Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2005:AT3622

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
06-04-2005
Datum publicatie
12-04-2005
Zaaknummer
83213 /S rk 03-537
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Vrouw erkent de gestelde duurzame ontwrichting.

Het door de vrouw opgeworpen pensioenverweer (art. 1:153 BW) verwerpt de rechtbank. De man heeft (als zelfstandig advocaat) geen pensioenrechten opgebouwd, maar in de oudedagsvoorziening van partijen voorzien via lijfrentepolissen.

Deze vertegenwoordigen een waarde van 135.000,-- euro en moeten worden verdeeld zodra de gemeenschap van goederen is ontbonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2005, 48
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 6 april 2005

Zaaknummer: 83213 / S RK 03-537

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

[naam man],

verzoeker, verder te noemen: de man,

wonende te [V.],

procureur mr. E.R.T.A. Luijten,

en:

[naam vrouw],

wederpartij, verder te noemen: de vrouw,

wonende te [H.],

procureur mr. M.H.J. Wegener.

1. Verloop van de procedure

De man heeft op 29 april 2003 een verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvoorzieningen ingediend.

Het verzoekschrift is op 12 mei 2003 betekend aan de vrouw.

Door de vrouw is op 20 augustus 2003 een verweerschrift ingediend, dat tevens een zelfstandig verzoek bevat.

De man heeft naar aanleiding van dit zelfstandig verzoek op 24 september 2003 een verweerschrift ingediend.

De zaak is behandeld ter terechtzitting van 28 januari 2004.

De man heeft ter zitting nadere bescheiden overgelegd.

De zaak is wederom behandeld ter zitting van 23 maart 2005.

2. Beoordeling

Uit de stukken blijkt hetgeen de man heeft gesteld omtrent de plaats en de dag van de voltrekking van het huwelijk, de voornamen en de geboortedag van het thans nog minderjarig kind en de nationaliteit van partijen.

De man stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en verzoekt, samengevat, echtscheiding, alsmede de navolgende nevenvoorzieningen:

- bepaling dat de gewone verblijfplaats van het thans nog minderjarige kind van partijen [namen kind], geboren te [geboorteplaats en geboortedatum] voortaan bij de vrouw zal zijn;

- vaststelling van de door hem te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige op een bedrag van € 300,-- per maand;

- bevel tot verdeling van de huwelijksgemeenschap met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon.

De vrouw heeft primair bij zelfstandig verzoek verzocht:

- de echtscheiding niet uit te spreken voordat een voorziening als bedoeld in artikel 1:153 lid 1 BW getroffen is.

Indien de echtscheiding uitgesproken wordt verzoekt de vrouw:

- bepaling dat de gewone verblijfplaats van het minderjarige kind voortaan bij haar zal zijn;

- vaststelling van de door man te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van de minderjarige op een bedrag van € 300,-- per maand;

- de man te veroordelen tot het treffen van een voorziening die leidt tot passende uitkeringen aan de vrouw in het geval van vooroverlijden van de man;

- de man te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 4.390,-- per maand als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw;

- bevel tot verdeling van de huwelijksgemeenschap met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon;

- bepaling dat de vrouw bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning voort te zetten alsmede de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken te gebruiken gedu-ren-de zes maanden na inschrijving van de gevraagde beschikking.

Het pensioenverweer van artikel 1:153 BW houdt in dat, indien als gevolg van de door de man verzochte echtscheiding een bestaand vooruitzicht op uitkeringen aan de vrouw na vooroverlijden van de man teloor zou gaan of in ernstige mate zou verminderen en de vrouw deswege verweer voert tegen de echtscheiding, deze echtscheiding niet kan worden uitgesproken voordat daaromtrent een voorziening is getroffen die, gelet op de omstandigheden van het geval, ten opzichte van beide echtgenoten billijk te achten is.

Op 1 mei 1995 is de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (WVP) in werking getreden.

Nu niet is gebleken dat partijen de toepasselijkheid van deze wet bij huwelijkse voorwaarden of bij een schriftelijke overeenkomst met het oog op de scheiding hebben uitgesloten, heeft (in casu) de vrouw ingevolge artikel 2, lid 1, van deze wet recht op verevening van na de huwelijkssluiting en voor de scheiding door de man opgebouwde pensioenaanspraken.

In een scheidingsprocedure kan als nevenvoorziening enkel worden verzocht om een verklaring voor recht dat recht op pensioenverevening bestaat.

Volgens de man heeft hij geen pensioenvoorziening als zodanig, maar vertegenwoordigen de door hem als oudedagsvoorziening afgesloten polissen een waarde van € 135.000,--.

Aangezien uitkeringen uit particuliere verzekeringen, ook al zijn zij bedoeld als oudedagsvoorziening, niet onder de WVP vallen, maar als vermogensrechten in de gemeenschap vallen dienen de rechten op deze uitkeringen derhalve na de ontbinding in de verdeling betrok-ken te worden.

Uit het voorgaande volgt dat het “pensioenverweer” van de vrouw niet opgaat en dat zij, net zoals de man, de uit de verdeling vrijkomende liquide middelen zal dienen aan te wenden om een oudedagsvoorziening te regelen.

Nu artikel 1:157 lid 2 BW bedoeld is om ook degene die echtscheiding verzoekt de mogelijk-heid te bieden om een beroep te doen op het treffen van een pensioenvoorziening alvorens de echtscheiding kan worden uitgesproken en in zoverre dan ook complementair is aan het bepaalde in artikel 1:153 lid 1 BW, komt aan de vrouw als verwerende partij geen beroep toe op artikel 1:157 lid 2 BW.

Nu het pensioenverweer van de vrouw niet opgaat en de vrouw de duurzame ontwrichting van het huwelijk niet langer betwist, is het verzoek tot echtscheiding voor toewijzing vatbaar.

Tussen partijen bestaat met betrekking tot de nevenvoorzieningen - met uitzondering van de alimentatie en het beroep van de vrouw op het bepaalde in artikel 1:157 lid 2 BW - overeenstemming. De rechtbank zal dan ook – voor zover hierna niet nader besproken – beslissen in voege als hierna wordt bepaald.

Wat betreft de alimentatie voor de vrouw overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank zal – bij gebreke van recente stukken - de draagkrachtberekening die de man ter zitting van 28 januari 2004 heeft overgelegd tot uitgangspunt nemen, met dien verstande dat de lasten van de voormalige echtelijke woning uit de berekening geschrapt zullen worden en dat met een redelijk bedrag terzake van eigen woonlasten van de man rekening gehouden zal worden, zoals ter genoemde zitting ter sprake is gekomen.

De rechtbank zal als woonlasten van de man rekening houden met een redelijk te achten bedrag van € 1.000,-- (netto) per maand.

Voorts houdt de rechtbank ook rekening met de bijdrage van € 250,-- per maand, die de man heeft toegezegd voor de dochter van partijen, Laura, te zullen betalen en waartegen de vrouw geen verweer heeft gevoerd.

De rechtbank komt aldus, daarbij ook rekening houdend met het fiscale voordeel van de kinderbijdrage voor Rudolf, tot de conclusie dat de man draagkracht heeft om een bedrag van € 2.500,-- per maand als onderhoudsbijdrage voor de vrouw te kunnen betalen.

3. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt uit tussen partijen, op [datum huwelijk] te [huwelijksplaats], gehuwd, echtscheiding.

Bepaalt dat het hoofdverblijf van de minderjarige:

- [namen kind], geboren te [geboorteplaats en geboortedatum],

bij de vrouw zal zijn.

Veroordeelt de man om ten behoeve van genoemde minderjarige aan de vrouw te betalen een bedrag van € 300,-- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, te vermeerderen met het bedrag van iedere uitkering welke hem op grond van geldende wetten of regelingen ten behoeve van de minderjarige zal of kan worden verleend.

Veroordeelt de man om aan de vrouw tot levensonderhoud uit te keren een bedrag van € 2.500,-- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.

Beveelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap van partijen, welke verdeling dient te geschieden ten overstaan van een notaris.

Benoemt, indien partijen niet anders overeenkomen, notaris mr. G.R.P. Loyson te Valkenburg aan de Geul, dan wel zijn plaatsvervanger als die ten overstaan van wie de verdeling zal plaatsvinden, zulks op tijd en plaats als door de gekozen, respectievelijk benoemde notaris te bepalen.

Benoemt mr. J.A.M. Diederen, kandidaat-notaris te Valkenburg aan de Geul, tot onzijdig per-soon om de man dan wel de vrouw bij de verdeling te vertegenwoordigen, indien de man onderscheidenlijk de vrouw zou weigeren of in gebreke zou blijven voor de notaris te verschijnen of medewerking aan de verdeling te verlenen.

Bepaalt, dat de vrouw, als zij op het ogenblik van de inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de echtelijke woning aan de [adres] nog bewoont, jegens de man bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken, gedurende ZES MAANDEN na de inschrijving van deze beschikking voort te zetten.

Verklaart deze beschikking, behoudens ten aanzien van de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.C. Casparie, rechter, tevens kinderrechter en in het openbaar uitgesproken op 6 april 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.

MK/VH