Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2005:AT5286

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
07-04-2005
Datum publicatie
10-05-2005
Zaaknummer
AWB 04/739 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2003 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat verweerder het besluit tot toekenning van eisers uitkering op basis van de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 1 januari 2003 intrekt. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat uit onderzoek is gebleken dat eiser voor de bijstandsverlening van belang zijnde informatie niet heeft verstrekt, waardoor het recht op en de hoogte van de uitkering niet is vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2005, 264
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 04 / 739 WWB

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[A],

wonende te Brunssum, eiser,

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Brunssum,

gevestigd te Brunssum, verweerder.

Datum bestreden besluit: 6 april 2004

Kenmerk: ABZ nr. 04/1561

Behandeling ter zitting: 11 januari 2005

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 6 april 2004 heeft verweerder een namens eiser ingediend bezwaarschrift van 1 maart 2004 tegen een door verweerder genomen besluit van 18 december 2003 ongegrond verklaard.

Bij brief van 17 mei 2004 is tegen eerstgenoemd besluit namens eiser beroep ingesteld door zijn gemachtigde de heer A.J.G. Pierik, werkzaam bij het Centrum InkomensVerwerving en Arbeid te Brunssum.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van eiser gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift d.d. 17 mei 2004.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 11 januari 2005, waar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door voornoemde gemachtigde.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door de heer T.G.J. Ciszko.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

Bij besluit van 18 december 2003 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat verweerder het besluit tot toekenning van eisers uitkering op basis van de Algemene bijstandswet (Abw) met ingang van 1 januari 2003 intrekt. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat uit onderzoek is gebleken dat eiser voor de bijstandsverlening van belang zijnde informatie niet heeft verstrekt, waardoor het recht op en de hoogte van de uitkering niet is vast te stellen. Eiser heeft geen of onvoldoende informatie overgelegd inzake zijn inkomsten uit zijn verschillende werkzaamheden als glazenwasser, als [B] en als oproeper bij het kienen en afhalen/bezorgen bij “Groente en Fruithoekje”. Aan eiser is diverse malen de gelegenheid geboden alsnog verifieerbare gegevens te overleggen, waaruit eventueel recht op (aanvullende) bijstand zou kunnen worden vastgesteld. De door eiser overgelegde gegevens zijn echter niet verifieerbaar en derhalve onvoldoende om het recht op en de hoogte van de uitkering vast te stellen. De bovengenoemde gedraging heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand. Verweerder heeft geen bijzondere omstandigheden en/of dringende redenen geconstateerd die een afwijking hierop mogelijk maken.

Bij brief van 26 januari 2004 is namens eiser tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Eiser is op 22 maart 2004 op zijn bezwaar gehoord.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard. Verweerder handhaaft zijn standpunt dat eiser over de periode van 1 januari 2003 tot 1 september 2003 de op hem ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw rustende inlichtingenplicht heeft geschonden en dat dientengevolge het recht op bijstand over deze periode niet kan worden vastgesteld. Om deze reden heeft verweerder eisers recht op bijstand over genoemde periode met toepassing van artikel 69, derde lid, van de Abw ingetrokken.

Eiser heeft in beroep aangevoerd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat hij onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn financiële situatie gedurende de in geding zijnde periode. Daartoe heeft hij aangevoerd dat hij (alsnog) volledige openheid van zaken heeft gegeven en naar vermogen de genoten inkomsten heeft verwerkt in een kasboek. In dit verband heeft eiser ter zitting voorts aangevoerd dat verweerder zijn standpunt dat het kasboek nog steeds onvoldoende inzicht geeft in zijn financiële situatie, onvoldoende heeft gemotiveerd. Eiser heeft voorts de vraag opgeworpen in hoeverre er sprake is geweest van een onafhankelijke bezwaarprocedure. Tenslotte heeft eiser ter zitting nog aangevoerd dat verweerder eiser ten onrechte niet heeft gewezen op de in artikel 43 van de Abw opgenomen vrijlatingsregeling.

In geding is de vraag of verweerder zich terecht en op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat eiser met betrekking tot de periode van 1 januari 2003 tot 1 september 2003 de in artikel 65, eerste lid, van de Abw opgenomen inlichtingenplicht heeft geschonden en of verweerder op die grond met toepassing van artikel 69, derde lid, van de Abw het recht op bijstand van eiser over deze periode terecht heeft ingetrokken. De rechtbank overweegt als volgt.

De rechtbank is in de eerste plaats van oordeel dat verweerder de intrekking van het recht op bijstand van eiser ten onrechte niet heeft gebaseerd op artikel 54, derde lid, van de Wet werk en bijstand (WWB). Het thans bestreden besluit is immers genomen na de in artikel 1, aanhef en onder b, van de Invoeringswet werk en bijstand (IWWB) bedoelde peildatum

(31 december 2003), terwijl artikel 21, eerste lid, aanhef en onder a, van de IWWB in casu niet van toepassing is, omdat ook het bezwaarschrift na de peildatum is ingediend. De rechtbank overweegt dat ten aanzien van de bepalingen van de WWB betreffende opschorting, herziening, intrekking en terugvordering van bijstand geen specifieke overgangsbepalingen in de IWWB zijn opgenomen, zodat deze bepalingen geacht moeten worden onmiddellijke werking te hebben. In aanmerking genomen dat het regime van de WWB ten aanzien van de genoemde categorieën besluiten alleen in zoverre wezenlijk verschilt van dat van de Abw dat de verplichte toepassing van de betrokken bepalingen is omgezet in een discretionaire bevoegdheid – hetgeen zowel een grotere beleidsvrijheid van het bevoegde bestuursorgaan als een verbetering van de rechtspositie van de bijstandsontvanger impliceert – is de rechtbank van oordeel dat noch de rechtszekerheid noch enige andere rechtsregel zich ertegen verzet om de desbetreffende bepalingen van de WWB ook toe te passen op gevallen – zoals in casu – waarin het recht op bijstand is gebaseerd op de Abw en de inlichtingenplicht van artikel 65 van de Abw is geschonden.

Om deze reden komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank is voorts van oordeel dat, mocht zij van oordeel zijn dat bestreden besluit de rechterlijke toetsing overigens wel kunnen doorstaan, hierin geen aanleiding is gelegen de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten, omdat het door verweerder ten onrechte niet toegepaste artikel 54, derde lid, van de WWB voorziet in een discretionaire bevoegdheid tot intrekking van het recht op bijstand.Toepassing daarvan vergt een belangenafweging en (eventueel) toetsing aan beleid door verweerder, waarop de rechtbank niet vooruit dient te lopen.

Om proceseconomische redenen acht de rechtbank het echter aangewezen zich uit te spreken over de vraag of verweerder in het geval van eiser een juiste toepassing heeft gegeven aan artikel 65 van de Abw.

Naar het oordeel van de rechtbank komt uit de gedingstukken genoegzaam naar voren dat eiser over de periode van 1 januari 2003 tot 1 september 2003 werkzaamheden heeft verricht als glazenwasser en dat eiser hieruit inkomsten heeft verkregen. Voorts is niet in geding dat eiser gedurende deze periode onbetaalde werkzaamheden heeft verricht bij, onder andere, de “Groenten- en Fruithoek” te Brunssum. Voor wat deze laatste werkzaamheden betreft is de rechtbank met verweerder van oordeel dat eiser ook hiervan bij verweerder melding had moeten maken. De rechtbank verwijst in dit verband naar vaste jurisprudentie op grond waarvan bij de beoordeling van de inkomenspositie van de belanghebbende niet alleen het feitelijk ontvangen inkomen in de beschouwing wordt betrokken, maar ook het inkomen waarover de belanghebbende redelijkerwijs kan beschikken.

Uit de zich tot de gedingstukken behorende formulieren rechtmatigheidsonderzoek Abw blijkt dat eiser pas met ingang van juli 2003 melding heeft gemaakt van enige inkomsten uit zijn werkzaamheden als glazenwasser en hij eerst na op het 17 oktober 2003 gehouden verhoor door de sociale recherche geleidelijk aan meer openheid van zaken is gaan geven. Dit heeft uiteindelijk geleid tot het overleggen van handgeschreven overzichten van inkomsten over de gehele in geding zijnde periode. Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat deze achteraf overlegde overzichten onvoldoende verifieerbaar zijn. De rechtbank is dan ook met verweerder van oordeel dat eiser de inlichtingenplicht met betrekking tot de in geding zijnde periode heeft geschonden en dat de door eiser achteraf overgelegde gegevens niet voldoende zijn om eisers recht op bijstand alsnog met voldoende zekerheid te kunnen vaststellen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dit standpunt ook voldoende gemotiveerd.

Dat, zoals eiser heeft gesteld, het bestreden besluit door verweerder zou zijn genomen op advies van dezelfde afdeling als verantwoordelijk was voor het nemen van het primaire besluit, is de rechtbank niet gebleken, nu het primaire besluit van 18 december 2003 blijkens de ondertekening krachtens door verweerder verleend ondermandaat is genomen door de kwaliteitsmedewerker van de afdeling sociale zaken en verweerder het thans bestreden besluit heeft genomen op advies van de bij Juridische Zaken werkzame medewerker rechtsbescherming.

Voorzover eiser heeft betoogd dat verweerder is tekortgeschoten door eiser niet attent te maken op de in artikel 43 van de Abw opgenomen vrijlatingsregeling, is de rechtbank met verweerder van oordeel dat het op de weg van eiser had gelegen verweerder voldoende inzicht te geven in zijn inkomsten uit werkzaamheden, zodat verweerder, op eisers verzoek, in staat zou zijn geweest de mogelijke toepassing van deze regeling te overwegen. Gelet op het voorgaande heeft eiser verweerder hiertoe niet in staat gesteld.

Het voorgaande brengt mee dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

De rechtbank acht voorts termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbij-stand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De rechtbank kent terzake twee punten toe met een waarde van € 322,-- toe voor de indie-ning van het beroepschrift en het verschijnen ter zitting, en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het te ver-goeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x € 322,-- x 1 = € 644,--.

Gelet op de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2. bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt op het bezwaarschrift van

26 januari 2004, met inachtneming van deze uitspraak;

3. bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 37,00 wordt vergoed door de gemeente Brunssum;

4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 644,00 wegens de kosten van rechtsbijstand, te betalen door voornoemde rechtspersoon aan eiser.

Aldus gedaan door mr. R.E. Bakker in tegenwoordigheid van mr. mr. M.W.J. Sloots

als griffier en in het openbaar uitgesproken op 7 april 2005

door mr. Bakker voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. Sloots w.g. R.E. Bakker

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 7 april 2005

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.