Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2005:AT8264

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
09-06-2005
Datum publicatie
27-06-2005
Zaaknummer
100037 /KG ZA 05-90
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

6:171 BW; 6:162 BW; onrechtmatig handelen/aansprakelijkheid gemeente?; niet ontvankelijkheid?; onrechtmatig hinderen?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2005/71
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak : 9 juni 2005

Zaaknummer : 100037 / KG ZA 05-90

De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende kort gedingvonnis gewezen

inzake

[eiseres]

gevestigd en kantoor houdende te [G.],

eiseres in kort geding,

procureur mr. J.J.Th. Paulissen;

tegen:

[gedaagde],

zetelende te [S.],

gedaagde in kort geding,

procureur mr. T.A.M. van Oosterhout.

1. Het verloop van de procedure

Eiseres, hier[K.][K.].”, heeft gedaagde, hierna te noemen “[G.]”, gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag, 9 mei 2005, heeft [K.]. gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, met dien verstande dat zij haar eis heeft vermeerderd, waarna zij haar vermeerderde eis met verwijzing naar op voorhand toegezonden producties, welke producties de voorzieningenrechter eerst op 9 mei 2005 heeft ontvangen wegens (kennelijk) een interne fout –de bij de producties in het geding gebrachte foto’s had de voorzieningenrechter wel al ter terechtzitting ontvangen-, aan de hand van een pleitnota nader heeft doen toelichten.

[G.] heeft aan de hand van een pleitnota verweer gevoerd, daarbij eveneens verwijzend naar op voorhand toegezonden producties.

Partijen hebben daarna op elkaars stellingen gereageerd.

Ten slotte hebben partijen om vonnis verzocht. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 [K.]. exploiteert een autobedrijf, gelegen op het [adres]. De bedrijfsactiviteiten van [K.]. bestaan overwegend uit de in- en verkoop van tweedehands auto’s. Op de locatie worden gemiddeld circa 150 auto’s te koop aangeboden vanaf het rondom het bedrijfsgebouw gelegen terrein. Daarnaast wordt een onderhoudswerkplaats geëxploiteerd.

2.2 [G.] is begin maart 2005 gestart met het doen uitvoeren van grondwerkzaamheden op een terrein, gelegen naast de [adres] ter realisatie van een geluidswal. De werkzaamheden houden verband met de aanleg van de zogenaamde Randweg en vinden plaats op een afstand van om en nabij een kilometer van [K.].. De in opdracht van [G.] door aannemer [H.] ter plaatse verrichte grondwerken brengen met zich dat grote hoeveelheden grond en zand vanaf de locatie moeten worden afgevoerd.

2.3 [K.]. stelt –kort samengevat en voor zover thans van belang- het volgende.

2.3.1 Het afvoeren van grond en zand geschiedt door middel van het overladen van grond op open vrachtauto’s die de grond vervolgens transporteren naar de achterzijde van het bedrijventerrein, alwaar [K.]. is gevestigd. Dagelijks rijden grote aantallen vrachtauto’s langs het terrein van [K.]., hetgeen met zich brengt dat de voorraad auto’s van [K.]. reeds drie weken ernstig verontreinigd wordt door zand en stof, afkomstig van de grondtransporten. Weliswaar worden de auto’s dagelijks, soms zelfs meerdere malen per dag, gepoetst, maar zowel gelet op het grote aantal auto’s als de frequentie van de grondtransporten, is gebleken dat de handelsvoorraad er voortdurend vervuild bij staat.

2.3.2 [K.]. is ermee bekend dat uitvoering van werkzaamheden ten openbare nutte overlast voor ondernemers (en/of particulieren) met zich kan brengen, en dat dit –tot op zekere hoogte- tot het normale ondernemersrisico behoort. Dit neemt echter niet weg dat op [G.] de zorgplicht rust de overlast tot een minimum te beperken, dan wel geheel weg te nemen, indien dat mogelijk is.

[G.] is van meet af aan in gebreke gebleven, en weigert dit kennelijk ook voor de toekomst, ervoor zorg te dragen dat (door de hoofdaannemer c.q. de onderaannemer) voldoende maatregelen worden getroffen om overlast voor de aan de route van afvoer van grond gelegen bedrijven, waaronder [K.]., te voorkomen, althans tot een minimum te beperken. Ook de wegen waarover de vrachtauto’s af en aan rijden, worden niet, althans onvoldoende, schoon gehouden.

2.3.3 De heer [K.] directeur van [K.]., heeft zich gewend tot [G.], maar kreeg te horen dat er niets aan de klachten zou worden gedaan. Daarop heeft [K.]. haar raadsman ingeschakeld die [G.] heeft gesommeerd met onmiddellijke ingang zodanige maatregelen te nemen c.q. zodanige instructies op te leggen, dat de overlast en verontreiniging een einde neemt, althans tot een (aanvaardbaar) minimum wordt beperkt. Op deze sommatie werd niets vernomen, behoudens dat bij monde van één van de medewerkers rechtstreeks jegens de heer [K.] werd medegedeeld dat [G.] niet van zins is concrete maatregelen te nemen c.q. te doen nemen.

2.3.4 Op enig moment is tussen partijen overleg op gang gekomen. Op 30 maart 2005 is namens [G.] schriftelijk bevestigd:

- dat continu een veegmachine beschikbaar is;

- dat de weg elke avond zal worden schoongemaakt;

- dat de route van de transporten wordt aangepast, zodat [K.]. niet meer gepasseerd hoeft te worden;

- dat naar schatting nog slechts negen dagen grondtransporten hoeven plaats te vinden, verdeeld over de komende maanden;

- dat de overige transporten in verband met werkzaamheden aan de geluidswal via een andere ingang zullen plaatsvinden om de overlast tussen de aangrenzen bedrijven te verdelen.

Gelet hierop heeft de procureur van [K.]. vóór de oorspronkelijke dienende dag aanhouding van de zitting gevraagd. Op 9 mei 2005 heeft vervolgens (toch) een zitting plaatsgevonden, nu na de brief van 30 maart 2005 weliswaar sprake is geweest van een korte onderbreking van de transporten en een alternatieve route, maar deze daarna weer in volle omvang zijn hervat via de aan [K.]. grenzende weg, en (daarmee) ook de overlast weer is begonnen. Van gebruikmaking van de alternatieve route is geen sprake, evenmin van een adequate inzet van veegmachines. Hoewel de inzet van een veegmachine, die immers beperkt is tot de wegen, zonder meer noodzakelijk is om de vervuilde wegen enigszins schoon te houden, heeft dit geen effect op de door [K.]. ondervonden overlast.

2.3.5 Nu [G.] heeft geweigerd adequate maatregelen te treffen ter voorkoming van de verontreiniging van de bedrijfsvoorraad van [K.]., en dit kennelijk ook weigert voor de toekomst, handelt [G.] onrechtmatig jegens [K.]., zulks gelet op de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade, in verband met de verdere omstandigheden van het geval. [G.] dient derhalve te worden veroordeeld tot het nemen van adequate maatregelen, waarbij niet aan een dwangsom valt te ontkomen. [G.] dient haar toezeggingen na te komen.

2.3.6 Naast toewijzing van het gevraagde verbod zoals hierna is vermeld, vordert [K.]. tevens een voorschot op schadevergoeding. De tot een minimum beperkte (geleden) (omzet)schade bedraagt thans, afgerond, € 4.000,-. [G.] is aansprakelijk voor de door [K.]. geleden en nog te lijden schade. Teneinde de nog te lijden schade tot een minimum te beperken dient [G.] omgaand maatregelen te treffen ter voorkoming c.q. beperking van de overlast, bijvoorbeeld door de afvoerroute van het vrachtverkeer te wijzigen, of door het bevochtigen of afdekken van de grond. 2.3.7 [K.]. heeft een spoedeisend belang bij na te melden vordering.

2.4 Op grond van het vorenstaande heeft [K.]. – na vermeerdering van eis ter terechtzitting waarmee de wederpartij heeft ingestemd- gevorderd dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. gelast dat [G.] per de datum van betekening van het ten deze te wijzen vonnis, althans binnen een zodanige termijn na betekening als de voorzieningenrechter vermeent te behoren, de afvoer van grond vanaf de locatie nabij de [adres] beëindigt, althans de afvoerroute zodanig verlegt dat [K.]. daarvan generlei hinder meer ondervindt, dan wel zodanige maatregelen neemt in de vorm van afdekking c.q. bevochtiging, of anderszins, dat [K.]. geen hinder in de vorm van verontreiniging van zijn bedrijfsvoorraad meer zal ondervinden, een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat [G.] in gebreke blijft aan de veroordeling te voldoen;

b. aan [K.]. een voorschot op schadevergoeding toekent ten bedrage van € 4.000,-, althans een in goede justitie vast te stellen bedrag;

c. [G.] veroordeelt in de kosten van deze procedure.

2.5 De vordering wordt door [G.] weersproken, waartoe wordt verwezen naar de ter terechtzitting voorgedragen, en vervolgens aan de stukken toegevoegde, pleitnotitie.

Op dat verweer zal, voor zover van belang, hierna worden ingaan.

3. De beoordeling

3.1 [G.] heeft primair ten verwere aangevoerd dat [K.]. niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vorderingen, allereerst vanwege het feit dat, aldus [G.], een eventueel beroep van [K.]. op artikel 6:171 van het Burgerlijk Wetboek (BW) niet kan slagen omdat dit artikel niet van toepassing is.

Indien en voor zover [K.]. (eventuele) aansprakelijkheid van [G.] heeft willen baseren op artikel 6:171 BW, is de voorzieningenrechter met [G.] van oordeel dat de overheid als opdrachtgever buiten het bestek van deze aansprakelijkheid valt uit vrees voor onvoorzienbare consequenties. (Eventuele) aansprakelijkheid van [G.] op basis van voornoemd artikel is dan ook niet aan de orde.

Daarnaast heeft [G.] niet-ontvankelijkheid van [K.]. bepleit –de voorzieningenrechter begrijpt dat [K.]. [G.] (subsidiair) op basis van artikel 6:162 BW wil aanspreken- vanwege het feit dat de zandtransporten niet zijn uitgevoerd door [G.] als opdrachtgever, maar door aannemersbedrijf [H.]. Voor zover er al sprake zou zijn van onrechtmatig handelen met als gevolg schade aan de zijde van [K.]., had laatstgenoemde, aldus [G.], hiervoor aannemer [H.] moeten dagvaarden, en niet [G.]. De voorzieningenrechter begrijpt het standpunt van [G.] aldus dat in haar visie niet zij, maar aannemersbedrijf [H.] aansprakelijk is voor eventuele door [K.]. geleden schade.

Onder verwijzing naar HR 20-10-2000, NJ 2001/118, oordeelt de voorzieningenrechter terzake als volgt.

Het is onjuist dat iedere (mogelijke) fout van de aannemer steeds heeft te gelden als een aan de opdrachtgever, in casu [G.], toe te rekenen fout op de enkele grond dat deze de opdracht tot de werkzaamheden heeft gegeven. Het ligt op de weg van degene die schade stelt te hebben geleden, in casu [K.]., om aan te geven waaruit het eigen onrechtmatig handelen van [G.] bestaat. De voorzieningenrechter begrijpt uit de stellingen van [K.]. dat het eigen onrechtmatig handelen van [G.] in casu bestaat uit het nalaten maatregelen te (laten) nemen om overlast/schade te voorkomen of tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Aldus heeft [K.]. afdoende aangegeven waarop het vermeende onrechtmatig handelen (en daarmee volgens [K.]. aansprakelijkheid) aan de zijde van [G.] is gebaseerd.

3.2 Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de zaak en is ook niet door [G.] betwist.

3.3 Dan komt de voorzieningenrechter thans toe aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak.

3.3.1 Vast staat dat [K.]. hinder ondervindt ten gevolge van zand en stof dat op de zich op het terrein van [K.]. bevindende auto’s terecht komt.

Voor de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, is beslissend de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waarbij onder meer rekening moet worden gehouden met het gewicht van de belangen die door de hinder toebrengende activiteit worden gediend en de mogelijkheid, mede gelet op de daaraan verbonden kosten, en de bereidheid maatregelen ter voorkoming van schade te nemen.

Voor wat betreft dit laatste geldt voor een overheidslichaam dat werkzaamheden (laat) verricht(en) als de onderhavige met gevaar voor schade/overlast aan zaken van derden, dat zij verplicht is voldoende maatregelen te treffen ter voorkoming van schade/overlast.

3.3.2 [K.]. stelt zich op het standpunt dat [G.] onrechtmatig jegens haar handelt door niet voldoende maatregelen te nemen om bedoelde overlast te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken, mede gelet op aard, de ernst en de duur van de hinder in verband met de verdere omstandigheden van het geval.

Zij vordert –kort gezegd- dat de voorzieningenrechter [G.] veroordeelt:

1) de afvoer van grond vanaf de betreffende locatie te beëindigen;

2) althans de afvoerroute zodanig te verleggen dat [K.]. daarvan generlei hinder meer ondervindt;

3) danwel zodanige maatregelen te nemen in de vorm van afdekking c.q. bevochtiging, of anderszins, dat [K.]. geen hinder in de vorm van verontreiniging van zijn bedrijfsvoorraad meer zal ondervinden.

[G.] stelt op haar beurt –kort gezegd- al het mogelijke te hebben gedaan om hinder te voorkomen.

3.3.3 Voor wat betreft het gevorderde zoals hiervoor weergegeven onder 1) oordeelt de voorzieningenrechter dat gesteld noch gebleken is dat een dergelijke verstrekkende maatregel noodzakelijk is om de gestelde hinder te voorkomen/beperken. Gelet hierop, alsmede gelet op het maatschappelijke belang dat bij de werkzaamheden is gediend, zal de voorzieningenrechter het onder 1) gevorderde afwijzen.

Voor wat betreft het gevorderde zoals hiervoor weergegeven onder 2) oordeelt de voorzieningenrechter dat vast staat dat [G.] de route inmiddels ten gunste van [K.]. heeft verlegd. De route die de vrachtauto’s zouden moeten rijden, loopt niet (meer) langs [K.].. [G.] heeft de aannemer ook geïnstrueerd deze route te volgen en [G.] heeft ter terechtzitting ook aangegeven er zoveel als mogelijk op toe te zien dat de route daadwerkelijk gevolgd wordt.

Een routeverlegging zoals gevorderd heeft derhalve al plaatsgevonden.

Ofschoon door [K.]. is weersproken dat de gewijzigde route ook daadwerkelijk wordt gevolgd -volgens [K.]. rijden de vrachtauto’s nog geregeld langs-, is zijdens [G.] aangegeven dat slechts één keer sprake is geweest van een incident waarbij de vrachtauto’s, anders dan de bedoeling was, langs [K.]. zijn gereden. Volgens [G.] gebeurt dit thans niet meer.

Aldus staat de visie van [K.]. in deze lijnrecht tegenover die van [G.].

In het kader van dit kort geding, kan de voorzieningenrechter niet vaststellen welke visie juist is. Daarvoor is een nader onderzoek naar feiten en omstandigheden vereist, waarvoor in het kader van een kort geding geen plaats is.

Gelet hierop zal het gevorderde onder 2) eveneens worden afgewezen.

Voor wat betreft het gevorderde zoals hiervoor weergegeven onder 3) oordeelt de voorzieningenrechter allereerst dat [G.] ter terechtzitting onweersproken heeft gesteld dat het vervoer door vrachtauto’s met “dichte laadbakken” geen effect sorteert, omdat het zand door het hoge vochtigheidsgehalte “vast” is en daarom niet zal verstuiven.

Gelet hierop is voor toewijzing van maatregelen in de vorm van afdekking c.q. bevochtiging, geen plaats.

Tot slot overweegt de voorzieningenrechter in zijn algemeenheid, alsook voor wat betreft de vordering tot het nemen van andere maatregelen om verontreiniging van de bedrijfsvoorraad te voorkomen, nog het volgende.

Gelet op hetgeen hiervoor bij 3.3.2 is opgemerkt, ligt het op de weg van [K.]. om aannemelijk te maken dat [G.] geen dan wel onvoldoende maatregelen heeft genomen om de overlast te voorkomen/beperken.

Naar het voorshandse oordeel van de voorzieningenrechter, is [K.]. daar niet in geslaagd. Ter toelichting diene het navolgende.

Vast staat dat [G.], zoals reeds blijkt uit het voorgaande, wel degelijk maatregelen heeft genomen om de overlast te voorkomen/beperken. Zo is de aanrijroute van de vrachtauto’s in eerste instantie verdeeld over twee wegen om eventuele overlast te verdelen. Daarnaast staat vast dat [G.] veegmachines heeft ingezet alsmede aan de aannemer de instructie heeft gegeven om rustig te rijden, alsmede de aannemer heeft geïnstrueerd een route te volgen die niet langs [K.]. loopt. [K.]. heeft niet aangegeven welke andere maatregelen [G.] nog had kunnen nemen.

Gelet hierop, is naar het voorshandse oordeel van de voorzieningenrechter niet aannemelijk geworden dat [G.] geen/onvoldoende maatregelen heeft getroffen om bedoelde schade te beperken.

3.3.4 Gelet op voormelde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, de aard van de overlast, het algemeen belang dat bij aanleg van de weg/geluidswal is gemoeid, alsmede gelet op het feit dat door [G.] ter terechtzitting is aangegeven dat de vrachtauto’s effectief nog maar negen, niet achtereenvolgende, dagen zullen moeten rijden, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat van onrechtmatige hinder geen sprake is en een voorziening niet nodig.

3.4 Voor wat betreft het standpunt van [K.]. dat [G.] toezeggingen heeft gedaan die zij niet is nagekomen, oordeelt de voorzieningenrechter dat, nu [G.], zo begrijpt de voorzieningenrechter, zich op het standpunt stelt dat, zo er al toezeggingen zouden zijn gedaan, deze toezeggingen ook zijn nagekomen, in kort geding geen plaats is voor een nader onderzoek in dat kader. Om terzake uitsluitsel te verkrijgen, is een bodemprocedure de aangewezen weg.

3.5 De voorzieningenrechter acht termen aanwezig de proceskosten te compenseren zoals hierna in het dictum is vermeld.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank te Maastricht:

RECHT DOENDE in kort geding:

wijst het gevorderde af;

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. Bergmans, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier. F.B.