Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2005:AT5956

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
11-05-2005
Datum publicatie
20-05-2005
Zaaknummer
97470 - HA ZA 04-1176
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vader misbruikt dochter sexueel vanaf haar 8ste jaar tot haar 26ste jaar; € 20.000,-- immateriële schadevergoeding.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3
Burgerlijk Wetboek Boek 3 310
Burgerlijk Wetboek Boek 3 317
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2005/61
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak : 11 mei 2005

Zaaknummer : 97470 / HA ZA 04-1176

De meervoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen

inzake

[Naam eiseres],

wonende te Maastricht,

eiseres,

procureur mr. J.H.J. Köhlen; (voorwaardelijke toevoeging)

tegen:

[Naam gedaagde],

wonende te 3620 Lanaken België),

gedaagde,

procureur mr. J.J.H.S. Thomassen. (voorwaardelijke toevoeging)

1. Het verloop van de procedure

Eiseres heeft gedaagde gedagvaard voor deze rechtbank en gesteld en geconcludeerd als in die dagvaarding vermeld. Bij die dagvaarding zijn producties overgelegd. Gedaagde heeft daarna geantwoord. Op de voet van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een comparitie na antwoord gelast. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt. Ten slotte hebben beide partijen vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is bij vervroeging bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 Eiseres heeft het volgende gesteld. Gedaagde is vader van eiseres (geboren op 3 december 1974) en heeft haar vanaf ongeveer 5-jarige leeftijd veelvuldig seksueel misbruikt. In 1990 is het misbruik aan het licht gekomen. In de periode 1990-1993 en de perioden 1 januari 1995 tot 31 december 2000 heeft gedaagde eiseres eveneens seksueel misbruikt. Tengevolge van het misbruik ondervindt eiseres thans nog dagelijks leed en heeft eiseres lichamelijke en psychische schade opgelopen. Op grond van het bovenstaande stelt eiseres dat gedaagde haar heeft aangetast in haar persoonlijke en geestelijke integriteit en aldus een onrechtmatige daad heeft gepleegd. Eiseres vordert dat, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde veroordeeld wordt om aan haar tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen € 20.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover als bedoeld in artikel 6:120 BW, primair: vanaf de dag van verzuim, te weten 1 januari 1980, danwel een zodanig tijdstip als de rechtbank bepaalt, danwel subsidiair: vanaf de dag der dagvaarding tot de dag der algehele voldoening; met veroordeling van gedaagde in de proceskosten.

2.2 Gedaagde heeft de volgende verweren aangevoerd:

1 Gedaagde heeft eiseres niet vanaf het vijfde levensjaar misbruikt, ten tijde van het misbruik was eiseres ouder. Evenzo ontkent gedaagde dat dit misbruik te kwalificeren valt als verkrachting. Hiertoe verwijst gedaagde naar de strafrechtelijke veroordeling.

2 De vordering van eiseres met betrekking tot feiten die begaan zijn in de periode 1979-1995, alsmede de wettelijke rente behorende tot die vordering, is verjaard.

3 Eiseres heeft niet aangetoond dat haar lichamelijke en psychische schade veroorzaakt is door het seksueel misbruik van gedaagde.

4 De hoogte van de vordering is niet onderbouwd en met name gebaseerd op de meest ernstige aantijging verkrachting, waarvan geen sprake was. De schadevergoeding dient daarom beperkt te worden.

3. De beoordeling

3.1.1 Gedaagde heeft een beroep gedaan op verjaring ex art. 3:310 BW. Bij de beoordeling van dit beroep zal de rechtbank

eerst vaststellen van welke feiten uitgegaan dient te worden.

3.1.2 Eiseres is geboren op 3 december 1974. Zij is dus meerderjarig geworden op 3 december 1992.

3.1.3 Gedaagde is bij vonnis van 5 november 2004 onherroepelijk en op tegenspraak veroordeeld voor het in de periode van: 1. 3 december 1986 tot en met 2 december 1990 met iemand die de leeftijd van 12 jaren maar nog niet die van 16 jaren

heeft bereikt, buiten echt, vleselijke gemeenschap hebben, meermalen gepleegd (overtreding van art. 245 Sr);

2. 1 september 1982 tot en met 2 december 1990 ontucht plegen met zijn minderjarig kind, meermalen gepleegd

(overtreding van art 249 Sr);

3. 1 januari 1995 tot en met 31 december 2000 feitelijk aanranden van de eerbaarheid, meermalen gepleegd (overtreding van art 246 Sr).

3.1.4 Bij al deze feiten was eiseres het slachtoffer. Eiseres heeft, gelet op hetgeen in de dagvaarding onder meer onder 13 en 14 is vermeld, in elk geval deze feiten en kwalificaties aan haar vordering ten grondslag gelegd. Daar waar gedaagde onder 4 antwoord stelt dat eiseres schadevergoeding vordert voor de feiten gepleegd in de periode 1979 tot en met 1995 faalt deze stelling dan ook.

3.1.5 Bij antwoord heeft gedaagde de hiervoor onder 3.1.3 genoemde feiten niet, in elk geval niet voldoende gemotiveerd, betwist. Daar waar gedaagde vervolgens tijdens de comparitie pas voor het eerst heeft gesteld dat hij alleen de feiten in de periode tussen 1982 en 1990 erkent, is deze stelling te laat betrokken zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat. De rechtbank gaat verder ook aan deze stelling voorbij omdat, gelet op het onherroepelijke, op tegenspraak gewezen strafvonnis tegen gedaagde bezien in het licht van art. 161 Rv en met inachtneming van art. 128, lid 2 Rv, het kale bewijsaanbod van gedaagde (hij biedt “... nadrukkelijk bewijs aan van al zijn stellingen met alle middelen rechtens, meer in het bijzonder middels getuigen en bescheiden, ...”), onvoldoende is om te worden aangenomen. Met name de combinatie van art. 161 Rv en art. 128, lid 2 Rv brengt met zich dat de regel die de Hoge Raad terzake het aanbod van tegenbewijs heeft geformuleerd (zie o.a. HR, NJ 2005, 78) niet van toepassing is.

3.1.6 Eiseres heeft onweersproken gesteld dat zij tot medio 1992 thuis heeft gewoond, vervolgens heeft zij in de periode medio 1992 tot februari 1995 met haar man zelfstandig gewoond en in de periode februari 1995 tot december 1995 heeft zij weer bij haar vader in huis gewoond. De rechtbank neemt aan dat zij met “medio 1992” bedoeld “omstreeks juli 1992”. Zij heeft dus het ouderlijk huis verlaten net voordat zij op 3 december 1992 18 jaar oud, en daarmee meerderjarig, werd. Voorzover gedaagde heeft willen stellen dat op de dag dat eiseres het huis verliet, de vijf-jarige verjaringstermijn van art. 3:310 BW is gaan lopen, verwerpt de rechtbank deze stelling. Uit het door eiseres gestelde vloeit namelijk voort dat zij binnen 5 jaar na het verdwijnen van de omstandigheden die het eerder te gelden maken van de vordering hebben verhinderd, de onderhavige vordering heeft ingesteld (zie HR, 23 oktober 1998, NJ 2000, 15). De rechtbank wijst hierbij met name op de volgende twee feiten. Ten eerste heeft eiseres kennelijk zodanig onder invloed van het gebeuren gestaan dat zij zelfs na een ruime periode van zelfstandig leven tot februari 1995 weer bij gedaagde heeft gewoond in de periode van februari 1995 tot december 1995 terwijl die omgeving, objectief gezien, voor haar toch geen “beschermende omgeving” genoemd kan worden. Ten tweede is hierbij relevant dat gedaagde, blijkens het hiervoor onder 3.1.3 sub 3 genoemde feit, eiseres ook in de periodes dat zij zelfstandig woonde, niet met rust heeft gelaten.

Al met al komt de rechtbank dan ook tot de conclusie dat eiseres niet eerder dan omstreeks januari 2001 (toen feit 3 zoals hiervoor onder 3.1.3 vermeld tot een einde kwam), daadwerkelijk in staat is geweest om een rechtsvordering in te stellen. Daar waar de dagvaarding is betekend op 29 oktober 2004 is geen enkel feit van de hiervoor onder 3.1.3 vermelde feiten verjaard op grond van de 5-jarige verjaringstermijn van art. 3:310 BW. De problematiek van art. 3:310, lid 4 BW kan hiermee in het midden worden gelaten.

3.1.7 Voorzover gedaagde zich heeft beroepen op de 20-jarige verjaringstermijn van art. 3:310 BW geldt het volgende. Dit beroep kan alleen maar betrekking hebben op hetgeen hiervoor onder 3.1.3 als feit 2 is vermeld. Gedaagde heeft feit 2 gepleegd vanaf 1 september 1982. Dit feit is dus niet verjaard voorzover en indien de verjaring voor 1 september 2002 is gestuit. Eiseres heeft, onder andere, overgelegd een door de politie afgenomen verhoor van gedaagde gehouden op 13 november 2002. Tijdens dit verhoor heeft gedaagde verklaard dat hij een brief van eiseres heeft ontvangen. Niet duidelijk is wanneer hij deze brief heeft ontvangen. Eiseres heeft, blijkens het door haar overgelegde verhoor van haar door de politie op 19 september 2002, vóór het tijdstip van haar verhoor reeds een lange brief aan haar vader verzonden en de rechtbank neemt aan, nu niet anders is gesteld of gebleken, dat dit de brief is die eiseres aan gedaagde heeft verstuurd. Deze brief is eveneens overgelegd en daarin is onder meer opgenomen “Wat er nu verder allemaal moet en zal gaan gebeuren zijn mijn beslissingen en als dat u zal schaden, dan is dat uw eigen schuld ...” en “Ik hoop dat deze verklaring ... genoeg zal zijn voor een vervolging van mijn vader ...”. De rechtbank beschouwt deze uitlatingen als een mededeling waarin de schuldeiser zich ondubbelzinnig zijn recht op nakoming voorbehoudt in de zin van art. 3:317 BW. Daar waar het gedaagde is die een beroep doet op verjaring, is het aan hem om duidelijke feiten te stellen. Nu hij niet heeft gesteld dat de betreffende brief hem na 1 september 2002 heeft bereikt, verwerpt de rechtbank ook het beroep op de 20-jarige verjaringstermijn.

3.2 De aard en inhoud van de psychische klachten van eiseres (onder andere angst om te douchen, moeite met lichamelijk contact in het algemeen en nachtmerries waarbij ze het misbruik opnieuw beleeft) zijn zodanig dat zij direct te relateren zijn aan het seksueel misbruik door gedaagde. Een deskundigenrapport om de causaliteit tussen deze psychische klachten en het misbruik aan te tonen is in deze dan ook niet nodig. (vergelijk Hof Amsterdam, 22 december 1988, NJ 1990/85). De rechtbank laat dan nog daar dat gedaagde, gelet op de hiervoor als vaststaand aangenomen feiten, niet, dan wel onvoldoende het ontbreken van causaliteit gemotiveerd heeft. Het derde verweer dient dus verworpen te worden.

3.3 Gedaagde stelt dat de vordering niet onderbouwd is en dat deze dientengevolge gematigd dient te worden. Het verweer dient te worden verworpen. Eiseres heeft een veelheid aan omstandigheden alsmede psychische klachten naar voren gebracht. Eiseres heeft een constant opgejaagd gevoel, heeft moeite met douchen, slikt antidepressiva, wordt nog steeds begeleid door Maatschappelijk Werk, heeft meerdere pogingen gedaan zichzelf van het leven te beroven, heeft veel mislukte relaties achter de rug, schaamt zich voor haar eigen lichaam, heeft een onvermogen om lichamelijk contact met mannen te verduren, heeft veelvuldig last gehad van nachtmerries en seksueel contact gaat nog immer gepaard met een ellendig gevoel. Daarnaast werkt het verleden van eiseres door in haar relatie ten opzichte van haar kinderen. Zo laat ze de kinderen niet alleen logeren, durft ze haar huidige partner niet alleen te laten bij de kinderen en heeft ze er veel moeite mee als haar partner de kinderen naar bed brengt. Daar komt bij dat het seksueel misbruik plaatsvond van 1982 tot 2000, gedurende twee lange periodes die gezamenlijk meer dan 13 jaar duurden. Deze omstandigheden rechtvaardigen dat er een bedrag van € 20.000,- door gedaagde aan eiseres als immateriële schade toegekend wordt.

3.4 Het antwoord op de vraag of er wettelijke rente verschuldigd is over de schadevergoeding voor de gepleegde feiten 1 en 2 zoals hiervoor onder 3.1.3 vermeld, dient gegeven te worden met behulp van het oude BW. Er kan dus enkel rente gevorderd worden indien er een ingebrekestelling is verstuurd. Nu pas bij dagvaarding omtrent deze feiten aanspraak is gemaakt op wettelijke rente, is deze toewijsbaar vanaf het moment van dagvaarden.

Met betrekking tot het derde feit is het huidig recht van toepassing en is in een geval als het onderhavige waarbij ingevolge art. 6:83 sub b BW verzuim zonder ingebrekestelling intreedt, wettelijke rente vanaf de pleegdatum verschuldigd. Nu het overgrote deel van de schade voortvloeit uit de feiten 1 en 2 en zodoende wettelijke rente over het overgrote deel van de schade slechts vanaf het moment van dagvaarden toegekend kan worden, en eiseres nagelaten heeft de schade met betrekking tot elk der feiten uit te splitsen, zal de wettelijke rente over de gehele schade worden toegekend vanaf het moment van dagvaarden.

3.5 Al het vorenstaande brengt met zich dat de vordering moet worden toegewezen. Gedaagde dient als de in het ongelijk gestelde partij de kosten van dit geding te dragen.

4. De beslissing

De rechtbank:

veroordeelt gedaagde om aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van kwijting te voldoen de som van € 20.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover als bedoeld in artikel 6:120 BW, vanaf 29 oktober 2004, tot de dag der algehele voldoening

veroordeelt gedaagde in de kosten van de procedure aan de zijde van de eiseres gerezen, tot aan deze uitspraak begroot op € 102,82 aan kosten dagvaarding, €440,- aan vast recht en €1.158,- voor salaris procureur, een en ander te betalen aan de griffier van deze rechtbank op voet van art 243 Rv;;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma, mr. A.S. Arnold en mr. L.J. de Kerpel-van de Poel rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

SJ