Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2005:AT7958

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
17-05-2005
Datum publicatie
22-06-2005
Zaaknummer
AWB 04/1911 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft op 1 april 2004 bij verweerder een aanvraag ingediend, strekkende tot toekenning van een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand. Eiseres kan eventueel in aanmerking komen voor de WWB-uitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder met een gemeentelijke toeslag van 20% voor de dagen waarop haar kinderen bij haar in Kerkrade verblijven. Om vast te stellen wanneer haar kinderen bij haar verblijven, dient eiseres maandelijks een bewijs te overleggen afkomstig van het Autonoom Internaat Tongeren in België, voorzien van een stempel van deze instelling. Bij brief van 30 juni 2004 heeft eiseres tegen dat besluit bezwaar gemaakt bij verweerder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 04 / 1911 WWB

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[A],

wonende te Kerkrade, eiseres,

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Kerkrade,

gevestigd te Kerkrade, verweerder.

Datum bestreden besluit: 26 oktober 2004

Kenmerk: BB/EF/0400403 04U0015u51

Behandeling ter zitting: 14 april 2005.

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 26 oktober 2004 heeft verweerder een door eiseres ingediend bezwaarschrift van 30 juni 2004, aangevuld namens eiseres bij schrijven van 12 augustus 2004, tegen een door verweerder genomen besluit van 14 april 2004 ongegrond verklaard.

Bij brief van 22 november 2004 is tegen eerstgenoemd besluit namens eiseres beroep ingesteld door haar gemachtigde mr. J.J.M. Goltstein, advocaat te Kerkrade.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van eiseres gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 14 april 2005, waar eiseres is verschenen bij gemachtigde mr. J.J.M. Goltstein voornoemd.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. E.F.G.L. Fleuren.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

De feiten

Eiseres heeft op 1 april 2004 bij verweerder een aanvraag ingediend, strekkende tot toekenning van een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB).

Bij besluit van 14 juni 2004 –voor zover hier van belang- heeft verweerder eiseres met ingang van 1 april 2004 een uitkering toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Op grond van Verordening Toeslagen en Verlagingen Algemene Bijstand wordt de norm verhoogd met een gemeentelijke toeslag van 20% van het wettelijk minimumloon.

Eiseres kan eventueel in aanmerking komen voor de WWB-uitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder met een gemeentelijke toeslag van 20% voor de dagen waarop haar kinderen bij haar in Kerkrade verblijven. Om vast te stellen wanneer haar kinderen bij haar verblijven, dient eiseres maandelijks een bewijs te overleggen afkomstig van het Autonoom Internaat Tongeren in België, voorzien van een stempel van deze instelling.

Bij brief van 30 juni 2004 heeft eiseres tegen dat besluit bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij schrijven van 12 augustus 2004 is namens eiseres dit bezwaarschrift aangevuld door bovengenoemde gemachtigde.

Eiseres en haar gemachtigde zijn in de gelegenheid gesteld om op 25 augustus 2004 op het bezwaar te worden gehoord. Het verslag van de hoorzitting bevindt zich bij de gedingstukken, evenals het advies van de Centrale Bezwaarschriften- en Klachtencommissie (hierna: de commissie) en het advies van de vaksector.

Het besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres, overeenkomstig het advies van de vaksector, maar in afwijking van het advies van de commissie, ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag verweerders standpunt dat om als alleenstaande ouder te worden beschouwd aan de volgende eisen voldaan dient te worden:

? het kind dient jonger dan 18 jaar te zijn; en

? de ouder moet de volledige zorg voor het kind hebben, hetgeen betekent dat niet op andere wijze in de kosten van het bestaan van het kind wordt voorzien; en

? ten behoeve van het kind moet aanspraak op kinderbijslag bestaan; en

? het kind moet in Nederland woonachtig zijn.

In de situatie dat een kind in een inrichting verblijft zal voor de vraag of de belanghebbende als alleenstaande ouder kan worden aangemerkt, beoordeeld moeten worden

? of er sprake is van volledige verzorging door de ouder, dan wel

? of op andere wijze in de kosten van het bestaan van het kind wordt voorzien.

In de situatie van een kind in een inrichting wordt op andere wijze in het bestaan van het kind voorzien en wel door middel van de opname in het tehuis. In casu verblijven de twee minderjarige kinderen van belanghebbende vijf dagen per week in een internaat in België. Dit is vergelijkbaar met de situatie dat de kinderen in een internaat verblijven. Er is geen sprake van volledige verzorging door de ouder. De bijstand wordt dus voortgezet als bijstand voor een alleenstaande

Daarnaast speelt het territorialiteitsbeginsel een zeer belangrijke rol. Naar vaste rechtspraak van de Centrale raad van Beroep ziet dit beginsel op de uitsluiting van bijstand aan personen die niet in Nederland verblijven, op kosten die niet aan Nederland gebonden zijn en op kosten die niet in Nederland zijn opgekomen. Aangezien de kinderen van belanghebbende vijf dagen per week in het buitenland verblijven, kan voor de kosten van levensonderhoud van de kinderen gedurende vijf dagen per week geen bijstand worden verleend.

Gelet op vorenstaande is de conclusie gerechtvaardigd dat het bezwaar ongegrond dient te worden verklaard.

Het beroep

Eiseres kan zich met voormeld standpunt van verweerder niet verenigen. Daartoe is in beroep aan-ge-voerd dat eiseres heeft verzocht om een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder in plaats van alleenstaande, nu zij immers schoolplichtige en/of schoolgaande kinderen –jonger dan 18 jaar- heeft die te haren laste komen.

Eiseres wijst erop dat haar kinderen gedurende de schooldagen, maximaal vijf dagen per week, in een internaat in België/Tongeren verblijven alwaar die kinderen van maandag tot en met donderdag op schooldagen ook meestentijds blijven slapen, opdat de kinderen aldaar een opleiding als sportinstructrice, respectievelijk amazone, gecombineerd met een reguliere opleiding kunnen volgen. Het betreft –vanuit de woonplaats van eiseres- de meest dichtbij gelegen opleiding in de Nederlandse taal die zij de kinderen kan bieden, terwijl die opleiding met internaat ook per saldo de goedkoopste oplossing biedt;

Eiseres is van oordeel dat het feit de kinderen gedurende een aantal dagen per week wegens schoolbezoek in een internaat te België verblijven, er niet aan in de weg staat dat zij voor de toepassing van de bijstandswet tot haar gezin behoren en haar kinderen niet als hier niet te lande verblijvend aangemerkt mogen worden. Verblijf “hier te lande” vereist volgens eiseres niet dat dit verblijf een permanent karakter heeft (CRvB 3 oktober 1995, JABW 1996/8). Eiseres heeft tenslotte gewezen op de uitspraak van de Kroon van 14 november 1986, gepubliceerd in JABW 1987/107, waarin de Kroon heeft overwogen dat in geval van een internaatsituatie als de onderhavige niet van een verbroken gezinsverband kan worden gesproken.

Volgens eiseres plaatst verweerder haar kinderen ten onrechte buiten het gezinsverband door ze als “niet hier te lande verblijvend” aan te merken voor de dagen dat zij in België overnachten. De kinderen verblijven echter meer dan 50% van de tijd in Nederland bij hun moeder, terwijl ze op schooldagen ook overdag wel eens vaker bij moeder verblijven. Voorts biedt het internaat bij ziekte geen opvang; ook niet tijdens schooldagen.

Eiseres stelt dat het voorstel van verweerder om op dagen dat de kinderen bij haar verblijven wel bijstand naar de norm van een alleenstaande ouder te verstrekken in de praktijk niet werkt, omdat het internaat de gevraagde verklaringen niet pleegt af te geven. Voorts acht zij het niet juist dat haar eigen opgaven dienaangaande (bij voorbaat) niet als juist of betrouwbaar worden geaccepteerd.

Tenslotte meent eiseres dat verweerder in het bestreden besluit, nu dit afwijkt van het advies van de commissie, niet had mogen volstaan met een verwijzing van een notitie van de vaksector, maar zelf gemotiveerd had moeten aangeven waarom aan de notitie van de vaksector meer gewicht is gehecht dan aan het deskundig advies van de commissie.

De beoordeling

De rechtbank dient in dit geding te beoordelen, of het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Daarbij spitst het geschil zich toe op de beantwoording van de vraag of verweerder terecht en op goede gronden heeft besloten eiseres een WWB-uitkering naar de alleenstaande norm toe te kennen in plaats van naar de alleenstaande ouder norm.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Ingevolge artikel 4 van de WWB wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder:

a. alleenstaande: de ongehuwde die geen tot zijn last komende kinderen heeft en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;

b. alleenstaande ouder: de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor een of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad of een bloedverwant in de tweede graad indien er bij één van de bloedverwanten in de tweede graad sprake is van zorgbehoefte;

c. gezin:

1°. de gehuwden tezamen;

2°. de gehuwden met de tot hun last komende kinderen;

3°. de alleenstaande ouder met de tot zijn last komende kinderen;

d. kind: het in Nederland woonachtige eigen kind of stiefkind;

e. ten laste komend kind: het kind jonger dan 18 jaar voor wie de alleenstaande ouder of de gehuwde aanspraak op kinderbijslag kan maken.

Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de WWB heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van

overheidswege.

Ingevolge artikel 1:10, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) bevindt de woonplaats van een natuurlijk persoon zich te zijner woonstede, en bij gebreke van woonstede ter plaatse van zijn werkelijk verblijf.

Ingevolge artikel 1:12, eerste lid, van het BW -voor zover hier van belang- volgt een minderjarige de woonplaats van hem die het gezag over hem uitoefent.

De rechtbank is met de commissie van oordeel dat eiseres moet worden aangemerkt als een alleenstaande ouder in de zin van artikel 4, aanhef en onder b, van de WWB. Hiertoe overweegt de rechtbank dat vast staat dat eiseres ongehuwd is en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander. Voorts is niet in geding dat de kinderen van eiseres te harer laste komen in de zin van artikel 4, aanhef en onder e, van de WWB, nu vast staat dat eiseres voor haar kinderen aanspraak heeft op kinderbijslag. Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting spitst het geding zich toe tot de vraag of eiseres de volledige zorg heeft voor haar kinderen, alsmede op de vraag of haar kinderen in Nederland woonachtig zijn, zoals vereist in artikel 4, aanhef en onder d, van de WWB.

Anders dan verweerder en met de commissie is de rechtbank van oordeel dat eiseres de volledige zorg heeft over haar kinderen. Zoals ook impliciet blijkt uit de door eiseres aangehaalde uitspraak van de Kroon van 14 november 1986, gepubliceerd in JABW 1987/107, kan daaraan niet afdoen dat de kinderen van eiseres uitsluitend met het oog op het volgen van onderwijs, gedurende een deel van de week in een internaat verblijven. De rechtbank voegt hier nog aan toe dat uit de jurisprudentie, waaronder in het bijzonder de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 7 mei 2002, gepubliceerd in JABW 2002/121, volgt dat het wettelijk criterium “volledige zorg” in de eerste plaats ziet op de verdeling van de zorg tussen de ouders voor de hun ten laste komende kinderen.

Met betrekking tot de vraag of de kinderen in Nederland woonachtig zijn stelt de rechtbank voorop dat de desbetreffende wettelijke bepalingen niet de door verweerder voorgestane interpretatie toelaten volgens welke er sprake zou kunnen zijn van twee verschillende woonplaatsen, al naar gelang de kinderen bij hun moeder of in het internaat in België verblijven. Anders gezegd: de kinderen hebben voor wat de in geding zijnde periode betreft òf in Nederland òf in België woonplaats, maar niet in beide. Nu vast staat dat eiseres in Nederland haar woonplaats heeft en niet in geding is dat zij het gezag over haar kinderen uitoefent, is de rechtbank met de commissie van oordeel dat artikel 1:12, eerste lid, van het BW meebrengt dat de kinderen de woonplaats van eiseres volgen en aldus geacht moeten worden in Nederland woonachtig te zijn. De rechtbank wijst voorts op de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 3 oktober 1995, gepubliceerd in JABW 1996/8, waarin de Raad met betrekking tot het territorialiteitsbeginsel in het kader van de ABW heeft overwogen dat de mogelijkheid om bijstand te verlenen weliswaar gebonden is aan verblijf hier te lande, maar dat hieraan niet de voorwaarde is verbonden dat dit verblijf een permanent karakter dient te hebben.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 4 van de WWB. Het beroep is mitsdien gegrond en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbij-stand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). De rechtbank kent terzake twee punten met elk een waarde van € 322,-- toe voor de indie-ning van het beroepschrift en het verschijnen ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het te ver-goeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x € 322,-- x 1 = € 644,--.

Nu aan eiseres ter zake van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

Op grond van de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2. draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres;

3. bepaalt dat aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 37,00 wordt vergoed door de gemeente Kerkrade;

4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op € 644,--, te betalen door de gemeente Kerkrade aan de griffier van de rechtbank Maastricht.

Aldus gedaan door mr. R.E. Bakker in tegenwoordigheid van mr. M.J.G.E. Wolters als griffier en in het openbaar uitgesproken op 17 mei 2005 door mr. Bakker voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. M. Wolters w.g. R.E. Bakker

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 17 mei 2005

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.