Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2005:AT6063

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
04-04-2005
Datum publicatie
23-05-2005
Zaaknummer
AWB 05 / 585 WW44 VV
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft aan vergunninghoudster op grond van artikel 40, eerste lid, van de Woningwet (oud) bouwvergunning verleend voor het vernieuwen en veranderen van de Fransche Molen en bijgebouw en het plaatsen van een berging te Valkenburg. Strijd met monumentenvergunning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 05 / 585 WW44 VV

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht op het verzoek

om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

inzake

Tourotel Valkenburg BV,

gevestigd te Valkenburg, verzoekster,

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Valkenburg aan de Geul,

gevestigd te Valkenburg, verweerder.

Datum bestreden besluit: 8 maart 2005

Kenmerk: BR/5019 (BA2319)

Behandeling ter zitting: 31 maart 2005

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 8 maart 2005 (verzonden op 15 maart 2005) heeft verweerder aan Bouwbedrijf L. van de Ven, gevestigd te Veghel, (hierna te noemen: vergunninghoudster) op grond van artikel 40, eerste lid, van de Woningwet (oud) bouwvergunning verleend voor het vernieuwen en veranderen van de Fransche Molen en bijgebouw en het plaatsen van een berging op het perceel, kadastraal bekend gemeente Valkenburg, sectie A, nr. 2986, plaatselijk bekend Lindenlaan 32 te Valkenburg.

Bij schrijven van 18 maart 2005 van haar gemachtigde heeft verzoekster bij verweerder bezwaar gemaakt tegen verweerders besluit van 8 maart 2005.

Verzoekster heeft zich bij -afzonderlijk- schrijven van 18 maart 2005 van haar gemachtigde tevens tot de voorzieningenrechter van deze rechtbank gewend met het verzoek om ter zake van verweerders besluit van 8 maart 2005 een voorlopige voorziening, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna te noemen: de Awb), te treffen.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83, eerste lid, van de Awb ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van verzoekster gezonden.

De in de loop van de procedure in het geding gebrachte stukken zijn -eveneens- aan partijen gezonden.

De inhoud van de gedingstukken wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.

Het verzoek om voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter op 31 maart 2005, alwaar namens verzoekster dhr. P.J. Janssen, bestuurder van de enig aandeelhoudster van verzoekster, zijnde Tourotel Beheer B.V., is verschenen. Voornoemde Janssen werd ter zitting bijgestaan door de gemachtigde van verzoekster mr. A.J.J. Kreutzkamp, advocaat te Valkenburg aan de Geul.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigden mevr. drs. W.T.M. Hendriks, werkzaam bij de Afdeling Bouwen en Wonen van verweerders gemeente, en dhr. Frijns.

Namens vergunninghoudster, die door haar vertegenwoordiging ter zitting te kennen heeft gegeven op grond van artikel 8:26 van de Awb aan het geding deel te willen nemen, is haar gemachtigde dhr. J. van de Ven verschenen.

2. Overwegingen

In artikel 8:81, eerste lid, van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure.

De, voor een procedure als de onderhavige vereiste, onverwijlde spoed zijdens verzoekster is gelegen in het feit dat vergunninghoudster reeds een aanvang heeft gemaakt met het bouwen van de bij het thans bestreden besluit van 8 maart 2005 vergunde bouwwerkzaamheden.

De voorzieningenrechter ziet overigens evenmin beletselen verzoekster in haar verzoek ex artikel 8:81 van de Awb te ontvangen.

Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat zonder die voorziening het voor verzoekster uit het bestreden besluit voortkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang. Nu de voorzieningenrechter aan de zijde van verzoekster een bepaald spoedeisend belang aanwezig acht en derhalve niet reeds op voorhand kan worden geconcludeerd dat zij zonder enig nadeel een beslissing op bezwaar kan afwachten, is het antwoord op de vraag of sprake is van enig nadeel dat behoort te worden voorkomen door het treffen van een voorlopige voorziening in belangrijke mate mede afhankelijk van een voorlopig oordeel omtrent de vraag of het bestreden besluit in een eventuele hoofdzaak zou kunnen worden gehandhaafd.

Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Verzoekster exploiteert aan de Wilhelminalaan 28/34 in Valkenburg een hotelbedrijf.

Vergunninghoudster heeft ongeveer vijf jaar geleden de Fransche Molen en daarbij behorend bijgebouw aan de Lindenlaan 32 te Valkenburg gekocht.

Op 28 november 2002 heeft vergunninghoudster, middels het daartoe strekkende formulier, bij verweerder een vergunning, als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Woningwet (oud), aangevraagd voor het vernieuwen en veranderen van de Fransche Molen en bijgebouw en het plaatsen van een berging op het perceel, kadastraal bekend gemeente Valkenburg, sectie A, nr. 2986, plaatselijk bekend Lindenlaan 32 te Valkenburg.

Bij het thans bestreden besluit van 8 maart 2005 (verzonden op 15 maart 2005) heeft verweerder vergunninghoudster de aangevraagde bouwvergunning verleend.

Verzoekster heeft zich met dat besluit niet kunnen verenigen, in welk kader zij bij schrijven van 18 maart 2005 van haar gemachtigde -tijdig- bij verweerder bezwaar heeft gemaakt.

Bij -afzonderlijk- schrijven van 18 maart 2005 van haar gemachtigde heeft verzoekster zich tevens tot de voorzieningenrechter van deze rechtbank gewend met het verzoek om ter zake van verweerders besluit van 8 maart 2005 een voorlopige voorziening, als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb, te treffen. Op de daartoe aangevoerde, hieronder nader te duiden, gronden heeft verzoekster de voorzieningenrechter primair verzocht de werking van voornoemd besluit te schorsen en derhalve verweerder te gelasten erop toe te zien dat vergunninghoudster geen enkele bouwactiviteit verricht. Subsidiair heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een zodanige voorlopige voorziening te treffen als hij in goede justitie vermeent dat behoort.

In dit geding dient de voorzieningenrechter een voorlopig oordeel te geven over de vraag of verweerder vergunninghoudster bij het thans bestreden besluit van 8 maart 2005 terecht en op goede gronden een bouwvergunning heeft verleend voor haar, hierboven nader omschreven, bouwplan.

Alvorens de voorzieningenrechter overgaat tot een inhoudelijke beoordeling van deze vraag, zal hij allereerst de namens verzoekster aangevoerde grief van formele aard beoordelen.

Zijdens verzoekster is opgemerkt dat in de publicatie van vergunninghoudsters aanvraag voor de onderhavige bouwvergunning, staat vermeld dat zij vergunning heeft aangevraagd voor het restaureren van de Fransche Molen, terwijl thans vergunning is verleend voor het vernieuwen en veranderen van die molen. Dit gaat, zo is zijdens verzoekster opgemerkt, veel verder dan het restaureren.

De voorzieningenrechter heeft in dit geding de bouwvergunning, zoals die door verweerder is verleend en thans voorligt, te beoordelen. Hetgeen ter zake van de tot die vergunning strekkende aanvraag is gepubliceerd, is in dat kader geenszins van belang. Bovenstaande formele grief van verzoekster treft mitsdien geen doel.

De voorzieningenrechter zal thans overgaan tot de inhoudelijke beoordeling van de in dit geding centraal staande vraag.

Artikel 40, eerste lid, van de Woningwet (oud) bepaalt dat het verboden is te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (bouwvergunning).

Artikel 44, eerste lid, van de Woningwet (oud) bepaalt dat de reguliere bouwvergunning slechts mag en moet worden geweigerd, indien:

a. het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, niet voldoet aan -zakelijk weergegeven- het bouwbesluit;

b. het bouwen niet voldoet aan -voor zover thans van belang- de bouwverordening;

c. het bouwen in strijd is met een bestemmingsplan of met de eisen die krachtens zondanig plan zijn gesteld;

d. het uiterlijk of de plaatsing van een bouwwerk, waarop de aanvraag betrekking heeft, in strijd is met -zakelijk weergegeven- de redelijke eisen van welstand;

e. voor het bouwen een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend.

Zijdens verzoekster is aangevoerd dat de thans ter beoordeling voorliggende bouwvergunning is afgegeven in strijd met een of meerdere bepalingen van de bouwverordening en de aanverwante regelgeving, alsmede het bouwbesluit. In dat kader is zijdens verzoekster aangevoerd dat zij volledig in het ongewisse is gelaten voor wat betreft de vraag welke bescheiden ten grondslag liggen aan de bouwvergunningsaanvraag. Omdat verweerder uitgebreid met verzoekster heeft gesproken en gediscussieerd in deze kwestie, had het volgens verzoekster op de weg van verweerder gelegen om haar over die bescheiden te informeren.

Nu verzoekster niet heeft aangegeven met welke artikelen uit de bouwverordening en/of het bouwbesluit het onderhavige bouwplan in strijd is, zal de voorzieningenrechter bij de beoordeling van dit geding voorbijgaan aan het hierboven nader omschreven standpunt van verzoekster.

Voorts heeft verzoekster aangevoerd dat het onderhavige bouwplan van vergunninghoudster niet voldoet aan de bepalingen van het ter plaatse vigerende bestemmingsplan. In dat kader heeft verzoekster aangevoerd dat een functiewijziging van het bestaande schuurgebouw in een woonfunctie aan de orde respectievelijk de bedoeling is, terwijl laatstgenoemde functie ingevolge vorenbedoeld bestemmingsplan ter plaatse niet is toegestaan.

Het perceel waarop het onderhavige bouwplan van vergunninghoudster is voorzien, is gelegen binnen het ter plaatse vigerende bestemmingsplan ‘Kern Valkenburg’, welk plan bij besluit van 29 januari 1996 van de raad van verweerders gemeente is vastgesteld en bij besluit van 17 september 1996 van gedeputeerde staten van Limburg -deels- is goedgekeurd.

Blijkens de bij dat bestemmingsplan behorende plankaart rusten op vorenbedoeld perceel de bestemmingen ‘Centrumdoeleinden’, waarop artikel 6 van de bij voornoemd bestemmingsplan behorende planvoorschriften betrekking heeft, en ‘Gemengde doeleinden’, waarop artikel 7 van die planvoorschriften betrekking heeft.

Ingevolge het eerste lid van voornoemde artikelen zijn de als centrumdoeleinden respectievelijk gemengde doeleinden aangegeven gronden bestemd voor woondoeleinden. Voorts is in dat lid aangegeven dat in bijlage 2 van die planvoorschriften een schema met toegelaten functies is opgenomen, onderverdeeld in 7 zones, waarvan de zones 1 t/m 4 in centrumdoeleinden vallen en de zones 5 t/m 7 in gemengde doeleinden. Dat schema dient in acht te worden genomen. De bestemming woondoeleinden is, blijkens voornoemde bepalingen, toegestaan met inachtneming van dat schema.

Blijkens meergenoemd schema zijn -voor zover thans van belang- in zone 4 geen woondoeleinden toegestaan op de begane grond en is die bestemming op de verdieping rechtstreeks toegestaan.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de bij het ter plaatse vigerende bestemmingsplan ‘Kern Valkenburg’ behorende planvoorschriften is het verboden gronden begrepen in dit plan te gebruiken, te doen of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de gegeven bestemmingen.

In artikel 25, eerste lid, van de bij meergenoemd bestemmingsplan behorende planvoorschriften is bepaald dat indien ten tijde van het van kracht worden van het plan gronden en opstallen worden gebruikt in afwijking van het plan, dat gebruik mag worden voortgezet.

Uit de, bij de thans ter beoordeling voorliggende bouwvergunning behorende, bouwtekeningen blijkt dat het onderhavige bouwplan van vergunninghoudster voorziet in het realiseren van woonruimte op de begane grond van het molengebouw, voorzover gelegen achter de molen. Op tekening 025 is die woonruimte ‘woning 1’ genoemd.

Ter zitting is gebleken dat op het achterste gedeelte van de te realiseren woonruimte op de begane grond van het molengebouw, welk gedeelte is gelegen tussen het verlengde van de lange zijden van de schuur, de bestemming ‘Gemengde doeleinden’ rust en dat op het resterende gedeelte van het molengebouw de bestemming ‘Centrumdoeleinden’ rust. Voorts is ter zitting gebleken dat aan het gedeelte van het molengebouw waarop de bestemming ‘Centrumdoeleinden’ rust, zone 4 is toegekend en dat het gedeelte waarop de bestemming ‘Gemengde doeleinden’ rust, niet is gezoneerd.

Uit het vorenstaande blijkt dat het thans ter beoordeling voorliggende bouwplan van vergunninghoudster voorziet in het op de begane grond realiseren van woonruimte in een, tot ‘Centrumdoeleinden’ bestemd, gedeelte van het molengebouw. Blijkens het schema met toegelaten functies, zoals opgenomen in bijlage 2 bij de bij het ter plaatse vigerende bestemmingsplan behorende planvoorschriften, zijn woondoeleinden in zone 4 niet op de begane grond toegestaan. Het onderhavige bouwplan van vergunninghoudster is -naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter- dan ook op dat punt in strijd is met het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van de bij het ter plaatse vigerende bestemmingsplan ‘Kern Valkenburg’ behorende planvoorschriften.

Verweerder heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het gebruik van het bij bouwtekening 025 tot ‘woning 1’ bestemde gedeelte van het molengebouw voor woondoeleinden, valt onder de in artikel 25, eerste lid, van de bij het ter plaatse vigerende bestemmingsplan ‘Kern Valkenburg’ behorende planvoorschriften opgenomen overgangsbepalingen met betrekking tot het gebruik van gronden en opstallen. In dat kader heeft verweerder aangevoerd dat meergenoemd gedeelte van het molengebouw ten tijde van het van kracht worden van voornoemd bestemmingsplan als molenaarswoning werd gebruikt.

Zijdens vergunninghoudster is ter zake aangevoerd dat er in het bij bouwtekening 025 tot ‘woning 1’ bestemde gedeelte van het molengebouw een keuken aanwezig was en dat er zich in dat gedeelte tevens een schouw bevond. Volgens vergunninghoudster is meerbedoeld gedeelte een echte woning geweest; zij weet echter niet hoe lang die woning al leeg stond toen zij de Fransche Molen kocht.

Daartegenover is zijdens verzoekster aangevoerd dat het bij bouwtekening 025 tot ‘woning 1’ bestemde gedeelte van het molengebouw, het laatst als wijnhandel is gebruikt.

Uit het vorenstaande blijkt dat partijen van mening verschillen over de vraag waarvoor het bij bouwtekening 025 tot ‘woning 1’ bestemde gedeelte van het molengebouw ten tijde van het van kracht worden van het ter plaatse vigerende bestemmingsplan ‘Kern Valkenburg’ werd gebruikt. In dit geding kan derhalve niet worden vastgesteld of het gebruik van dat gedeelte voor woondoeleinden onder de overgangsbepalingen van dat bestemmingsplan valt. Bij het nemen van zijn beslissing op het namens verzoekster ingediende bezwaarschrift tegen het thans bestreden besluit van 8 maart 2005, dient verweerder dan ook nader onderzoek te verrichten omtrent die vraag.

Zijdens verzoekster is voorts ter zitting gesteld dat de onderhavige bouwvergunning is verleend in strijd met de eerder verleende monumentenvergunning en de Monumentenwet 1988. Ter staving van deze stelling heeft verzoekster aangevoerd dat op de tekeningen behorende bij de bouwvergunningsaanvraag aan het molengebouw een enorme erker respectievelijk balkon is ingetekend, hetgeen echter niet is aangegeven op de tekening behorende bij de monumentenvergunning. De onderhavige bouwvergunning is, zo concludeert verzoekster, dan ook verleend in strijd met artikel 44, sub e, van de Woningwet (oud).

Ter zitting heeft de voorzieningenrechter, bij vergelijking van de hierboven nader genoemde tekeningen, geconstateerd dat, zoals verzoekster heeft gesteld, die tekeningen van elkaar afwijken. Nu artikel 44, sub e, van de Woningwet (oud) slechts de eis stelt dat een volgens de Monumentenwet 1988 vereiste vergunning is verleend en daaraan in het onderhavige geval is voldaan, levert bovenomschreven afwijking -naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter- geen weigeringsgrond op voor de door verzoekster ten behoeve van het onderhavige bouwplan aangevraagde bouwvergunning.

In artikel 54, eerste lid, van de Woningwet (oud) is echter wel bepaald dat burgemeester en wethouders in afwijking van artikel 46, eerste lid, van de Woningwet (oud) de beslissing omtrent een aanvraag om bouwvergunning aanhouden, indien voor het bouwwerk een vergunning als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 is vereist.

Ingevolge artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning:

a. een beschermd monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;

b. een beschermd monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

Zoals reeds is overwogen, is bij de tekeningen behorende bij de onderhavige bouwvergunning, anders dan bij de tekeningen behorende bij de verleende monumentenvergunning, voorzien in het realiseren van een erker respectievelijk balkon aan het molengebouw. Die erker respectievelijk dat balkon is voorzien op de eerste etage van het molengebouw en boven de, aan de, vanaf de Lindenlaan gezien, linker zijkant van dat gebouw stromende, Geul.

Gelet op het bepaalde in artikel 11, tweede lid, van de Monumentenwet 1988 acht de voorzieningenrechter het voorshands voldoende aannemelijk dat voor het realiseren van de bij de tekeningen behorende bij de bouwvergunning voorziene erker respectievelijk balkon, een monumentenvergunning vereist is. Nu thans geen monumentenvergunning voorhanden is die (eveneens) betrekking heeft op de realisatie van de erker respectievelijk het balkon, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat verweerder de beslissing omtrent de aanvraag om de onderhavige bouwvergunning op grond van artikel 54, eerste lid, van de Woningwet (oud) had dienen aan te houden.

De voorzieningenrechter komt op grond van al hetgeen hij hiervoor heeft overwogen tot de

-voorlopige- conclusie dat in het onderhavige geval niet duidelijk is of het gebruik van het bij bouwtekening 025 als ‘woonruimte 1’ bestemde gedeelte van het molengebouw voor woondoeleinden onder het overgangsrecht van het ter plaatse vigerende bestemmingsplan ‘Kern Valkenburg’ valt. Voorts komt de voorzieningenrechter tot de -voorshandse- conclusie dat verweerder de aanvraag voor de onderhavige bouwvergunning op grond van artikel 54, eerste lid, van de Woningwet (oud) had dienen aan te houden. De voorzieningenrechter ziet in deze omstandigheden voldoende aanleiding om het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening toe te wijzen, in dier voege dat het thans bestreden besluit van 8 maart 2005 wordt geschorst.

Nu het thans bestreden besluit van 8 maart 2005 vanwege het vorenstaande wordt geschorst, behoeft hetgeen overigens zijdens verzoekster is aangevoerd in dit geding geen bespreking.

De voorzieningenrechter acht termen aanwezig om verweerder op grond van artikel 8:84, vierde lid, juncto artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten, die verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening redelijkerwijs heeft moeten maken.

Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna te noemen: het Bpb). De voorzieningenrechter kent terzake twee punten met elk een waarde van € 322,-- toe voor de indiening van het verzoekschrift en het verschijnen ter zitting. Het gewicht van de zaak wordt, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, bepaald op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x € 322,-- x 1 = € 644,--.

Van andere, ingevolge het Bpb, voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijdens verzoeksters is de voorzieningenrechter niet gebleken.

Gelet op het vorenoverwogene en gelet op het bepaalde in artikel 8:82, vierde lid, van de Awb dient de gemeente Valkenburg aan de Geul de zijdens verzoekster voor het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening betaalde griffierecht, zijnde € 276,--, volledig te vergoeden.

Op grond van de artikelen 8:70, 8:72, 8:74, 8:75, 8:82, 8:84 en 8:85 van de Awb wordt mitsdien als volgt beslist.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht:

- wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb toe, in dier voege dat verweerders besluit van 8 maart 2005 wordt geschorst;

- veroordeelt verweerder in de aan de zijde van verzoekster redelijkerwijs gemaakt proceskosten ten bedrage van € 644,-- (wegens de kosten van rechtsbijstand), te vergoeden door de gemeente Valkenburg aan de Geul aan verzoekster;

- bepaalt dat de gemeente Valkenburg aan de Geul aan verzoekster het door haar voor de onderhavige procedure gestorte griffierecht ten bedrage van € 276,-- volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. J.N.F. Sleddens, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.L. Devoi als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 april 2005 door mr. Sleddens voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. J. Devoi w.g. J. Sleddens

Voor eensluidend afschrift,

de wnd. griffier,

Verzonden op:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.