Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2005:AT8261

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
18-04-2005
Datum publicatie
27-06-2005
Zaaknummer
99763 - KG ZA 05-73
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Executiegeschil; misslagen of niet?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2005, 293
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 18 april 2005

Zaaknummer : 99763 / KG ZA 05-73

De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende kort-gedingvonnis gewezen

inzake

[eiseres]

gevestigd te [M.],

eiseres,

procureur mr. J. Roeleveld,

advocaat mr. J.H.J. Rijntjes te Rotterdam,

tegen:

[gedaagde]

gevestigd te [A.],

gedaagde,

geen procureur gesteld hebbende,

advocaat mr. J.P. Koets te Haarlem.

1. Het verloop van de procedure

Eiseres, hierna te noemen: [G.], heeft gedaagde, hierna te noemen: [A.], gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag, 11 april 2005, heeft [G.] gesteld en gevorderd overeenkomstig de dagvaarding, waarna zij haar vordering met verwijzing naar op voorhand toegezonden producties nader heeft doen toelichten. [G.] heeft daarbij gebruik gemaakt van pleitaantekeningen.

[A.] heeft aan de hand van een pleitnota verweer gevoerd, daarbij eveneens verwijzend naar op voorhand toegezonden producties.

Partijen hebben daarna op elkaars stellingen gereageerd.

Ten slotte hebben partijen om vonnis verzocht. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 2 maart 2005 heeft de rechtbank Maastricht [G.] veroordeeld om aan [A.] te betalen een bedrag van € 756.544,95 in hoofdsom, vermeerderd met rente en kosten. (Veel te) kort gezegd heeft de rechtbank geoordeeld dat voormeld bedrag de schade is die [A.] heeft geleden als gevolg van de wanprestatie van [G.] met betrekking tot de tussen partijen in maart 2003 tot stand gekomen overeenkomst nopens de koop en verkoop van een portefeuille bedrijfspanden met een waarde van circa € 15 miljoen. [A.] is met de executie van dit vonnis aangevangen door reeds in een eerder stadium gelegde conservatoire beslagen te vervolgen.

2.2 Voordien, op 2 juni 2003 had tussen partijen reeds een kort geding gediend, waarbij de voorzieningenrechter ter zitting te kennen had gegeven voornemens te zijn de vordering van [G.] tot opheffing van de gelegde beslagen af te wijzen. Daarop hebben partijen een regeling getroffen in dier voege, aldus het audiëntieblad, dat [G.] "een deugdelijke bankgarantie zal stellen waartegenover (lees:) [A.] de gelegde beslagen zal opheffen." Het kort geding is daarop geroyeerd. Partijen hebben vervolgens geen overeenstemming bereikt over de inhoud van de bankgarantie, met als gevolg dat de beslagen niet zijn opgeheven.

2.3 [G.] is van het vonnis d.d. 2 maart 2005 in appel gekomen bij het gerechtshof te 's Hertogenbosch. Daar heeft [G.] ook incidentele vorderingen ingesteld tot schorsing van de executie ex artikel 351 Rv subsidiair tot zekerheidstelling ex artikel 235 Rv. Daarop is nog niet beslist.

2.4 Stellende dat [A.] te onrechte heeft geweigerd om de haar aangeboden bankgarantie te aanvaarden, en aldus de beslagen ten onrechte niet zijn opgeheven, alsmede dat executie van het vonnis d.d. 2 maart 2005 als misbruik van recht moet worden gekwalificeerd, omdat het vonnis een aantal misslagen bevat en voorts sprake is van een aanzienlijk restitutierisico aan de zijde van [A.], heeft [G.] gevorderd bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

de executie van het vonnis van de rechtbank te Maastricht d.d. 2 maart 2005 te schorsen en [A.] te bevelen geen executiemaatregelen te nemen op verbeurte van een dwangsom van € 1.000.000,- per dag dat zij na betekening van het in deze te wijzen vonnis weigert daaraan te voldoen, totdat in hoger beroep eindarrest zal zijn gewezen althans, voor zover dat niet toewijsbaar is, totdat in hoger beroep op de incidenten zal zijn beslist;

subsidiair:

de executie te schorsen en [A.] te bevelen geen executiemaatregelen te nemen op verbeurte van een dwangsom van € 1.000.000,- per dag dat zij na betekening van het in deze te wijzen vonnis weigert daaraan te voldoen, totdat [A.] aan [G.] ze-kerheid zal hebben gesteld in de vorm van een bankgarantie conform het in het dictum op te nemen model voor het gehele toegewezen bedrag vermeerderd met rente en kosten tot aan de einduitspraak;

en [A.] te veroordelen in de kosten van het geding.

2.5 [A.] heeft gemotiveerd verweer gevoerd, welk verweer, voor zover van belang, hierna wordt besproken.

3. De beoordeling

3.1 Een spoedeisend belang volgt uit de aard van de zaak.

3.2 Een eerste blik op de omvang van haar pleitnota doet terstond de vraag rijzen of het betoog van [G.] (niet) van een onjuist uitgangspunt vertrekt. Waar het in deze zaak immers om gaat is of het executeren van een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis de toets der kritiek kan doorstaan. Vaste rechtspraak laat er geen twijfel over bestaan dat de marges voor ontkennende beantwoording van deze vraag smal zijn. In dat licht bezien ligt buitengewoon weinig voor de hand het vonnis, waartegen ten strijde wordt getrokken, met het fileermes te lijf te gaan.

3.3 In een (niettemin) zeer uitvoerig exposé heeft [G.] geprobeerd de poten onder het vonnis a quo weg te zagen. Dusdoende heeft zij op een aantal vermeende zwakke plekken in dat vonnis de vinger gelegd. In dat verband heeft zij ook verwijld bij een restitu-tierisico dat aan de zijde van [A.] zou bestaan. Ten slotte is van de kant van [G.] het standpunt vertolkt dat partijen ter zitting van het kort geding d.d. 2 juni 2003 afspraken hebben gemaakt met betrekking tot het - tegen opheffing van de beslagen - stellen van een bankgarantie, waaraan [A.] zich niet heeft gehouden.

3.4 Om dit laatste punt aanstonds uit de weg te ruimen, de vermeende afspraak is niet uit de verf gekomen. Waarom, zoals [G.] zich nader heeft verklaard, [A.] gehouden was een bankgarantie te aanvaarden die pas getrokken zou mogen worden bij een in kracht van gewijsde gegane uitspraak, valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien. Zulks maakt, naar de letter genomen, geen onderdeel uit van de op meergenoemde zitting gemaakte afspraak, noch ook ligt, binnen de bandbreedte van de Haviltex-maatstaf, reeds aanstonds in de rede dat partijen dit bedoeld hebben overeen te komen. In abstracto moet in ieder geval niet onbegrijpelijk worden geoordeeld dat een partij haar recht op exe-cutie niet zonder meer wenst prijs te geven om in ruil daarvoor tot in lengte van dagen met verhaal te moeten wachten.

3.5 Terugkerend naar de meer principiële kant van de zaak moet vastgesteld worden dat voor schorsing van de executie van een vonnis slechts plaats is indien de executant, mede gelet op de belangen aan de zijde van de geëxecuteerde die door de executie zullen worden geschaad, geen in redelijkheid te respecteren belang heeft bij gebruikmaking van zijn bevoegdheid om in afwachting van de uitkomst van het hoger beroep tot tenuitvoerlegging over te gaan. Dit zal het geval kunnen zijn indien het te executeren vonnis klaarblijkelijk op een juridische of feitelijke misslag berust of indien de tenuitvoerlegging op grond van na het vonnis voorgevallen of aan het licht gekomen feiten klaarblijkelijk aan de zijde van de geëxecuteerde een noodtoestand zal doen ontstaan, waardoor een onverwijlde tenuitvoerlegging niet kan worden aanvaard.

3.6 Nopens een noodtoestand is door [G.] niets te berde gebracht, zodat deze kwestie kan blijven rusten. Dit zo zijnde, heeft [G.] niet onder stoelen of banken gestoken dat naar haar oordeel het aangevallen vonnis een reeks misslagen bevat. Daarom moet daarbij wat langer worden stilgestaan.

3.7 Voor het aannemen van een "klaarblijkelijke juridische of feitelijke misslag" ligt de lat onmiskenbaar hoog. Hiervan is naar het oordeel van de voorzieningenrechter sprake als de vergissing in het recht of in de feiten zó in het oog springt, dat daarover geen redelijke twijfel kan bestaan. Tegen deze achtergrond moeten de stellingen van [G.] worden beoordeeld. Ontdaan van alle franje, heeft [G.] het volgende betoogd:

(in de dagvaarding:)

- de rechtbank heeft, gezien het financiële belang van de zaak, ten onrechte geen getuigenverhoren bevolen;

- de rechtbank heeft selectief geput uit schriftelijke verklaringen en heeft stilgezwegen over een tweetal door [G.] overgelegde verklaringen;

- een van de verklaringen waarop de rechtbank haar oordeel heeft doen steunen komt uit niet onverdachte hoek;

- de onderhandse verklaringen voldoen niet aan de minimumeisen die daaraan te stellen zijn;

- het is onverklaarbaar dat de rechtbank heeft geoordeeld dat [G.] de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van [B.] heeft opgewekt;

- de rechtbank heeft, gelet op het belang van de transactie, met voorbijgaan aan de praktijk op dat punt en dus ten onrechte de opdracht om een koopovereenkomst te concipiëren en de kennisgeving van dat feit aan de makelaar niet als voorbereidende handeling gezien, teneinde aan de hand van een conceptakte alle openstaande punten duidelijk in kaart te brengen;

- de rechtbank heeft over het hoofd gezien dat als er sprake zou zijn van een "overeenkomst aangaande hoofdlijnen", zoals zij heeft overwogen, het juist [A.] is die de onderhandelingen heeft afgebroken, zodat niet aan haar maar aan [G.] een vordering zou toekomen;

- de rechtbank heeft zonder deugdelijke motivering een tweetal schriftelijke verklaringen van de zijde van [G.] terzijde geschoven, welke verklaringen zagen op het aspect dat alleen verkocht mocht worden aan een eindbelegger;

- ook heeft de rechtbank ten onrechte een bewijsaanbod van [G.] op voormeld punt genegeerd;

- de rechtbank heeft zonder deugdelijke motivering aangenomen dat er schade zou zijn geweest van een factor 0,5 van de koopsom, waarbij de rechtbank geheel aan het gestelde door [G.] en een getuige is voorbijgegaan en aan een brief meer waarde heeft toegekend dan aan een door de betreffende briefschrijver afgelegde getuigenverklaring;

(in de pleitnota, voor zover nog niet in de dagvaarding genoemd:)

- de rechtbank is bij haar oordeel over één nacht ijs gegaan;

- er is sprake van een procedureel niet aanvaardbare verrassingsbeslissing omdat de recht-bank geen bewijs van de stellingen van [A.] heeft opgedragen;

- [G.] is ten onrechte niet tot het leveren van tegenbewijs toegelaten;

- de rechtbank heeft blijk gegeven van een niet begrijpelijk bewijsoordeel door niet het juiste gewicht aan de stellingen en producties van partijen toe te kennen;

- het vonnis is op onderdelen niet concludent.

3.8 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn deze kritiekpunten echter niet aan te merken als misslagen, omdat zij geen betrekking hebben op een evidente vergissing in het recht of in de feiten. De waardering van het bewijs is aan de rechter overgelaten. De rechtbank heeft in deze zaak kennelijk gemeend dat de overgelegde stukken - waaronder in een voorlopig getuigenverhoor afgelegde verklaringen - de vordering konden torsen. De voorzieningenrechter heeft niet de indruk dat de rechtbank daarbij lichtvoetig over het betoog van [G.] is heengelopen. Daarmee is niet gezegd dat het oordeel dat de rechtbank heeft geveld (op onderdelen) niet anders had kunnen uitvallen - waarbij de voorzieningenrechter met name denkt aan het toelaten van [G.] tot het leveren van tegenbewijs - of zij haar vonnis niet uitvoeriger had kunnen motiveren, maar aanvaarden dat het hier om misslagen gaat zou de betekenis die door rechtspraak (en doctrine) aan dat begrip is gegeven te ver oprekken. De door [G.] belichte feiten en omstandigheden zien op aspecten van de hoofdzaak. Een beoordeling van die aspecten noopt de voorzieningenrechter plaats te nemen op de stoel van de appèlrechter. Zulks is in een executiegeschil niet toelaatbaar.

3.9 Daarbij wordt in aanmerking genomen dat reeds in de bodemprocedure in prima door [G.] is aangedrongen het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren en de rechtbank dat standpunt heeft verworpen. De rechtbank heeft zich bij dat oordeel met juistheid begeven in een afweging van de wederzijds betrokken belangen. Daarbij heeft de rechtbank - niet minder juist - ook het door [G.] in stelling gebrachte restitu-tierisico betrokken. De gemaakte belangenafweging is ten nadele van [G.] uitgevallen. Thans tamboereert [G.] andermaal op de voor haar ongewenste gevolgen van executie en zij vraagt in dat verband aandacht voor enkele door haar in het ge-ding gebrachte stukken. Als zij na vernietiging van het vonnis a quo in hoger beroep bij [A.] moet aankloppen, bevroedt [G.] dat deze geen verhaal zal bieden. [A.] heeft deze stelling onder verwijzing naar documenten bestreden.

3.10 Het betoog van [G.] treft geen doel. De voorzieningenrechter is gehouden zijn zienswijze op die van de bodemrechter af te stemmen als die over een partijen verdeeld houdend punt reeds een oordeel heeft geveld. Dat kan alleen anders zijn als dat oordeel luce clarius van goede zin is gespeend dan wel nova relevant ander licht op de zaak werpen. Hiervan is geen sprake. Dat [A.] een lege huls is (of doende is te worden), dan wel zij aan de rand van de afgrond staat, is niet aannemelijk geworden. Uit de door partijen in het geding gebrachte stukken rijst dat beeld niet eenduidig op. Los daarvan kan het enkele feit dat mogelijk sprake is van een restitutierisico niet tot het oordeel leiden dat executie van het vonnis als misbruik van recht moet worden gekwalificeerd.

3.11 De slotsom moet zijn dat de gevraagde voorzieningen moeten worden geweigerd met veroordeling van [G.] in de kosten.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter:

weigert de gevraagde voorzieningen;

veroordeelt [G.] in de proceskosten tot aan dit vonnis gerezen en aan de zijde van [A.] begroot op € 244,- aan vast recht en € 816,- voor salaris procureur;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Bergmans, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier. RQ