Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2005:AT5396

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
11-05-2005
Datum publicatie
11-05-2005
Zaaknummer
03-700047-05
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt voorop het in artikel 6, derde lid, aanhef en onder d, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) neergelegde recht dat een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld het recht heeft de getuigen à charge te (doen) ondervragen.

De Hoge Raad heeft bepaald dat het gebruik van een ambtsedig proces-verbaal, inhoudende een niet ter terechtzitting afgelegde de verdachte belastende verklaring, niet zonder meer ongeoorloofd en in het bijzonder niet onverenigbaar is met artikel 6, eerste en derde lid, aanhef en onder d van het EVRM. Van ongeoorloofdheid is in ieder geval geen sprake indien weliswaar geen gelegenheid tot het (doen) ondervragen van de getuige heeft plaatsgevonden, maar wanneer de betwiste verklaring in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2005, 309
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Strafrecht

Parketnummer: 03/700047-05

Datum uitspraak: 11 mei 2005

Dit vonnis is naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 27 april 2005 op tegenspraak gewezen door de meervoudige kamer voor strafzaken in de zaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte],

wonende te [adres verdachte],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Zuid Oost, Huis van Bewaring Roermond te Roermond.

De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat

1.

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 april 2004 tot en met 7 januari 2005 in de gemeente Heerlen, althans in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) hoeveelheden of een hoeveelheid van een materiaal bevattende (telkens) cocaine, zijnde cocaine (telkens) een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.

hij, verdachte, in of omstreeks de periode van 1 april 2004 tot en met 7 januari 2005 in de gemeente Heerlen, althans in het arrondissement Maastricht en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) aanwezig heeft gehad, (telkens) hoeveelheden of een hoeveelheid van (telkens) niet meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3.

hij, verdachte, op of omstreeks 8 januari 2005 in de gemeente Heerlen, althans in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, hoeveelheden of een hoeveelheid van een materiaal bevattende (in totaal ongeveer 3,7 gram) cocaine, zijnde cocaine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4.

hij, verdachte, op of omstreeks 8 januari 2005 in de gemeente Heerlen, in elk geval in het arrondissement Maastricht, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 98,7 gram cocaine, in elk geval hoeveelheden of een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaine, zijnde cocaine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

5.

hij, verdachte, op of omstreeks 8 januari 2005 in de gemeente Heerlen een wapen van categorie III onder 1, te weten een revolver, merk Taurus, kaliber .357 Magnum en/of munitie van categorie III, te weten 44 patronen, merk Fiocchi kaliber .357 Magnum, voorhanden heeft gehad.

De vrijspraak

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1 en 2 is ten laste gelegd. De verdachte moet hiervan om hierna te vermelden redenen worden vrijgesproken.

Bewijsverweer

Door de raadsman van de verdachte is het verweer gevoerd, inhoudende zakelijk weergegeven dat ten aanzien van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde de door getuige [X] in het opsporingsonderzoek afgelegde, zijn cliënt belastende verklaring, van gebruik voor het bewijs dient te worden uitgesloten, nu de verklaring van [X] niet voldoet aan de minimale eisen van betrouwbaarheid en de verdediging niet de gelegenheid heeft gehad om het waarheidsgehalte van deze verklaring te kunnen toetsen. Het is immers niet mogelijk gebleken om [X] door de rechter-commissaris te doen horen, noch heeft de officier van justitie die [X] op verzoek van de verdediging als getuige ter terechtzitting opgeroepen. Gelet op het vorenstaande dient de verdachte van het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde te worden vrijgesproken.

De rechtbank stelt voorop het in artikel 6, derde lid, aanhef en onder d, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) neergelegde recht dat een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld het recht heeft de getuigen à charge te (doen) ondervragen.

De Hoge Raad heeft bepaald dat het gebruik van een ambtsedig proces-verbaal, inhoudende een niet ter terechtzitting afgelegde de verdachte belastende verklaring, niet zonder meer ongeoorloofd en in het bijzonder niet onverenigbaar is met artikel 6, eerste en derde lid, aanhef en onder d van het EVRM. Van ongeoorloofdheid is in ieder geval geen sprake indien weliswaar geen gelegenheid tot het (doen) ondervragen van de getuige heeft plaatsgevonden, maar wanneer de betwiste verklaring in voldoende mate steun vindt in andere bewijsmiddelen.

Ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde overweegt de rechtbank dat de getuige [X] weliswaar verklaart over de betrokkenheid van verdachte bij de handel in verdovende middelen, echter de rechtbank gaat aan deze verklaring voorbij, nu voor de waarheid van die verklaring in het dossier geen steun kan worden gevonden. Wellicht ten overvloede overweegt de rechtbank dat indien zij de verklaring van [X] wel voor het bewijs zou mogen bezigen, de overige processtukken onvoldoende wettige bewijsmiddelen bevatten, op grond waarvan de rechtbank de overtuiging kan bekomen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde is de rechtbank van oordeel dat voor de verklaring van [X] in belangrijke mate steun kan worden gevonden in het feit dat er bij de aanhouding van [X] op 8 januari 2005 cocaïne is aangetroffen. Bovendien zijn er in de woning van verdachte op 8 januari 2005 een niet geringe hoeveelheid cocaïne, twee elektronische fijnweegschalen en diverse soorten verpakkingsmateriaal aangetroffen, hetgeen een indicatie voor de handel in verdovende middelen vormt.

De bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat

3.

hij, verdachte, op 8 januari 2005 in de gemeente Heerlen, opzettelijk heeft verkocht hoeveelheden van een materiaal bevattende in totaal ongeveer 3,7 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

4.

hij, verdachte, op 8 januari 2005 in de gemeente Heerlen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 98,7 gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;

5.

hij, verdachte, op 8 januari 2005 in de gemeente Heerlen een wapen van categorie III onder 1, te weten een revolver, merk Taurus, kaliber .357 Magnum en munitie van categorie III, te weten 44 patronen, merk Fiocchi kaliber .357 Magnum, voorhanden heeft gehad.

De bewijsmiddelen

De beslissing van de rechtbank, dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, steunt op de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de daartoe redengevende feiten en omstandigheden.

De kwalificatie

Het bewezenverklaarde levert op strafbare feiten, welke moeten worden gekwalificeerd als volgt:

feit 3:

opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 4:

opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod;

feit 5:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie.

De strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid uitsluit. De verdachte is derhalve strafbaar.

De redengeving van de op te leggen straf en maatregel

De officier van justitie heeft ter terechtzitting gevorderd dat de verdachte ter zake van de feiten 1, 2, 3, 4 en 5 zal worden veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden, met aftrek conform het bepaalde in artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht. Ten aanzien van het inbeslaggenomen geldbedrag heeft de officier van justitie de verbeurdverklaring gevorderd. De inbeslaggenomen verdovende middelen, de revolver, de munitie en de weegschalen dienen volgens de officier van justitie te worden onttrokken aan het verkeer. De foto’s, bankbescheiden, alsmede de agenda kunnen aan de verdachte worden teruggegeven.

De raadsman van verdachte heeft ter zake van de feiten 1, 2 en 3 vrijspraak verzocht en heeft ten aanzien van de feiten 4 en 5 te kennen gegeven zich te zullen refereren aan het oordeel van de rechtbank. De raadsman van verdachte heeft verzocht om in geval van een veroordeling een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De raadsman van verdachte heeft zich verzet tegen de verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geldbedrag.

Mede gelet op hetgeen door de officier van justitie en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht, overweegt de rechtbank in verband met de op te leggen straf en maatregel het volgende.

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf en maatregel gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf welke een geheel onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor de hierna te vermelden duur met zich brengt. Daarbij is rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, alsmede met het belang van een juiste normhandhaving.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten. Verdachte heeft op 8 januari 2005 cocaïne verkocht en opzettelijk in zijn woning aanwezig gehad. Cocaïne is een stof, waarvan het gebruik niet alleen schadelijk is voor de volksgezondheid, maar ook kan leiden tot verslaving. Bovendien gaan verspreiding van en handel in harddrugs direct en indirect gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder ook de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Het onbevoegd voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie en daarmee het ongecontroleerde bezit ervan, zoals voorts bewezen is verklaard, is maatschappelijk onaanvaardbaar vanwege het feit dat deze wapens en munitie doorgaans gebruikt worden ten behoeve van allerlei criminele activiteiten.

De rechtbank heeft voorts rekening gehouden met de omstandigheid dat verdachte blijkens het op zijn naam gestelde uittreksel uit het algemeen documentatieregister d.d. 25 januari 2005, gecontroleerd aan de hand van Compas d.d. 7 april 2005, weliswaar niet eerder in Nederland is veroordeeld, doch blijkens het ‘Zentralregister’ d.d. 31 januari 2005 wel reeds eerder in Duitsland ter zake soortgelijke feiten is veroordeeld.

De in de beslissing als zodanig te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven verdovende middelen, de revolver en de munitie zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet. Bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het voorwerpen zijn met betrekking tot welke het onder 3, 4 en 5 bewezenverklaarde is begaan. Deze voorwerpen zullen aan het verkeer worden onttrokken. Ten aanzien van de in beslag genomen geldbedrag is thans niet duidelijk wie daarop rechthebbende is. Derhalve zal de rechtbank de bewaring daarvan ten behoeve van de rechthebbende gelasten. Ten aanzien van de overige in beslag genomen voorwerpen zal de rechtbank de teruggave aan de verdachte gelasten.

De toepasselijke wettelijke bepalingen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c en 57 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.

DE BESLISSINGEN:

De rechtbank

- verklaart niet wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

- verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 3, 4 en 5 ten laste gelegde, zoals hiervoor is omschreven, heeft begaan;

- verklaart dat het bewezenverklaarde de hiervoor vermelde strafbare feiten oplevert en dat de verdachte strafbaar is;

- veroordeelt de verdachte voor het hiervoor bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de tijd van NEGEN MAANDEN;

- beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de aan veroordeelde opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht;

- verklaart onttrokken aan het verkeer het inbeslaggenomene, te weten:

- 1 zak cocaïne, kleur: beige, inhoud: 98,7 gram;

- 1 zak hennep, kleur: groen, inhoud: 2,9 gram;

- 1 zak verdovende middelen, kleur: wit, inhoud: 12,3 gram op cocaïne gelijkend poeder;

- 1 ongeladen revolver TAURUS BRASIL 5219157, kleur: zilver;

- 44 patronen MAGNUM 357 soft point;

- gelast de teruggave aan [verdachte] voornoemd van het inbeslaggenomene, te weten:

- 1 weegschaal PROSCALE 500, kleur: zwart;

- 1 weegschaal Solo 1621s, kleur: zwart;

- 2 foto's, waarvan 1 is gevoegd bij het proces-verbaal;

- 1 map met bankbescheiden;

- 1 agenda met telefoonnummers, kleur: beige;

- gelast de bewaring ten behoeve van de rechthebbende van het inbeslaggenomen geldbedrag, te weten € 5.600,00.

Dit vonnis is aldus gewezen door mr. M.J.M. Goessen, voorzitter, mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. R. Niessen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. I.H.A. Bijl, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 mei 2005, zijnde mr. H.M.J. Quaedvlieg en mr. R. Niessen buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.