Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2005:AT5949

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
11-05-2005
Datum publicatie
20-05-2005
Zaaknummer
100402 - KG ZA 05-107
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

"Overtreding concurrentiebeding?"

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 11 mei 2005

Zaaknummer : 100402 / KG ZA 05-107

De voorzieningenrechter, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende kort gedingvonnis gewezen

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ZUIDSTAETE B.V.,

statutair gevestigd te Maasbracht, kantoor houdende te Maastricht,

eiseres in kort geding,

advocaat mr. H.J. Heynen, kantoor houdende te Venlo,

procureur mr. E.J.J.M. Kneepkens;

tegen:

[Naam gedaagde],

wonende te Ulestraten, gemeente Meerssen,

gedaagde in kort geding,

procureur mr. E.G.W. Hendriks.

1. Het verloop van de procedure

Eiseres, hierna te noemen “Zuidstaete B.V.”, heeft gedaagde, [Naam gedaagde], gedagvaard in kort geding. Op de dienende dag, 18 april 2005, heeft Zuidstaete B.V. gesteld en gevorderd overeenkomstig de inhoud van de dagvaarding, waarna zij haar vordering met verwijzing naar op voorhand toegezonden producties aan de hand van een pleitnota nader heeft doen toelichten.

[Gedaagde] heeft aan de hand van een pleitnota verweer gevoerd, daarbij eveneens verwijzend naar op voorhand toegezonden producties.

Partijen hebben daarna op elkaars stellingen gereageerd.

Ten slotte heeft Zuidstaete B.V. om vonnis verzocht. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 In het kader van een tussen partijen bestaand hebbende arbeidsovereenkomst, is op enig moment een geschil gerezen omtrent de geldigheid van een concurrentiebeding.

Terzake heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank in de procedure met zaaknummer 97712 / KG ZA 04-554 op 5 januari 2005 vonnis gewezen in kort geding.

In het lichaam van dit vonnis is –kort gezegd en voor zover thans van belang – aangegeven dat de voorzieningenrechter er van uit gaat dat de bodemrechter het concurrentiebeding niet teniet zal doen.

Bedoeld concurrentiebeding luidt als volgt.

“15.1 Werknemer zal er zich na beëindiging van het dienstverband gedurende een periode van 3 jaar van dienen te onthouden om ten aanzien van personen, bedrijven of andere instellingen die gedurende het dienstverband van Werknemer een relatie onderhielden met het kantoor van Werkgever, medewerking te verlenen aan het afsluiten, verhogen, omzetten of wijzigen van verzekeringen in de ruimste zin des woords. Tevens is het Werknemer verboden verzekeringen over te schrijven dan wel daaraan mee te werken van de agentschappen van Werkgever naar een ander agentschap, respectievelijk het overgaan van bedoelde relaties naar een ander kantoor. Werknemer dient zich in het algemeen te onthouden van iedere activiteit die de relatie tussen Werkgever en zijn cliënten in negatieve zin zou kunnen beïnvloeden.

15.2 Voorts is het Werknemer na vertrek uit dienst van Werkgever niet toegestaan binnen een periode van 3 jaar, te rekenen vanaf de datum van vertrek van Werknemer, zich te vestigen als assurantietussenpersoon of makelaar, dan wel in welke hoedanigheid ook assurantiebemiddeling te bedrijven in de ruimste zin des woords binnen een straal van 30 kilometer, te rekenen vanaf de grenzen van de gemeente waarin het kantoor van Werkgever ten tijde van het vertrek van Werknemer feitelijk gevestigd is.

15.3 Bij overtreding van een van de bovengenoemde verboden verbeurt de Werknemer een onmiddellijk opeisbare boete ter grootte van vijfmaal de jaarlijkse voor Werkgever uit de betreffende verzekering(en) voortvloeiende provisie met een minimum van f. 15.000,00 per overtreding alsmede f. 10.000,00 voor elke dag dat de overtreding voortduurt, onverminderd de overige aan de Werkgever toekomende vorderingen, waaronder begrepen het recht op volledige schadevergoeding.”

Het dictum van het hiervoor genoemde vonnis luidt, voor zover thans van belang, als volgt:

“beveelt dat [Gedaagde] zich vanaf het moment van betekening van dit vonnis zal dienen te onthouden van alle concurrerende activiteiten jegens Zuidstaete (in de ruimste zin des woords) voor zover deze plaatsvinden binnen een straal van 30 kilometer te rekenen vanuit Stein;”

In rechtsoverweging 3.6 van voormeld vonnis heeft de voorzieningenrechter aangegeven geen aanleiding te zien de door Zuidstaete B.V. gevorderde dwangsom toe te wijzen, nu het concurrentiebeding daarvoor een voorziening in de vorm van een hoge boetebepaling bevat.

2.2 [Gedaagde] is tezamen met de heer [N.] een assurantiekantoor gestart te Roermond, genaamd “[Naam] Assurantiën & Advies V.O.F.”. De broer van [N.], zijnde de heer H. [N.], met wie [N.] en [Gedaagde] voornemens waren samen te werken in Stein, is in het voormalige pand van Zuidstaete B.V. te Stein gestart met een assurantiekantoor genaamd “[N.] Assurantiën & Advies”.

2.3 Zuidstaete B.V. stelt –kort samengevat en voor zover thans van belang- het volgende.

2.3.1 Tussen voormelde kantoren vindt samenwerking plaats. Hoewel het [Gedaagde] is toegestaan een assurantiekantoor te Roermond te starten, is het hem niet toegestaan vanuit Roermond werkzaamheden te verrichten binnen genoemde straal van 30 kilometer vanuit Stein. Zou dit anders zijn, dan zou een concurrentiebeding de facto van geen waarde zijn, nu dit gemakkelijk omzeild zou kunnen worden.

2.3.2 Zuidstaete B.V. heeft inmiddels diverse mutatiewijzigingen (poliswijzigingen) ontvangen waaruit volgt dat in ieder geval vier klanten van haar zijn overgestapt naar het kantoor van [Gedaagde] en [N.] te Roermond dan wel te Stein.

Op een deel van de mutatieformulieren staat bij het kantoor te Stein vermeld: “[Naam]”. Uit de als productie 4 door Zuidstaete in het geding gebrachte brief van “Zwitserleven” blijkt eveneens dat [Gedaagde] betrokken is bij het kantoor in Stein. De vestiging in Roermond lijkt daarmee een papieren vestiging te zijn. Op die manier wordt getracht te maskeren dat [Gedaagde] zijn oorspronkelijke plannen, namelijk het openen van een kantoor in Stein, gewoon heeft doorgedrukt.

2.3.3 Volgens het op 5 januari 2005 gewezen vonnis zijn alle concurrerende activiteiten in de ruimste zin des woords niet toegestaan. Zowel directe als indirecte concurrentie mag derhalve niet plaatsvinden binnen een straal van 30 kilometer vanaf Stein. Onder indirecte concurrentie wordt in dit kader mede verstaan het (passief) meewerken aan het oversluiten van polissen.

Door klanten te benaderen binnen de verboden straal, dan wel klanten woonachtig binnen bedoelde straal te faciliteren hun verzekeringen bij [Gedaagde] onder te brengen, handelt laatstgenoemde in strijd met het concurrentiebeding en het gewezen vonnis.

2.3.4.1 Gelet hierop, heeft [Gedaagde] de boetes zoals opgenomen in het concurrentiebeding verbeurd. Voor deze boetes heeft Zuidstaete B.V. nog geen executoriale titel. Deze wenst zij alsnog te verkrijgen. Zowel voor de inmiddels verbeurde boetes als voor de nog te verbeuren boetes.

2.3.4.2 Zuidstaete B.V. merkt op dat de in het concurrentiebeding opgenomen boetes aan de forse kant zijn, hetgeen ook de voorzieningenrechter in het vonnis van 5 januari 2005 heeft opgemerkt. Zuidstaete B.V. is dan ook bereid eenzijdig de boete te matigen tot € 5.000,- per overtreding en € 1.000,- voor iedere dag dat de overtreding voortduurt. Per 6 april 2005 bedragen de verbeurde boetes in totaal € 20.000,- (4 x € 5.000,-).

2.3.5 Zuidstaete B.V. heeft een spoedeisend belang bij na te melden vorderingen.

2.4 Op grond van het vorenstaande heeft Zuidstaete B.V. gevorderd dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1. [Gedaagde] gelet op de overtreding van het geldende concurrentiebeding respectievelijk het vonnis van de voorzieningenrechter veroordeelt tot betaling van een bedrag aan verbeurde boetes, gerekend tot en met 6 april 2005 van

€ 20.000,-;

2. [Gedaagde] veroordeelt tot betaling van een boete van € 5.000,- per overtreding en € 1.000,- voor iedere dag dat de overtreding van het tussen partijen bestaande concurrentiebeding respectievelijk het door de voorzieningenrechter gewezen vonnis voortduurt, doch uiterlijk tot 1 januari 2008, zijnde de einddatum van het concurrentiebeding;

3. [Gedaagde] veroordeelt in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze kosten vanaf twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis.

2.5 De vorderingen worden door [Gedaagde] weersproken, waartoe wordt verwezen naar de ter terechtzitting voorgedragen, en nadien aan de stukken toegevoegde, pleitnota.

Op het verweer zal, voor zover van belang, hierna worden ingegaan.

3. De beoordeling

3.1 De voorzieningenrechter acht voldoende spoedeisend belang bij het gevorderde gegeven.

Overigens is het door Zuidstaete B.V. gestelde spoedeisend belang niet door [Gedaagde] betwist.

3.2 [Gedaagde] heeft primair ten verwere aangevoerd dat Zuidstaete B.V. niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering omdat de voorzieningenrechter in haar vonnis d.d. 5 januari 2005 heeft beslist dat het concurrentiebeding reeds voorziet in een boetebepaling.

De voorzieningenrechter kan [Gedaagde] in de daaraan ten grondslag liggende redenering zoals nader weergegeven in alinea drie van pagina 1 van diens pleitnota, niet volgen. Het kort geding vonnis van 5 januari 2005 levert, anders dan [Gedaagde] kennelijk meent, geen executoriale titel op voor het incasseren van bedoelde boetes. Gelet hierop kan dit verweer niet slagen.

3.3 Het verweer van [Gedaagde] dat het door Zuidstaete B.V. onder 1 van het petitum gevorderde de facto ziet op een verklaring voor recht en om die reden niet kan worden toegewezen, slaagt evenmin.

Ter terechtzitting heeft Zuidstaete B.V. te kennen gegeven geen verklaring voor recht te vorderen, doch (onder meer) toewijzing van een bedrag van € 20.000,- aan beweerdelijk verbeurde boetes. Ook de voorzieningenrechter begrijpt dat de in het petitum van de dagvaarding onder 1 vermelde zinsnede “gelet op de overtreding van het geldende concurrentiebeding respectievelijk het vonnis van de voorzieningenrechter”, enkel dient te worden beschouwd als een toelichting op de vordering tot inning van de beweerdelijk verbeurde boetes. Voor toewijzing van die boetes dient Zuidstaete B.V. aannemelijk te maken dat [Gedaagde] het vonnis van de voorzieningenrechter, geplaatst in het licht van het geldende concurrentiebeding, niet heeft nageleefd.

3.4 De voorzieningenrechter stelt voorop dat het eerder gewezen kort geding vonnis d.d. 5 januari 2005 als uitgangspunt heeft te gelden voor wat betreft de vraag of tussen partijen een concurrentiebeding geldt.

Gelet hierop kunnen de verweren van [Gedaagde] die zien op het wederom aan de orde stellen van voormelde vraag, niet slagen.

3.5 De kernvraag in onderhavige zaak is of aannemelijk is dat [Gedaagde] heeft gehandeld in strijd met het kort geding vonnis d.d. 5 januari 2005, waarbij de voorzieningenrechter oordeelt dat het vonnis dient te worden bezien in het licht van het geldende concurrentiebeding. Te dien aanzien oordeelt de voorzieningenrechter als volgt.

3.5.1 Gelet op de bewoordingen van het dictum van het vonnis van 5 januari 2005, namelijk “in de ruimste zin des woords”, alsmede gelet op de bewoordingen waarin het concurrentiebeding is gesteld, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat zowel directe als indirecte concurrentie binnen een straal van 30 kilometer van Stein niet is toegestaan voor wat betreft (oud-)klanten van Zuidstaete B.V. die gedurende het dienstverband van [Gedaagde] een relatie onderhielden met Zuidstaete B.V. Anders gezegd: zowel het actief werven van (oud-)klanten van Zuidstaete B.V. binnen voormelde straal, alsook het accepteren/bedienen van (oud-)klanten van Zuidstaete B.V., woonachtig of gevestigd binnen die straal, is niet toegestaan.

3.5.2 De voorzieningenrechter zal thans voor ieder van de volgens Zuidstaete B.V. overgestapte klanten naar [Gedaagde] of naar, zo begrijpt de voorzieningenrechter, “[N.] assurantiën & advies” te Stein door middel van [Gedaagde], beoordelen of aannemelijk is dat er sprake is van directe of indirecte concurrentie zoals hiervoor bij 3.5.1 weergegeven.

Het betreffen [P., P., M., T.]

3.5.2.1 [P. en P.]

Nu door [Gedaagde] niet is betwist dat deze personen naar zijn kantoor “[Naam] Assurantiën & Advies V.O.F.” te Roermond zijn overgestapt, kan dit als vaststaand worden aangenomen.

Terzake het verweer van [Gedaagde] dat deze personen niet van Zuidstaete B.V. afkomstig zijn, althans dat dit onduidelijk is, oordeelt de voorzieningenrechter dat voldoende aannemelijk is dat de in het geding gebrachte intermediairswijzigingen zien op klanten die van Zuidstaete B.V. afkomstig zijn. Door [Gedaagde] is immers niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist dat Zuidstaete B.V. van de betreffende wijzigingen in kennis wordt gesteld en in dat kader de poliswijzigingen ontvangt van ofwel het kantoor waar de verzekering wordt afgesloten ofwel van de verzekeringsmaatschappij, waarbij het naar het oordeel van de voorzieningenrechter onwaarschijnlijk is dat deze ondernemingen intermediairswijzigingen doen toekomen aan een kantoor, in casu Zuidstaete B.V., dat niet de voormalige intermediair is.

[Gedaagde] heeft voor wat betreft deze personen nog ten verwere aangevoerd, en middels schriftelijke verklaringen gestaafd, dat beide personen zich vrijwillig bij hem hebben gemeld en om die reden geen sprake is van overtreding van het vonnis van 5 januari 2005.

Dit verweer strandt reeds op grond van hetgeen hiervoor bij 3.5.1 is weergegeven: het is niet toegestaan om (oud-)klanten van Zuidstaete B.V. te accepteren/bedienen.

Het daarmee samenhangende verweer van [Gedaagde] dat hij niet kan weten wie (oud-)klanten van Zuidstaete B.V. zijn, nu het onmogelijk is om het gehele klantenbestand van Zuidstaete B.V. te kennen, is, zo al juist, een omstandigheid die naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor risico van [Gedaagde] dient te komen. [Gedaagde] mag geen (oud-)klanten van Zuidstaete B.V. werven/accepteren/bedienen. In het verlengde daarvan rust op [Gedaagde] de taak om, in voorkomende gevallen en waar nodig, navraag te doen omtrent de afkomst van de betreffende cliënten om aldus schending van het vonnis d.d. 5 januari 2005 en daarmee schending van het concurrentiebeding, te voorkomen.

Op grond van het vorenstaande is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat [Gedaagde] het vonnis van 5 januari 2005, en daarmee het geldende concurrentiebeding, heeft overtreden voor wat betreft [P. en P.].

3.5.2.2 [M. en T. ]

Voor wat betreft deze (oud-)klanten van Zuidstaete B.V. –voor het verweer van [Gedaagde] dat het geen (oud-)klanten van Zuidstaete B.V. betreft althans dat dit onduidelijk is, zij verwezen naar hetgeen hieromtrent bij 3.5.2.1 is opgemerkt-, acht de voorzieningenrechter het voorshands onvoldoende aannemelijk dat [Gedaagde] het vonnis van 5 januari 2005 en het geldende concurrentiebeding heeft overtreden.

Hoewel een dergelijke overtreding met name gelet op de familierelatie tussen [N.] (partner van [Gedaagde]) en diens broer in het geheel niet valt uit te sluiten, is onduidelijk of [Gedaagde] enige rol heeft gespeeld bij de overstap van deze (oud-)klanten van Zuidstaete B.V. naar het kantoor van H. [N.] te Stein.

De brief van de Zwitserse Maatschappij van Levensverzekering en Lijfrente (productie 4 bij de dagvaarding) is daartoe in ieder geval onvoldoende. Hetzelfde geldt voor het feit dat op enkele poliswijzigingen die als productie 3 zijn overgelegd, handmatig “[Gedaagde]” is bijgeschreven, mede nu onduidelijk is wie deze toevoeging op de poliswijzigingen heeft vermeld.

Alleen een nader onderzoek naar feiten en omstandigheden zou terzake uitsluitsel kunnen bieden. Daarvoor is in het kader van dit kort geding evenwel geen plaats is. Een bodemprocedure is de daartoe geëigende weg.

3.6 Op grond van het vorenstaande zal het gevorderde worden toegewezen voor een bedrag van € 10.000,- zoals nader in het dictum is bepaald en met inachtneming van hetgeen hierna nog nader wordt overwogen.

De voorzieningenrechter begrijpt dat het onder sub 2 gevorderde ziet op toekomstige overtredingen, zodat mede om die reden het onder sub 2 gevorderde zal worden toegewezen vanaf de datum van betekening van dit vonnis. Voor matiging van de onder sub 2 gevorderde bedragen ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding. De bedragen zullen in de vorm van een dwangsom worden toegewezen.

De wettelijke rente over de proceskostenveroordeling zal niet worden toegewezen, nu zulks een toekomstige verplichting zou betreffen waaromtrent gelet op het bepaalde in artikel 3:296 van het Burgerlijk Wetboek geen vordering kan worden ingesteld.

[Gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten.

4. De beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank te Maastricht:

RECHT DOENDE in kort geding:

veroordeelt [Gedaagde] tot betaling van een bedrag aan verbeurde boetes van € 10.000,-;

veroordeelt [Gedaagde] vanaf de datum van betekening van dit vonnis tot betaling van een dwangsom van € 5.000,- per overtreding van het tussen partijen bestaande concurrentiebeding respectievelijk het door de voorzieningenrechter in de procedure met zaaknummer 97712 / KG ZA 04-554 op 5 januari 2005 gewezen vonnis en € 1.000,- voor iedere dag dat die overtreding voortduurt, doch uiterlijk tot 1 januari 2008, zijnde de einddatum van het concurrentiebeding;

veroordeelt [Gedaagde] in de kosten van het geding aan de zijde van Zuidstaete B.V. gerezen, tot aan deze uitspraak begroot op € 71,93 aan kosten dagvaarding, € 440,- aan vast recht en € 816,- voor salaris procureur;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. Bergmans, voorzieningenrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

F.B.