Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2005:AT5239

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
03-05-2005
Datum publicatie
09-05-2005
Zaaknummer
AWB 03 / 1000 GEMWT
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft zich in deze procedure op het standpunt gesteld dat zij in de peiode van 1 juli 1997 tot 25 juli 2000 inkomstenschade heeft geleden, omdat zij –kort gezegd– in die periode als gevolg van diverse besluiten van verweerder geen, althans niet de gewenste hoeveelheid rommel- en snuffelmarkten heeft kunnen organiseren op de gronden van de ‘Autokino’ aan de […]straat te […].

[...]

De rechtbank zal in dit geding allereerst gaan beoordelen wie thans rechthebbende is op de door eiseres gestelde vordering op verweerders gemeente en wie mitsdien is aan te merken als belanghebbende in de onderhavige procedure.

Uitspraak in hoger beroep vernietigd met terugverwijzing naar de rechtbank; LJN AU6202

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 03 / 1000 GEMWT

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

Autokino [eiser] BV,

gevestigd te [plaats], eiseres,

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Landgraaf,

gevestigd te Landgraaf, verweerder.

Datum bestreden besluit: 27 mei 2003

Kenmerk: Afd. 3.2/Boo Nr. 9300/96

Behandelingen ter zitting: 11 mei 2004 en 24 maart 2005

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 27 mei 2003 (verzonden op 2 juni 2003) heeft verweerder –andermaal– beslist op het namens eiseres ingediende bezwaarschrift van 28 november 1996 tegen zijn besluit van 22 oktober 1996 (verzonden op 24 oktober 1996).

Bij schrijven van 11 juli 2003 van haar gemachtigde heeft eiseres bij deze rechtbank beroep ingesteld tegen verweerders besluit van 27 mei 2003.

Namens verweerder is bij schrijven van 26 augustus 2003 een verweerschrift ingediend. Dat verweerschrift en de door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna te noemen: de Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

De in de loop van de procedure in het geding gebrachte stukken zijn –eveneens– in kopie aan partijen gezonden.

De inhoud van de gedingstukken wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 11 mei 2004, alwaar namens eiseres dhr. [eiser], bestuurder van [eiser] Beheer B.V. (hierna te noemen: [eiser] Beheer), zijnde de enig aandeelhouder van eiseres, ter zitting is verschenen. Voornoemde [eiser] werd bijgestaan door de gemachtigde van eiseres, mr. M.M. van den Boomen, advocaat te Roermond. Tevens was zijdens eiseres drs. J.M.A. Mostard, van ZR Belastingadviseurs te Echt, in zijn hoedanigheid van accountant van eiseres ter zitting aanwezig.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mevr. mr. C.E.M. van den Boom.

Bij schrijven van 14 juni 2004 heeft de rechtbank partijen –afzonderlijk– bericht dat zij heeft geconstateerd dat het onderzoek niet volledig is geweest en dat het onderzoek mitsdien op grond van artikel 8:68, eerste lid, van de Awb wordt heropend. In dat kader heeft de rechtbank partijen verzocht aan te geven welke gegevens zijdens eiseres aan Ernst & Young ter beschikking zijn gesteld ten behoeve van het door laatstgenoemde verrichte onderzoek naar de schade die eiseres geleden stelt te hebben.

Verweerder heeft bij schrijven van 21 juni 2004 (verzonden op 22 juni 2004) aan vorenomschreven verzoek voldaan; eiseres heeft zulks gedaan bij schrijven van 23 juni 2004 van haar gemachtigde.

Partijen hebben de rechtbank vervolgens desgevraagd toestemming verleend om de behandeling van het beroep ter nadere zitting achterwege te laten.

De rechtbank heeft partijen bij schrijven van 6 oktober 2004 bericht dat het onderzoek wederom op grond van artikel 8:68, eerste lid, van de Awb wordt heropend en wel in verband met de ontvankelijkheidsvraag. In dat kader heeft de rechtbank eiseres verzocht de notariële akte van de aandelenoverdracht in het kapitaal van eiseres en/of andere in het kader van vorenstaande vraag van belang zijnde stukken in het geding te brengen.

Bij schrijven van 12 oktober 2004 van haar gemachtigde heeft eiseres de rechtbank in het bezit gesteld van voornoemde akte. Dat schrijven en die akte zijn in kopie aan verweerder gezonden.

Desgevraagd hebben partijen de rechtbank –andermaal– toestemming verleend om de behandeling van het beroep ter nadere zitting achterwege te laten.

Bij schrijven van 8 december 2004 heeft de rechtbank partijen nogmaals bericht dat het onderzoek op grond van artikel 8:68, eerste lid, van de Awb wordt heropend en deze keer weer in verband met de ontvankelijkheidsvraag. In dat kader heeft de rechtbank eiseres verzocht, onder overlegging van bewijsmiddelen, mede te delen of en zo ja, wanneer aan verweerder mededeling is gedaan van de levering van de door eiseres gestelde vordering op verweerders gemeente aan [eiser] Beheer.

Bij schrijven van 17 december 2004 van haar gemachtigde heeft eiseres aan vorenomschreven verzoek voldaan. Op voornoemd schrijven is zijdens verweerder bij schrijven van 21 december 2004 (verzonden op 22 december 2004) gereageerd.

Desgevraagd is zijdens eiseres toestemming verleend om de behandeling van het beroep ter nadere zitting achterwege te laten; zijdens verweerder is die toestemming echter bij schrijven van 17 januari 2005 geweigerd.

Daarop heeft de rechtbank bepaald dat op 24 maart 2005 een nadere zitting zal plaatsvinden. Tijdens die zitting zijn namens eiseres verschenen: dhr. [eiser] en mr. J.P.H. Timmermans, advocaat te Roermond, die de gemachtigde van eiseres mr. M.M. van den Boomen, kantoorgenoot van voornoemde Timmermans, verving.

Verweerder heeft zich tijdens die nadere zitting andermaal doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mevr. mr. C.E.M. van den Boom.

2. Overwegingen

Eiseres heeft zich in deze procedure op het standpunt gesteld dat zij in de peiode van 1 juli 1997 tot 25 juli 2000 inkomstenschade heeft geleden, omdat zij –kort gezegd– in die periode als gevolg van diverse besluiten van verweerder geen, althans niet de gewenste hoeveelheid rommel- en snuffelmarkten heeft kunnen organiseren op de gronden van de ‘Autokino’ aan de […]straat te […].

Bij het thans bestreden besluit van 27 mei 2003 (verzonden op 2 juni 2003) heeft verweerder –voor zover thans van belang– overwogen dat na onderzoek voldoende is komen vast te staan dat eiseres in de periode van 1 juli 1997 tot 25 juli 2000 geen aantoonbare en ook destijds geen voorzienbare inkomensschade heeft geleden.

Aangezien eiseres zich met voornoemd besluit niet heeft kunnen verenigen, heeft zij bij schrijven van 11 juli 2003 van haar gemachtigde –tijdig– bij deze rechtbank beroep ingesteld tegen dat besluit.

Bij schrijven van 6 mei 2004 (met bijlagen) van haar gemachtigde –en dus binnen de in artikel 8:58, eerste lid, van de Awb genoemde termijn van 10 dagen– heeft eiseres de rechtbank bericht dat, als gevolg van het cederen van de latente vordering waarop deze procedure betrekking heeft door eiseres aan [eiser] Beheer, laatstgenoemde vennootschap de direct belanghebbende in deze procedure is geworden.

Verweerder heeft tijdens de behandelingen ter zitting de geldigheid van vorenbedoelde cessie

–uitvoerig gemotiveerd– bestreden.

De rechtbank zal in dit geding allereerst gaan beoordelen wie thans rechthebbende is op de door eiseres gestelde vordering op verweerders gemeente en wie mitsdien is aan te merken als belanghebbende in de onderhavige procedure.

In de considerans van de akte van cessie, zoals overeengekomen op 23 april 2003, is –voor zover thans van belang– overwogen dat [eiser] Beheer voornemens is alle aandelen in het maatschappelijk kapitaal van eiseres te verkopen en te leveren aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Megaland Beheer B.V. (hierna te noemen: Megaland Beheer). Voorts is in die considerans overwogen dat eiseres een nog niet in rechte vastgestelde vordering heeft op verweerders gemeente uit hoofde van een onrechtmatige overheidsdaad, aangezien die gemeente naar de mening van eiseres haar ten onrechte gedurende een aantal jaren heeft verboden om op haar terrein evenementen te organiseren, terwijl daartoe van de zijde van eiseres wel het voornemen bestond.

Bij artikel I van voornoemde akte zijn eiseres en [eiser] Beheer overeengekomen dat eiseres bij die akte haar vordering op verweerders gemeente, zoals in de considerans omschreven en partijen genoegzaam bekend, om niet overdraagt aan [eiser] Beheer en dat de mededeling aan die gemeente, zoals bedoeld in artikel III, nog gedaan moet worden.

Bij laatstgenoemd artikel is bepaald dat eiseres verplicht is en [eiser] Beheer bevoegd is om deze cessie onmiddellijk na de ondertekening van deze akte schriftelijk aan verweerders gemeente mee te delen, onder overlegging van een afschrift van de akte van cessie.

Op 13 januari 2004 is de akte van cessie opgemaakt en door eiseres en [eiser] Beheer ondertekend. Op dezelfde dag is die akte geregistreerd bij R&S te Roermond.

Op 26 februari 2004 is ten overstaan van mr. R.F.M. van Scheijndel, notaris, de akte van aandelenoverdracht verleden, bij welke akte [eiser] Beheer, in haar –toenmalige– hoedanigheid van enig aandeelhouder van eiseres, het gehele geplaatste kapitaal van eiseres heeft verkocht en geleverd aan Megaland Beheer, die vorenomschreven kapitaal bij die akte heeft gekocht en aanvaard van [eiser] Beheer. Op pagina 6 van die akte is –voor zover thans van belang– het navolgende vermeld:

‘Er worden geen andere procedures van welke aard ook en hoe ook genaamd door de vennootschap [zijnde eiseres, toevoeging van de rechtbank] gevoerd dan de hierna gemelde en er zijn geen feiten of omstandigheden bekend die tot het voeren van een procedure zouden kunnen leiden. Het vorenstaande ziet uitdrukkelijk niet op het geschil tussen de vennootschap en de publiekrechtelijke rechtspersoon de gemeente Landgraaf uit hoofde van een onrechtmatige overheidsdaad aangezien de publiekrechtelijke rechtspersoon de gemeente Landgraaf naar de mening van de vennootschap de vennootschap ten onrechte gedurende een aantal jaren heeft verboden om op het terrein van de vennootschap evenementen te organiseren, terwijl daartoe van de zijde van de vennootschap wel het voornemen bestond.

Partijen [zijnde [eiser] Beheer en Megaland Beheer, toevoeging van de rechtbank] zijn overeengekomen dat de vennootschap haar vorderingsrechten met betrekking tot het hiervoor gemelde geschil overdraagt aan de verkoper [zijnde [eiser] Beheer, toevoeging van de rechtbank] voordat verkoper zijn aandelen in de vennootschap overdraagt aan de koper [zijnde Megaland Beheer, toevoeging van de rechtbank].’

In het kader van deze laatste alinea is van belang of, zoals [eiser] Beheer en Megaland Beheer –kennelijk– voor ogen hadden, meergenoemde cessie ertoe heeft geleid dat het door eiseres gestelde vorderingsrecht op verweerders gemeente reeds uit haar vermogen was verdwenen op het moment dat [eiser] Beheer haar aandelen in eiseres heeft overgedragen aan Megaland Beheer.

Gelet op de datum waarop meergenoemde akte van cessie is overeengekomen en de datum waarop die akte is opgemaakt, ondertekend en geregistreerd, is de rechtbank van oordeel dat op de bij die akte voorgestane levering van de door eiseres gestelde vordering op verweerders gemeente, artikel 3:94 van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat artikel tot 1 oktober 2004 luidde, van toepassing is. Ingevolge dat artikel was de mededeling van de levering van tegen een of meer bepaalde personen uit te oefenen rechten aan die personen, een constitutief vereiste voor de totstandkoming van een (volmaakte) cessie.

Bij schrijven van 17 december 2004 heeft de gemachtigde van eiseres –desgevraagd– aan de rechtbank te kennen gegeven dat bij schrijven van 6 mei 2004 (met bijlagen) aan verweerders gemeente mededeling is gedaan van de levering van de vordering die eiseres op die gemeente stelt te hebben door eiseres aan [eiser] Beheer. Voor de goede orde heeft de gemachtigde van eiseres, blijkens voornoemd schrijven van 17 december 2004, bij separaat schrijven van laatstgenoemde datum nogmaals aan verweerders gemeente mededeling gedaan van bovenomschreven levering.

Ter zake van die mededeling heeft verweerder in dit geding gesteld dat zijn gemeente niet eerder dan op 7 mei 2004 kennis heeft genomen van de akte van cessie, zoals overeengekomen op 23 april 2003.

Gelet hierop, alsmede gelet op het feit dat het tegendeel gesteld noch gebleken is gaat de rechtbank er bij de beoordeling van dit geding van uit dat verweerders gemeente niet eerder dan bij schrijven van 6 mei 2004 in kennis is gesteld van de tussen eiseres en [eiser] Beheer overeengekomen levering van de vordering die eiseres op voornoemde gemeente stelt te hebben aan [eiser] Beheer. Die levering is mitsdien eerst op 6 mei 2004 tot stand gekomen.

Op 26 februari 2004, zijnde de dag waarop de aandelen die [eiser] Beheer in eiseres had, zijn overgedragen aan Megaland Beheer, was eiseres, niet tegenstaande de –kennelijke– bedoeling van [eiser] Beheer en Megaland Beheer, mitsdien nog steeds rechthebbende op meergenoemde vordering op verweerders gemeente. Als gevolg van voornoemde aandelentransactie, is Megaland Beheer eigenaar geworden van alle aandelen van eiseres en mitsdien ook van de vordering die laatstgenoemde stelt te hebben op verweerders gemeente.

Uit het vorenstaande volgt –naar het oordeel van de rechtbank– dat het onderhavige beroep, of dat nou geacht moet worden te zijn ingesteld namens eiseres of namens [eiser] Beheer, niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:70 van de Awb wordt mitsdien als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gedaan door mr. J.N.F. Sleddens, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.L. Devoi als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 mei 2005 door mr. Sleddens voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. J. Devoi w.g. J. Sleddens

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden op: 3 mei 2005

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA ’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen dat vereist.