Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2005:AT8506

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
06-06-2005
Datum publicatie
30-06-2005
Zaaknummer
AWB 04/2040 ANW/AOW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De Sociale Recherche heeft in diezelfde periode een onderzoek ingesteld naar de leefsituatie van eiseres en de heer B, mede naar aanleiding van een anonieme tip van 15 oktober 2003, dat zij al negen jaar zouden samenwonen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 04 / 2040 ANW/AOW

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[A],

wonende te Hoensbroek, eiseres,

tegen

de Raad van Bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Vestiging Roermond),

gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum bestreden besluit: 26 oktober 2004

Kenmerk: AW 0926516-0

Behandeling ter zitting: 25 april 2005

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 26 oktober 2004 heeft verweerder twee namens eiseres ingediende bezwaarschriften van 14 juli 2004 tegen twee door ver-weerder genomen besluiten van 14 juni 2004 ongegrond verklaard.

Bij beroepschrift van 5 december 2004 is tegen eerstgenoemd besluit namens eiseres beroep ingesteld door haar gemachtigde mr. J.G. van Ek, advocaat te Heerlen.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

Bij brief van 3 januari 2005 zijn de nadere gronden, waarop het beroep berust, bij de rechtbank ingediend. Op 25 januari 2005 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 25 april 2005, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. Van Ek voornoemd. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. A.F.L.B. Metz, mede-werker beroeps-zaken. Voorts is als getuige ter zitting verschenen E.G. [C].

2. Overwegingen

De feiten

Aan eiseres is eertijds een weduwenpensioen toegekend ingevolge de Algemene Weduwen- en Wezen-wet, welk pensioen per 1 juli 1996 is omgezet in een nabestaandenuitkering inge-volge de Algemene nabestaandenwet (Anw).

Vervolgens is eiseres met ingang van april 2000 een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend ter hoogte van 96% van het maximale AOW-pensioen voor een ongehuw-de.

Op 26 april 2004 heeft de partner van eiseres verweerder telefonisch om een wijzigings-formulier verzocht, aangezien hij wilde gaan samenwonen met eiseres. Na ontvangst van dit wijzigingsformulier heeft eiseres daarop ingevuld, dat zij per 1 juni 2004 op het adres [A-straat] 8 te Hoensbroek is gaan samenwonen.

De Sociale Recherche heeft in diezelfde periode een onderzoek ingesteld naar de leefsituatie van eiseres en de heer [B], mede naar aanleiding van een anonieme tip van 15 oktober 2003, dat zij al negen jaar zouden samenwonen.

Op 27 mei 2004 heeft de Sociale Recherche een aantal getuigen gehoord, woonachtig aan

de [A-straat] te Hoensbroek, te weten de getuigen [D],

[E], [F] en [G].

Op 7 juni 2004 hebben eiseres en de heer [B] verklaringen afgelegd tegenover de Sociale Recherche. Zij hebben toen beiden verklaard te begrijpen dat zij niet verplicht waren om antwoord te geven op vragen, die de Sociale Recherche hun stelde. Na voorlezing van de verklaringen volhardden eiseres en de heer [B] daarbij en ondertekenden zij deze.

Bij besluit van 14 juni 2004 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat haar nabestaanden-uit-kering met ingang van januari 1998 is herzien, aangezien zij een gezamenlijke huishou-ding is gaan voeren.

Bij besluit van 14 juni 2004 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat zij met ingang van april 2000 recht heeft op een ouderdomspensioen ingevolge de AOW voor iemand, die een gezamenlijke huishouding voert met een ander persoon.

Bij brief van 14 juni 2004 heeft verweerder eiseres meegedeeld voornemens te zijn het te veel ontvangen bedrag ad € 27.536,93 van eiseres terug te vorderen.

Bij brieven van 14 juli 2004 is namens eiseres tegen voormelde besluiten bezwaar gemaakt. Daarbij is aan-gevoerd, dat eiseres ontkent sedert 1994 een gezamenlijke huishouding te voeren. Tijdens haar verhoor is eiseres op ontoelaatbare wijze onder druk gezet.

Eiseres en haar gemachtigde zijn in de gelegenheid gesteld om op 11 oktober 2004 op het bezwaar te worden gehoord. Bij die gelegenheid is onder meer naar voren gebracht, dat de rechercheurs eiseres en de heer [B] bijna hebben gedwongen te verklaren dat ze samen-woonden en hen hebben gedwongen de verklaringen te ondertekenen. Zij hebben de verkla-ringen niet gelezen. De verklaringen werden voorgelezen. Wat er echter werd voorgelezen, weten ze niet meer. Beiden waren zo murw van het bijna zes uur durende verhoor, dat ze alles maar getekend hebben om zo snel als mogelijk maar weg te kunnen. Eiseres geeft aan, dat haar verklaring er letterlijk is uitgeperst door de rechercheur.

Het besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres ongegrond ver-klaard. Tijdens een verhoor van de Sociale Recherche op 7 juni 2004 heeft eiseres verklaard dat zij sinds 1994 aan het adres [A-straat] 8 samenwoont met de heer [B]. Zij wonen daar samen als man en vrouw. De heer [B] huurt deze woning. Eiseres betaalt aan de heer [B] een bedrag van € 136,-- per maand voor de boodschappen. Zij kan vrij gebruik maken van alle ruimten in de woning. Zij eten samen waarbij de heer [B] meestal kookt. Zij verrichten samen de huishoudelijke werkzaamheden. Zij gaan samen op vakantie. Zij ontvangen samen bezoek in zijn woning. Zij verzorgen elkaar bij ziekte. De heer [B] heeft tegenover de Sociale Recherche verklaard dat hij vanaf 1994 samenwonend is met eiseres. Verweerder is dan ook van oordeel dat eiseres het hoofdverblijf in dezelfde woning heeft als de heer [B] en dat zij beiden een bijdrage leveren in de kosten van de gezamenlijke huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien. Op grond hiervan is er sprake van het voeren van een gezamenlijke huishouding, zodat zij voor de toepassing van de Anw en de AOW niet als ongehuwd kan worden aan-ge-merkt. In zijn uitspraken van 20 mei 2003 heeft de Centrale Raad van Beroep(CRvB) aan-gegeven dat hij bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een gezamenlijke huis-houding pleegt uit te gaan van de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche alsmede van de juistheid van de weergave van de tegenover de Sociale Rechercheurs afgelegde en onder-tekende verklaringen. De CRvB hecht in het algemeen weinig tot geen betekenis aan latere verklaringen waarin de eerder afgelegde verklaringen worden herroepen of genuan-ceerd of aan later in het geding gebrachte getuigenverklaringen die geen steun vinden in objectieve gegevens. Dit zou slechts anders zijn, indien de afgelegde verklaringen niet in vrijheid of onder onaanvaardbare druk zijn afgelegd. De verklaring van eiseres werd ter afsluiting van het verhoor voorgelezen. In die verklaring staat onder andere vermeld dat eiseres zich goed behandeld voelde. Eiseres heeft de verklaring ondertekend. Verweerder is daardoor niet gebleken dat de afgelegde verklaring niet in vrijheid of onder onaanvaardbare druk werd afgelegd.

Het beroep

Eiseres kan zich met voormeld standpunt van verweerder niet verenigen. Daartoe is in beroep aan-ge-voerd, dat de door eiseres afgelegde verklaring onder zeer grote druk tot stand is geko-men. Door de Sociale Recherche is ontoelaatbare druk uitgeoefend. Het is opmerke-lijk dat eiseres in haar verklaring plotseling een omme-zwaai maakt in dier voege dat zij op-eens de waarheid wil vertellen. De verklaring is voorgekauwd door de Sociaal Rechercheur. Uit de verklaring van eiseres blijkt dui-de-lijk dat deze niet door eiseres zelf is afgelegd. Bovendien is uit het rapport ook niet duidelijk dat aan eiseres haar verklaring werd voorge-lezen en dat zij deze voor accoord heeft getekend. Voor zover zij dit al zou hebben gedaan heeft eiseres dit gedaan onder druk en omdat zij aan het einde van de dag, na de gehele dag op het politiebureau opongepaste wijze te zijn verhoord, niets anders meer wilde dan naar huis gaan. Was haar raadsman in de gelegenheid gesteld tijdens het verhoor op het bureau aanwezig te zijn, dan had eiser een geheel andere verklaring afgelegd. Thans wordt een aantal procedures (bezwaar, beroep, strafrechtelijke procedure) geheel en al gebaseerd op de enige verklaring die eiser heeft afgelegd.

De rechten van eiseres worden op flagrante wijze geschonden door de werkwijze van de Sociale Recherche en de SVB. Het bestreden besluit is dan ook op uiterst onzorgvuldige wijze tot stand geko-men. Overigens staat eiseres niet op hetzelfde adres ingeschreven als de heer [B]. Aan het huisvestingscriterium is dan ook niet voldaan. Uit de ver-klaring van eiseres blijkt ook, dat zij niet meer dan één à twee keer per week bij de heer [B] slaapt. Er staan geen meubelen van mevrouw in de woning van eiser. Overige naspeuringen en waarnemingen hebben geen enkel resultaat opgeleverd. Er is ook geen huiszoeking verricht. Het gehele opsporingsonderzoek is gebaseerd op vage aanwij-zingen en op de verklaringen van eiseres en de heer [B] die zwaar onder druk zijn gezet. De getuigenverklaringen kunnen niet leiden tot bewijs van het feit dat er sprake zou zijn van een gezamenlijke huis-houding. De dochter van eiseres kan als getuige bevestigen, dat de heer [B] en eiseres geen gezamenlijke huishouding hebben gevoerd. Nadrukkelijk wordt aangeboden deze getuige ter zitting te horen.

Het verweer

In het verweerschrift heeft verweerder bij het bestreden besluit volhard. Uit de in het ver-weerschrift opgesomde feiten en omstandigheden blijkt, dat eiseres en de heer [B] sedert 1994 feitelijk hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben gehad, zodat aan het huis-ves-tings-criterium is voldaan. Het feit dat eiseres steeds ingeschreven heeft gestaan op het adres van haar dochter rechtvaardigt niet de conclusie dat van een gezamen-lijke huishouding geen sprake kan zijn. Het sociale leven van eiseres heeft zich te allen tijde afgespeeld in de woning van de heer [B]. Verweerder is op grond van de in het verweer-schrift vermelde feiten en omstandigheden van mening, dat er voldoende gronden aanwezig zijn voor de vast-stelling dat in casu is voldaan aan de wette-lijke criteria voor het aannemen van een gezamen-lijke huishouding. Er kleven geen formele gebreken aan het onderzoek. Aan eiseres en de heer [B] is voorafgaand aan de ver-horen de cautie gegeven, zoals blijkt uit de processen-verbaal van verhoor. Tevens hebben betrokkenen te kennen gegeven correct behandeld te zijn. Voorts zijn de door eiseres en de heer [B] afgelegde verklaringen aan hen voor-ge-lezen, waarna zij zijn over-gegaan tot ondertekening van de processen-verbaal van verhoor. Hierdoor hebben zij zich akkoord verklaard met de inhoud van de processen-ver-baal. Overigens is door de Officier van Justitie aan eiseres en de heer [B] een transactie aan-geboden van € 3.000,--. Dit aanbod is door zowel eiseres als de heer [B] geaccep-teerd.

De beoordeling

De rechtbank dient in dit geding te beoordelen, of het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Ingevolge artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de Anw eindigt het recht op nabe-staandenuitkering, indien de nabestaande in het huwelijk treedt dan wel een gezamenlijke huishouding gaat voeren anders dan ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Anw wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige, die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de Anw is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huis-houding dan wel anderszins.

Ingevolge artikel 17a, eerste lid, van de AOW herziet de Sociale Verzekeringsbank, onver-minderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening van een besluit tot toeken-ning van ouder-doms-pensioen, een dergelijk besluit:

a. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 15, tweede lid, of 49, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van ouderdoms-pen-sioen;

b. indien anderszins het ouderdomspensioen ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend;

c. indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 15, tweede lid, of 49, ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op ouderdomspensioen bestaat.

Ingevolge artikel 17a, tweede lid, van de AOW kan de Sociale verzekeringsbank besluiten geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking af te zien, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Ingevolge artikel 1, derde lid, aanhef en onder a, van de AOW, zoals die bepaling vanaf

1 januari 1998 luidt, wordt als gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert, tenzij het betreft een bloed-ver-want in de eerste graad.

Ingevolge artikel 1, vierde lid, van de AOW, zoals die bepaling vanaf 1 januari 1998 luidt, is van een gezamen-lijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Verweerder hanteert ter zake het navolgende beleid.

Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad en de Centrale Raad van Beroep leidt de SVB af dat de vaststelling dat de betrokken personen feitelijk hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning voldoende is om aan te nemen dat aan het huisvestings-criterium is voldaan. Ook als twee per-sonen op verschillende adressen staan ingeschreven, kan er sprake zijn van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning. Dit is het geval, als zij feitelijk op hetzelfde adres verblijven.

De SVB leidt uit de jurisprudentie af dat het zorgcriterium inhoudt dat de huis-houding en het levensonderhoud worden betaald uit de inkomsten van beiden.

Bij de beoordeling of voldaan wordt aan het zorgcriterium worden de volgende elementen betrokken.

Ter zake van de vraag of sprake is van financiële verstrengeling:

- gebruik van de woning en de betaling van de zuivere woonlasten; en

- gebruik van duurzame goederen die niet gelieerd zijn aan de woning, zoals auto of caravan; of

- de betaling van de kosten van de huishouding, zoals voeding, boodschappen, vervoer en vakantie; of

- de betaling van overige uit het huishouden voortvloeiende kosten, zoals verzekeringen en leningen.

Ter zake van de vraag of sprake is van zorg die niet tot uitdrukking komt in financiële verstrengeling:

- verzorging van de huishouding, zoals schoonmaak, bewassing, koken;

- persoonlijke verzorging bij ziekte of gebrek.

Indien ten aanzien van één of meer van de hierboven omschreven elementen zorg aanwezig is, zonder dat sprake is van een louter marginale of incidentele weder-zijdse betrokkenheid, gaat de SVB ervan uit dat de betrokkenen aan het zorgcrite-rium voldoen. Dit is slechts anders indien sprake is van een commerciële relatie.

Het onderhavig geding spitst zich toe op de vraag of ver-weerder er op goede gronden van is uitgegaan, dat eiseres en de heer [B] (in ieder geval) sedert januari 1998 een gezamenlijke huishouding met elkaar voeren.

De rechtbank stelt voorop, dat beantwoording van de vraag of van het voeren van een gezamenlijke huishouding sprake is dient plaats te vinden aan de hand van objectieve criteria: de aard van de tus-sen betrokkenen bestaande relatie en hun subjectieve gevoelens daaromtrent dienen bij deze beoor-deling buiten beschouwing te blijven. Ook is het motief voor het duurzaam voeren van een gezamen-lijke huishouding niet van belang.

Op grond van voormelde rapportage van de Sociale Recherche alsmede gelet op hetgeen door zowel eiseres als de heer [B] is verklaard, kan naar het oordeel van de recht-bank als vaststaand worden aangenomen, dat eiser en de heer [B] (in ieder geval) met ingang van januari 1998 gezamenlijk voorzagen in huisvesting, aangezien zij toen beiden hun hoofdverblijf hadden in de woning aan de [A-straat] 8 te Hoensbroek. Uit de stukken kan worden geconcludeerd dat eiseres die woning slechts verliet met een be-paald doel en met het oogmerk daar nadien weer terug te keren.

Hiermee is aan het huisvestingscriterium voldaan.

Met betrekking tot de vraag of eiseres en de heer [B] sedert januari 1998 (tevens) blijk hebben gegeven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huis-hou-ding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging hebben voorzien - de tweede voorwaarde voor het aannemen van een gezamen-lijke huishouding - overweegt de rechtbank het volgende.

Indien de inkomsten en uitgaven strikt gescheiden worden gehouden dan wel indien een van de part-ners geen of een verwaarloosbaar laag inkomen heeft, kan er alleen sprake zijn van een gezamenlijke huishouding, indien anderszins in de verzorging wordt voorzien (zie CRvB 6 januari 1998).

De rechtbank komt op grond van de feiten en omstandigheden, zoals vermeld in de in onder-ling verband en samenhang te beschouwen verklaringen van enerzijds eiseres en anderzijds de heer [B] tot het oordeel dat zij blijk hebben gegeven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

Het gezamenlijk voorzien in huisvesting alsmede het zorg dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins wordt bevestigd door de verklaringen van de getuigen [D], [E], [F] en [G].

Eiseres heeft doen aanvoeren, dat zij en de heer [B] door de Sociale Recherche onder ontoelaatbare druk zijn gezet, zodat zij zich gedwongen voelden de betreffende verklaringen af te leggen en te ondertekenen.

De rechtbank ziet echter geen aanleiding eiseres niet aan haar in eerste instantie afgelegde verklaring te houden. Eiseres is gebleven bij haar aan het eind van haar verhoor afgelegde verklaring, dat alles dui-delijk was, dat zij zich goed behandeld voelde, dat zij geen klachten had en dat zij geen bezwaar had tegen het administratief-rechtelijk gebruik van deze verklaring. Het is de rechtbank ook overigens niet gebleken, dat eiseres en de heer [B] tijdens het afleggen van hun verklaringen zodanig onder druk hebben gestaan dat voor twijfel vatbaar is of die in de desbetreffende ambtsedige processen-verbaal gerelateerde verklaringen wel een juiste en volledige weergave vormen van hun beider wil. Niet valt dan ook in te zien dat verweerder de in die processen-verbaal opgeno-men, uit de mond van eiseres en de heer [B] opgetekende verklaringen niet zou mogen gebruiken ter onderbouwing van de bestreden besluiten.

De rechtbank komt tot de slotsom dat eiseres, uitgaande van hetgeen hiervoor is vermeld, niet erin is geslaagd om door middel van objec-tieve gege-vens aan te tonen, dat er ten tijde als hier van belang slechts sprake was van een marginale en niet meer dan incidentele weder-zijdse betrokkenheid tussen haar en de heer [B].

Aan de ter zitting afgelegde verklaring van de getuige [C] kan de rechtbank niet die waarde hechten, die eiseres daaraan toegekend wenst te zien, aangezien deze verklaring in nogal vage bewoordingen is afgelegd.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft verweerder de Anw-uitkering en het AOW-pensioen van eiseres terecht en op goede gronden met ingang van januari 1998 respectievelijk april 2000 herzien.

Ook overigens is de rechtbank niet gebleken, dat het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel, zodat het beroep van eiseres voor ongegrond moet worden gehouden.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:70 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. Kavelaars als griffier en in het openbaar uitgesproken op 6 juni 2005 door mr. Vluggen voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. C. Kavelaars w.g. F.A.G.M. Vluggen

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 6 juni 2005

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.