-uitkering en bedraagt derhalve € 22.000,-. Het pensioengevend inkomen van de deelnemer bedraagt € 30.000,-. De pensioen-grondslag is derhalve € 30.000,- minus € 22.000,- = € 8000,-. Na een volledig dienstver-band van 40 jaar bedraagt het aanvullend pensioen 70% van € 8000,- derhalve € 5600,-. Daarnaast ontvangt de deelnemer (samen met zijn echtgenoot) een AOW-uitkering van

€ 15.400,-. Het totale pensioeninkomen bedraagt € 5.600,- + € 15.400,- = € 21.000,.

Dit is exact de beoogde 70% van het inkomen van € 30.000,-.

Dit door de CGB gegeven voorbeeld stemt overeen met de systematiek zoals die tussen

1985 en 1995 gold voor het gedifferentieerd franchisestelsel van het ABP. Maar de CGB

verbindt aan dit voorbeeld conclusies, die niet aanvaardbaar zijn, waarover hierna de

punten 6 en 7.

Voorbeeld 2 (alleenstaande):

Indien de deelnemer in de regeling een alleenstaande is, wordt het normniveau niet gehaald. De alleenstaande ontvangt een lagere AOW-uitkering van om en nabij € 11.200,-. Het totale pensioeninkomen (aanvullend pensioen en AOW-uitkering) bedraagt derhalve € 11.2000,- + € 5.600,- (zie voorbeeld 1) = € 16.800,-. Dat is 56 % van het inkomen van € 30.000,-.

Dit door de CGB opgenomen voorbeeld, dat voor de berekening deels verwijst naar voorbeeld 1, lijkt van dezelfde ABP-systematiek 1986-1995 uit te gaan als het eerste voorbeeld, maar is toch niet in overeenstemming met die ABP-systematiek. Immers hier wordt voor de berekening van de franchise gebruik gemaakt van de gehuwden-franchise uit voorbeeld 1. En dat is niet overeenkomstig art. F 7a ABP-wet lid 1sub 3a resp. 3b, waarin is bepaald dat voor de gehuwde een franchise van 20/7 van de AOW-uitkering geldt en voor de ongehuwde 10/7 van de AOW-uitkering. Volgens de toen geldende ABP-systematiek moet de berekening als volgt zijn:

De franchise is 10/7 x 11.200 = 16.000. Derhalve aanvullend pensioen over € 30.000,- – € 16.000,- = € 14.000,-. Bij volledig dienstverband (40 jaar) resulteert 70 % van € 14.000,- = € 9.800,-. Het totale pensioen-inkomen van AOW plus aanvullend pensioen van de alleenstaande is dan € 11.200,- + € 9.800,- = € 11.000,-. Dat is 70% van het inkomen. En dus geen 56% zoals de CGB stelt.

Voorbeeld 3 (tweeverdiener)

Indien de deelnemer in de regeling een tweeverdiener is, wordt het normniveau evenmin gehaald. Bij tweeverdieners worden beide partners geconfronteerd met de hantering van een franchise afgeleid van de AOW-uitkering voor gehuwden, terwijl zij deze uitkering samen maar één keer ontvangen. Op grond van de regeling krijgen beide partners na een volledig dienstverband een aanvullende pensioen van € 5.600,- (zie voorbeeld 1) Samen derhalve

€ 11.200,-. Daarnaast krijgen zij de AOW-uitkering van € 15.400,-. Het totale pensioeninkomen bedraagt € 11.200,- + € 15.400,- = € 26.600,-. Dat is 44% van het gezamenlijke inkomen van € 60.000,-.

Dit door de CGB gegeven voorbeeld is overeenkomstig de ABP-systematiek 1986-1995. (gedifferentieerd franchise systeem). De door de CGB gemaakte vergelijking van dit voorbeeld met voorbeeld 1 kan evenwel niet gevolgd worden, waarover hierna de punten 6 en 7.

3. In zijn algemeenheid is er geen wet of rechtsbeginsel op grond waarvan een volledig en regelmatig opgebouwd pensioen (inclusief AOW) 70% van het laatst genoten salaris behoort te zijn, ook al kan dit percentage als streefdoel voor de praktijk zinvol zijn. Voor de verdere beoordeling van het voorliggende geschil is dit percentage dan ook niet van wezenlijke betekenis.

4. Het ABP wijst erop dat in art. 141 EG-verdrag het begrip beloning inhoudt: het basisloon en overige voordelen “die de werknemer uit hoofde van zijn dienstverband direct of indirect van de werkgever ontvangt” . Het ABP voegt er terecht aan toe dat niet meetelt wat de werknemer uit de AOW ontvangt en wat de partner van de werknemer uit AOW ontvangt. Alleen het zogenaamde “aanvullend pensioen” valt onder het begrip beloning. Aldus is het aanvullend pensioen van de alleenverdienende kostwinner gelijk is aan dat van elk der 2-verdieners. Dat is € 5.600,-. Daarin is dan geen verschil te vinden.

5. Eiseres erkent het standpunt van het ABP dat sprake is van gelijke beloning, maar dat het door de CGB geconstateerde gat bij 2-verdieners ontstaat door de wettelijke AOW-uitkeringen. Volgens eiseres moet die situatie evenwel bezien worden tegen de achtergrond van een te behalen pensioenresultaat van 70%, waarop mannen en vrouwen in gelijke mate kans moeten maken. Zoals hiervoor overwogen is die 70% norm geen in wet of rechtsbeginselen terug te vinden eis. Reeds hierom gaat de stelling van eiseres niet op.

6. De CGB stelt aan de hand van de genoemde voorbeelden dat toepassing van de kostwinnersfranchise (1986-1995) met zich mee brengt dat de alleenverdienende kostwinner (bij 40 dienstjaren zonder overstap en breuken, en een partner met AOW-uitkering) een pensioen van 70% van het laatst genoten salaris kan opbouwen Die 70% wordt gehaald door de AOW-uitkering van de partner erbij op te tellen. (punt 5.17)

De CGB stelt verder, onder verwijzing naar voorbeeld 3: De tweeverdieners kunnen evenwel nooit dat percentage bereiken omdat de franchise op 2x AOW-uitkering is gebaseerd, terwijl slecht eenmaal AOW wordt ontvangen. Ze bereiken samen slechts een pensioen van 44% van hun gezamenlijke inkomen. (punt 5.18)

Tegen deze vergelijking maakt het ABP principiële bezwaren. Immers in de voorbeelden 1 en 3 worden samengetelde inkomens vergeleken, te weten het gezamenlijke pensioeninkomen van kostwinner en zijn partner met het gezamenlijke inkomen van de beide tweeverdieners. Dit bezwaar treft doel.

7. a. De Wet gelijke behandeling ziet op onderscheid tussen personen en niet op onderscheid tussen gezinnen/samenwonenden met andere gezinnen/samenwonenden. Het kan ook niet zo zijn dat door verstrengeling van inkomsten van de alleenverdienende kostwinner met die van zijn partner (met alleen een AOW-uitkering), die inkomsten van beiden toegerekend kunnen worden aan de alleenverdienende kostwinner. In 1985 is op grond van de 3e Europese richtlijn inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen, aan gehuwde vrouwen c.q. partners een zelfstandig recht op AOW toegekend. Die regeling kan niet voor de gelegenheid als niet ter zake doende ter zijde geschoven worden.

Dit betekent dat het pensioen van de alleenverdienende kostwinner niet 70 % bedraagt, zoals berekend door de CGB, maar 44%. Zijn AOW-uitkering bedraagt € 7700,- en zijn aanvullend pensioen € 5600,-. Totaal € 13.300,-. Dat is 44% van zijn pensioengevend inkomen van € 30.000,-.

De tweeverdiener en de alleenverdienende kostwinner behalen derhalve eenzelfde pensioenresultaat van 44%.

b. Dit zou slechts anders zijn indien de aan de partner toegekende AOW-uitkering in feite op een fictie zou berusten en die uitkering feitelijk zou toevloeien naar de alleenverdienende kostwinner. Dit is evenwel niet gesteld of gebleken.

8. Bij Repliek geeft eiseres nog een enigszins ander rekenkundig voorbeeld.(punt 3.12). Uitgangspunt is daar een inkomen van € 60.000,- met een franchise van € 15.000,- . De alleenverdienende kostwinner heeft een pensioengrondslag van € 60.000,- minus franchise á € 15.000,- is € 45.000,-. Indien beide 2-verdieners samen € 60.000,- inkomen hebben, zo gaat het voorbeeld verder, gaat daar 2x € 15.000,- franchise van af, zodat een pensioengrondslag van slechts € 30.000,- samen resulteert.

Ook deze vergelijking kan niet aanvaard worden. Immers de pensioengrondslag van een alleenverdienende kostwinner wordt vergeleken met de opgetelde pensioengrondslagen van de beide 2-verdieners. Indien van eenzelfde inkomen van € 60.000,- van elk der 2-verdieners wordt uitgegaan, is de pensioengrondslag hetzelfde als die van bedoelde kostwinner, namelijk € 45.000,- Het verboden onderscheid geldt ten aanzien van beloningen van individuele personen en niet ten aanzien van samengevoegde beloningen van meerdere personen.

9. Uniforme franchise. De CGB constateert in haar uitspraak dat de franchise die het ABP sinds 1 januari 1995 toepast, de hoogte voor een alleenstaande benadert, maar dat daarmee het pensioengat voor 2-verdieners nog niet verdwenen is, hoewel kleiner. Een cijfermatige onderbouwing is niet in de uitspraak opgenomen, maar wel zijdelings terug te vinden in het door eiseres overgelegde rapport d.d. 12 augustus 2003 van de getuige-deskundige mr. E.M.F.Schols-van Oppen in de procedure van de CGB. (rapport blz. 4). Doch ook hier wordt het AOW-inkomen van de partner bij het pensioen van de alleenverdiener opgeteld, waartegen, zoals reeds eerder overwogen principiële bezwaren bestaan.

Telt men die AOW-uitkering niet bij het totale pensioen van de alleenverdienende kostwinner op, dan blijkt er geen onderscheid met de 2-verdieners ieder afzonderlijk.

10. Uit het vorenstaande volgt dat de door de CGB geconstateerde feiten, met name die van de rekenvoorbeelden, en de daaraan verbonden conclusies op wezenlijke punten niet gevolgd kunnen worden. Een onderscheid tussen alleenverdienende kostwinners en de afzonderlijke 2-verdieners is niet aannemelijk gemaakt. De vraag of dit onderscheid, indien het wel zou bestaan, significant meer werkende vrouwen zou betreffen, behoeft dan ook niet meer aan de orde te komen.

De vorderingen komen derhalve niet voor toewijzing in aanmerking.

11. In hetgeen in de voorgaande punten is overwogen, is van cruciale betekenis dat de AOW-uitkering van de partner niet aan de deelnemer toegerekend kan worden en niet tot diens beloning gerekend kan worden. De Europese richtlijn inzake gelijke behandeling en artikel 141 EG-verdrag zijn hierover duidelijk. Een prejudiciële beslissing over deze cruciale punten is derhalve niet nodig. Ook overigens is niet gebleken dat een prejudiciële beslissing geboden zou zijn.

12. Aangezien de vorderingen worden afgewezen, is er grond de kosten van deze procedure voor rekening van eiseres te brengen.

BESLISSING:

De kantonrechter:

Wijst de vorderingen af.

Veroordeelt eiseres in de kosten van deze procedure, aan de zijde van ABP gevallen en tot aan dit vonnis begroot op

€ 1.000,00.

Aldus gewezen door mr. drs. W.G.A.M. Veugelers, kantonrechter-plaatsvervanger en uitgesproken ter openbare civiele terechtzitting in tegenwoordigheid van de griffier.