Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2005:AT4608

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
13-04-2005
Datum publicatie
25-04-2005
Zaaknummer
181523 CV EXPL 05-127
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Stelplicht buitengerechtelijke kosten.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 96
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 21
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 111
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2005, 112
JA 2005/62
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Kanton

Locatie Maastricht

rolno: 127/05

zaakno: 181523

vonnis d.d. 13 april 2005

in de zaak van:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

INTRUM JUSTITIA NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Den Haag,

verder ook te noemen: I.J.,

eisende partij,

gemachtigde: mr. G.M. Boonman te Den Haag,

tegen:

[naam], handelend onder de naam ELECTRONIS PUBLICITY MANAGEMENT,

wonend te [woonplaats],

verder ook te noemen: [gedaagde],

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. P.M. Boels te Munstergeleen, gemeente Sittard-Geleen.

1. VERLOOP VAN DE PROCEDURE

I.J. heeft bij dagvaarding van 6 januari 2005 een vordering ingesteld tegen [gedaagde] en heeft zich daarvoor mede beroepen op drie aan het exploot van dagvaarding gehechte, doch verder niet toegelichte producties in fotokopievorm. De in het exploot genoemde handelsnaam vermeldt als eerste woord ‘Electronis’, terwijl partijen in de volgende processtukken het afwisselend hebben over ‘Electronics’ en ‘Electronic’.

[gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord onder overlegging van eveneens drie producties.

I.J. heeft vervolgens voor repliek geconcludeerd onder vermeerdering van eis, waartoe verwezen wordt naar drie extra producties.

Hierop heeft [gedaagde] schriftelijk gereageerd.

Hierna is uitspraak bepaald.

2. MOTIVERING

a. het geschil

I.J. vordert - na vermeerdering van eis - dat [gedaagde] bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld wordt tot betaling van € 948,05 aan hoofdsom en (vergoeding van) buitengerechtelijke kosten, alles met wettelijke rente vanaf de datum van dagvaarding en met veroordeling tevens van [gedaagde] in de proceskosten. I.J. baseert haar vordering(en) op een incassorelatie met [gedaagde] uit hoofde waarvan [gedaagde] in facturen neergelegde doch in weerwil van herhaalde aanmaning en sommatie onbetaald gelaten vergoedingen verschuldigd is, nog te vermeerderen met een bedrag aan incassokosten ad € 136,=, met wettelijke (handels)rente en met proceskosten. I.J. weerspreekt het daartegen ingebrachte verweer van [gedaagde] (ten dele) en benadrukt dat er sprake is geweest van twee elkaar opvolgende opdrachten, een voor internationale en een voor nationale incasso’s, onder de werking van enigszins van elkaar afwijkende algemene voorwaarden.

I.J. heeft de kantonrechter uitdrukkelijk verzocht ‘gezien de relatief geringe hoogte alsook de aard van de vordering’ af te zien van een comparitie van partijen.

[gedaagde] verweert zich tegen de vordering. Hij beroept zich allereerst op zijn onervarenheid en gebrekkige beheersing van de Nederlandse taal en op het nalaten van informatie door I.J. omtrent relevante risico’s , zodat (de vertegenwoordiger van) I.J. tegenover hem ernstig tekortgeschoten is in haar ‘zorgplicht bij het sluiten van de overeenkomst’ en bijgevolg geen nakoming kan verlangen. In de tweede plaats voert [gedaagde] aan dat I.J. ‘wanprestatie bij de uitvoering’ heeft gepleegd door nauwelijks inspanningen tot incasso te leveren, (te) laat de algemene voorwaarden te sturen en in de ‘statusrapporten’ ten aanzien van in behandeling genomen vorderingen weinig of geen blijk te geven van geleverde inspanningen, reden voor [gedaagde] om bij brief van 11 augustus 2004 te protesteren tegen een zojuist ontvangen (verzamel)rekening. Ook op de samenstelling van de vordering oefent [gedaagde] kritiek uit. Zogeheten ‘handling costs’ of ‘legal costs’ kunnen naast de periodiek verschuldigde ‘abonnementsgelden’ niet in rekening gebracht worden. Het is een raadsel waar de (nagekomen) nota’s van 2 juni 2004 en 7 oktober 2004 betrekking op hebben (iedere specificatie ontbreekt). Hoogstens zou [gedaagde] de over de (onverschuldigd betaalde) abonnementskosten over 2003/2004 berekende BTW nog moeten betalen. Ten slotte acht [gedaagde] de buitengerechtelijke kosten ‘buitenproportioneel’ en niet toewijsbaar.

b. de feiten en omstandigheden

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, althans niet of niet-deugdelijk weersproken, staat tussen partijen het navolgende vast.

- [gedaagde] heeft I.J. bij grotendeels in het Nederlands gesteld en niet gedagtekend formulier ‘Receivables Management Services’ van een ook uit de stukken niet precies blijkende datum (het moet ergens in januari 2003 zijn geweest) opdracht verstrekt tot het leveren van incassodiensten buiten Nederland ingaande ‘Februari’ voor een bedongen vergoeding van ‘Totaal (excl. BTW)’ € 315,=.

- In de eerste regels van het formulier (waarvan een vooral op de handgeschreven onderdelen onduidelijke fotokopie van uitsluitend de voorzijde in het geding is gebracht) wordt verwezen naar ‘de aan de ommezijde vermelde Algemene Voorwaarden’.

- Op 7 mei 2003 heeft [gedaagde] desgevraagd een hem gezonden exemplaar van de ’Algemene Voorwaarden - Geldig vanaf 1 september 2002’ voorzien van zijn handtekening aan I.J. geretourneerd.

- [gedaagde] heeft de hem bij factuur in rekening gebrachte kosten ad € 315,= voldaan, doch dit bedrag is hem later (24 juni 2003) gecrediteerd, gevolgd door een factuur van 29 juli 2003 waarbij hem hetzelfde bedrag vermeerderd met € 59,85 aan BTW in rekening is gebracht.

- Het BTW-bedrag heeft [gedaagde] nimmer voldaan.

- Bij facturen van 2 juni 2004 en 7 oktober 2004 heeft I.J. aan [gedaagde] zonder verdere specificatie of toelichting bedragen van € 154,70 en € 222,65 aan ‘Handling costs’, ‘legal costs’ en daarover berekende ‘VAT’ (BTW) in rekening gebracht.

- Bij brief van 11 augustus 2004 heeft [gedaagde] in de Engelse taal zijn uitvoerig gemotiveerde ongenoegen kenbaar gemaakt over de wijze waarop I.J. met de zes door [gedaagde] aan haar (incasso)zorgen toevertrouwde vorderingen was omgesprongen ‘in the year we were a client of yours’.

- In dezelfde brief is bezwaar gemaakt tegen het in rekening brengen van € 589,40 en is ten overvloede aan het slot uitgesproken dat op de diensten van I.J. geen prijs meer werd gesteld (met de mogelijkheid van een officiële klacht tegen I.J. en de verzekering dat derden een negatief advies over inschakeling van I.J. zou worden gegeven).

- I.J. heeft hier niet op gereageerd (anders dan met het zenden van de eerder aangeduide factuur van 7 oktober 2004 en later met de dagvaarding).

- Enige concrete aanmaning of sommatie is niet genoemd of in het geding gebracht.

c. de beoordeling

De wijze waarop I.J. gemeend heeft haar geschil met c.q. de (vermeende) vordering op [gedaagde] aan de rechter te moeten voorleggen, kan eigenlijk nauwelijks door de beugel. Zij voldoet niet of maar zeer gebrekkig aan de verplichting om reeds bij exploot van dagvaarding naar waarheid en volledigheid (artikel 21 en artikel 111 lid 3 Rv.) melding te maken van de relevante feiten in chronologie of naar gelang het juridische belang alsmede van het verweer van [gedaagde] (volgens I.J. ‘juridisch niet relevant’, maar verder naar inhoud en strekking volledig onbesproken gelaten) en van bewijsmiddelen en getuigen op specifieke onderdelen van haar betoog. Zij wijst enigszins hooghartig de mogelijkheid van een comparitie van partijen (zowel na antwoord als na volledig uitconcluderen van de zaak) van de hand met een beroep op het (geringe) belang van de zaak. Zij negeert ten slotte op ieder onderdeel van haar vordering haar verplichting tot gemotiveerd stellen, hetgeen inhoudt dat zij tegenover de (te verwachten) betwisting zijdens [gedaagde] nauwkeurig met feiten en omstandigheden had moeten specificeren en waar mogelijk met documenten moeten onderbouwen dat zij bedragen van een bepaalde omvang te vorderen heeft en waarom dat het geval is c.q. waarom de daartegen ingebrachte stellingen van [gedaagde] niet toereikend zijn. I.J. vindt het zelfs niet nodig ‘de hoofdsom van € 589,40’ aan ‘vergoeding’ - bij exploot genoemd en in de repliek als basis genomen voor een verdere vermeerdering van eis - uit te leggen en/of te verbinden met de facturen waarvan zij verder zonder enige toelichting kopieën in het geding brengt. Het door [gedaagde] op onderdelen gemotiveerd betwiste bedrag kan dan ook niet en zeker niet zonder meer worden toegewezen, laat staan dat een bij repliek even ongemotiveerd toegevoegde vermeerdering zich voor toewijzing leent.

Zeker na het gemotiveerde antwoord van [gedaagde] had het op de weg van I.J. gelegen uit te leggen hoe zij tot haar hoofdvordering (zij heeft het over een ‘restbedrag’) was gekomen, uit welke elementen deze was samengesteld, op welke precieze handelingen ten aanzien van welke te incasseren vorderingen de afzonderlijke factuurbedragen stoelden, hoe het restbedrag was verkregen na verrekening van deelbetalingen en creditbedragen en hoe het zat met de verhouding tussen abonnementsgeld (in de factuur aangeduid als ‘subscription international collection’) en eventueel daarenboven verschuldigde afzonderlijke kosten (‘handling costs’en/of ‘legal costs’). Dit laatste was met name vereist omdat [gedaagde] heeft verwezen naar de passage in de algemene voorwaarden die zou beletten de bijzondere kosten cumulatief in rekening te brengen nadat al abonnementsgeld van de opdrachtgever was geïncasseerd. In plaats van zich op een dergelijke toelichting te concentreren breidt I.J. haar vordering nog eens uit, waarbij zij dezelfde fout maakt van een totaal gebrek aan toelichting, specificatie en documentatie (althans aan verbinding van het een en het ander). Zowel ten aanzien van het bedrag ad € 589,40 als ten aanzien van de uitbreidingspost ad 222,65 geldt dat deze sneuvelt op een gebrek aan onderbouwing, zij het dat van dat lot uitgezonderd wordt het bestanddeel BTW ad € 59,85 over het abonnementsjaar 2003/2004 waarvan [gedaagde] erkent dat hij dit niet betaald heeft.

Weliswaar voert [gedaagde] als eerste verweer dat hij niets verschuldigd is (en dat hij zelfs € 315,= ‘onverschuldigd’ heeft voldaan), maar hij verzuimt ook zelf deugdelijk te motiveren waarom I.J. hem in redelijkheid niet zou kunnen houden aan een overeenkomst die hij welbewust als meerderjarige in Nederland zaakdoende handelingsbekwame persoon is aangegaan (ook al sprak en verstond hij mogelijk het Nederlands niet perfect), die hij nimmer (ook in deze procedure niet) tussentijds heeft ontbonden en ter zake waarvan hij evenmin een daad van vernietiging heeft gesteld (of alsnog stelt). Dat geldt eveneens voor het tweede, op een tekortkoming in de uitvoering door I.J. gerichte verweer van [gedaagde]: gesteld noch gebleken is van een vordering tot nakoming, ontbinding en/of schadevergoeding op basis van een deugdelijke ingebrekestelling (de brief van 11 augustus 2004 kan hoogstens gezien worden als een bezegeling van het verbreken van de samenwerkingsrelatie voor de toekomst en maximaal als een buitengerechtelijke ontbinding ingaande die datum). Als [gedaagde] meende dat de overeenkomst (al vóór 11 augustus 2004) aantastbaar was wegens een gebrek in de totstandkoming of in de uitvoering, had hij destijds actie moeten ondernemen en daar thans in de procedure (met name door een vordering in reconventie) gevolgen aan moeten verbinden. Een verweer dat zich richt tegen iedere aan de destijds aangegane overeenkomst ontleende vordering kan niet slagen. Wel het verweer voor zover dat beoogt I.J. te verhinderen bedragen toegewezen te krijgen waarvoor zij zich niet deugdelijk verantwoordt. Dat geldt dus niet voor de reeds betaalde abonnementsbijdrage van € 315,= en evenmin voor de € 59,85 aan BTW welke post als zodanig door [gedaagde] niet betwist wordt.

Als I.J. echter meent nog meer te goed te hebben, heeft zij daarvoor het materiaal niet aangedragen. Dat geldt ook voor de kosten van een eventueel nieuw ‘abonnementsjaar’ omdat tegenover de betwisting zijdens [gedaagde] gesteld noch anderszins gebleken is dat de oorspronkelijk voor een jaar aangegane verplichting uitdrukkelijk of stilzwijgend is gecontinueerd. Dat geldt a fortiori voor de post buitengerechtelijke kosten, waarvoor I.J. niet veel meer heeft gesteld dan dat deze ‘conform het rapport Voor-werk II’ zouden zijn.

I.J. ziet dan over het hoofd dat dit rapport en ook het reguliere recht van haar verlangen dat zij eerstens stelt dat incassowerkzaamheden redelijkerwijs noodzakelijk waren, dat en wanneer en in welke omvang zij zijn uitgevoerd en in rekening gebracht en dat zij tweedens een nauwkeurige aanduiding van afzonderlijke werkzaamheden, daaraan bestede uren en gehanteerd uurtarief verstrekt, zodat tevens kan worden bepaald of het gevorderde bedrag van € 136,= redelijk is en of de eventueel gemaakte kosten eigenlijk niet onder het bereik van de artikelen 237 tot en met 240 Rv. vallen (zie artikel 241 Rv.).

Slotsom van een en ander is dat de vordering van I.J. slechts toewijsbaar is voor een bedrag van € 59,85 plus de rente ex artikel 6:119a BW ingaande 6 januari 2005. Dit brengt met zich dat de proceskosten worden gecompenseerd in die zin, dat ieder de eigen kosten draagt.

3. BESLISSING

De kantonrechter:

veroordeelt [gedaagde] om aan I.J. tegen bewijs van kwijting te voldoen de somma van € 59,85 met de wettelijke rente ex artikel 6:119a BW ingaande 6 januari 2005 tot de datum van algehele voldoening;

compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het meer of anders gevorderde af;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. H.W.M.A. Staal, kantonrechter te Maastricht,

en in aanwezigheid van de griffier uitgesproken ter openbare civiele terechtzitting van woensdag 13 april 2005

.