Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2005:AT3587

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
06-04-2005
Datum publicatie
12-04-2005
Zaaknummer
72729 / S RK 02-193
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

A. Beroep op pensioenverweer ex art. 1:153 BW afgewezen, komt alleen aan verweerder toe, niet aan aanlegger.

B. Eerste huwelijksdomicilie: peildatum gemeenschappelijke gewone verblijfplaats.

Op grond van de door de Hoge Raad gebezigde overwegingen in HR 16.9.1994, NJ 1995, 169 kan er naar het oordeel van de rechtbank vanuit gegaan worden dat de Hoge Raad een zekere rek in de peildatum heeft aanvaard. Over de maximale duur van de peilperiode zijn in dit arrest evenwel geen aanknopingspunten te vinden. Uit de literatuur die na dit arrest met betrekking tot dit thema is verschenen (onder meer Trema 1995, no. 5) is te destilleren dat een termijn van zes maanden een bruikbare normering is. De rechtbank sluit zich hierbij aan nu te dien aanzien op grond van zojuist genoemde literatuur kan worden aangenomen dat deze termijn niet of nauwelijks rechtsonzekerheid in de hand werkt aangaande het begrip eerste huwelijksdomicilie.

Wetsverwijzingen
Wet conflictenrecht inzake ontbinding huwelijk en scheiding van tafel en bed
Wet conflictenrecht inzake ontbinding huwelijk en scheiding van tafel en bed 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 153
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2005, 100
JPF 2005/129 met annotatie van BER
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak: 6 april 2005

Zaaknummer: 72729 / S RK 02-193

De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:

[naam man],

verzoeker, verder te noemen: de man,

wonende te [M.],

procureur mr. A.L.M. van Uden,

en:

[naam vrouw],

wederpartij, verder te noemen: de vrouw,

wonende te [B.] (België),

procureur mr. J.L.M. Martens.

Wederom gezien de stukken van deze zaak waaronder de beschikking van 8 september 2004, waarin is bepaald dat de man de rechtbank binnen vier weken dient te informeren over de stand waarin de door de vrouw in België gestarte echtscheidingsprocedure zich bevindt.

1. Verder verloop van de procedure

De man heeft bij brieven van 8 en 14 oktober 2004 gereageerd en daarbij een aantal uit België ontvangen stukken overgelegd.

De vrouw heeft bij brieven van 15 en 29 november, 1 en 22 december 2004 gereageerd.

De rechter ten overstaan van wie de behandeling van de zaak ter terechtzitting van 18 november 2003 heeft plaatsgevonden, is niet in staat aan deze uitspraak medewerking te verlenen, nu zij inmiddels werkzaam is in een andere sector en op grond daarvan een herverdeling van zaken heeft plaatsgevonden.

2. Verdere beoordeling

2.1

Aan de hand van de door de man ingewonnen informatie en de daarbij overgelegde uit België ontvangen stukken stelt de man dat de door de vrouw in België aanhangig gemaakte echtscheidingsprocedure niet is doorgezet en dat een met die procedure samenhangende, begin 2002 bij de Belgische rechter aanhangig gemaakte, kort gedingprocedure is aangehouden.

In haar reactie daarop heeft de vrouw erkend dat de procedure nog loopt.

De Belgische advocaat van de man heeft in zijn antwoordschrijven van 13 september 2004 aan de procureur van de man gesteld dat de kort gedingzaak niet is ingetrokken maar, gezien het tijdsverloop, is volgens deze het door de vrouw ingestelde kort geding een stille dood gestorven.

De vrouw heeft in haar reactie op de door de man gegeven informatie volstaan met toe te geven dat de procedure in België nog aanhangig is. Nu de vrouw het door de man gestelde ter zake de in België niet doorgezette echtscheidingsprocedure niet betwist en de vrouw bij brief van 16 december 2003 zelf aangeeft dat de echtscheidingsprocedure is ingetrokken, begrijpt de rechtbank dat de vrouw daarbij slechts de kort gedingprocedure bedoelt, die ook volgens de man nog aanhangig is. Daarmee staat ten processe vast dat in België thans geen echtscheidingsprocedure loopt en is deze rechtbank derhalve op grond daarvan en mede gezien het bepaalde in artikel 2 lid 1 sub a vijfde c.q. zesde gedachtestreepje van de sedert 1 maart 2001 van kracht zijnde Verordening nr. 1347/2000 van de Raad van 29 mei 2000, betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid voor gemeenschappelijke kinderen, verder te noemen: VO-BII, bevoegd op het door de man ingestelde echtschei-dingsverzoek te beslissen.

2.2

De man stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en verzoekt, samengevat, echtscheiding, alsmede de navolgende nevenvoorzieningen:

- vaststelling van een door de vrouw aan hem te betalen onderhoudsbijdrage van € 4.000,-- per maand, subsidiair een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

- bevel tot verdeling van de huwelijksgemeenschap met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon;

- bepaling dat hij bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning voort te zetten alsmede de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken te gebruiken gedurende zes maanden na inschrijving van de gevraagde beschikking.

Bij wijze van vermeerdering van eis heeft de man verzocht geen echtscheiding tussen partijen uit te spreken totdat tussen partijen een voorziening in de zin van het bepaalde in artikel 1:153 lid 1 BW is getroffen, die, gelet op de omstandigheden van het geval, ten opzichte van beide echtelieden billijk is te achten.

2.3

De vrouw erkent dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. In het licht daarvan stelt de vrouw dat gelet op het bepaalde in artikel 1 lid 1 sub c van de Wet Conflictenrecht inzake ontbinding huwelijk en scheiding van tafel en bed de echtscheiding tussen partijen naar Nederlands recht kan worden uitgesproken nu de man de Nederlandse en de vrouw de Britse nationaliteit heeft en partijen niet in hetzelfde land hun gewone verblijfplaats hebben.

De vrouw is ten aanzien van het alimentatieverzoek van de man van mening dat, gezien het bepaalde in artikel 8 van het verdrag van ’s-Gravenhage van 1973, op dit verzoek ook Nederlands recht van toepassing is nu op het echtscheidingsverzoek van de man ook Nederlands recht van toepassing is. De vrouw is evenwel te dien aanzien verder van mening dat dit verzoek afgewezen moet worden, aangezien er vanuit gegaan moet worden dat de man in eigen onderhoud kan voorzien. Subsidiair vindt de vrouw dat dit alimentatieverzoek slechts gematigd en gelimiteerd kan worden toegewezen.

De vrouw stelt dat de rechtbank voorbij moet gaan aan het op artikel 1:153 BW gegronde pensioenverweer, nu uit de redactie van dat artikel blijkt dat aan de verweerder in echtschei-dingszaken de bevoegdheid toekomt dit verweer te voeren en niet aan de aanlegger van de procedure.

Bij zelfstandig verzoek vraagt de vrouw voor recht te verklaren dat ten aanzien van het huwelijksvermogensrecht Belgisch recht van toepassing is en dat mitsdien het verzoek van de man om partijen te veroordelen tot verdeling van de huwelijks goederengemeenschap zoals die naar Nederlands recht geldt, moet worden afgewezen. Vervolgens dienen partijen dan te worden veroordeeld over te gaan tot verdeling van het gemeenschappelijk vermogen voor zover dat tussen partijen bestaat op basis van het Belgisch huwelijksvermogensrecht. Subsidiair – voor zover aangenomen zou worden dat er sprake is van een gemeenschap van goederen naar Nederlands recht - verzoekt de vrouw het verzoek van de man om partijen te bevelen over te gaan tot verdeling van de gemeenschap af te wijzen en in de plaats daarvan de verdeling vast te stellen op de wijze als door de vrouw in dit verweerschrift, tevens zijnde zelfstandig verzoek is voorgesteld.

De vrouw verzoekt verder nog de man te veroordelen om aan de gemeenschap te vergoeden een bedrag van € 19.292,98 en dit bedrag te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2002 tot en met de dag der algehele voldoening.

De vrouw stelt tenslotte dat het door de man – kort gezegd – verzochte gebruiksrecht van de echtelijke woning kan worden toegewezen, indien daarbij de man wordt veroordeeld om aan de vrouw bij vooruitbetaling een gebruiksvergoeding ad € 1.500,-- per maand te betalen.

2.4

De duurzame ontwrichting van het huwelijk is door de vrouw erkend, zodat deze ten processe vaststaat. Nu de man niet heeft weersproken dat met het oog op het bepaalde in artikel 1 lid 1 sub c van de Wet Conflictenrecht Echtscheiding het verzoek tot echtscheiding naar Nederlands recht moet worden afgewikkeld, moet, alvorens het verzoek op deze grondslag kan worden toegewezen, allereerst worden bezien of het door de man opgeworpen pensioenverweer slaagt.

De rechtbank gaat voorbij aan dit door de man opgeworpen verweer. Naar haar oordeel heeft de vrouw terecht opgemerkt dat, nu het hier gaat om een door de man geëntameerde procedure tot echtscheiding alleen de vrouw dit verweer zou kunnen voeren en dit onder deze omstandigheid niet door de man als aanlegger van deze procedure voor deze rechtbank met kans van slagen kan worden gehanteerd.

2.5

Partijen zijn verdeeld gebleven met betrekking tot het antwoord op de vraag naar welk recht de gevolgen van de ontbinding van hun huwelijk moeten worden afgewikkeld. Nu in het proces-verbaal van de terechtzitting van 18 november 2003 dienaangaande is opgenomen dat nadat de rechtbank een verklaring van recht heeft afgegeven welk recht (Belgisch dan wel Nederlands) van toepassing is op het huwelijksgoederenregime en partijen zich vervolgens kunnen uitlaten omtrent het geven van een bevel verdeling met benoeming van een notaris of dat zij de rechtbank verzoeken tot verdeling over te gaan, dient thans hierop te worden beslist.

2.5.1

De man is van mening dat nu partijen in Nederland zijn gehuwd en partijen hun eerste huwelijksdomicilie in Nederland hebben gehad, als gevolg daarvan tussen partijen een algehele gemeenschap van goederen naar Nederlands recht is ontstaan. Deze gemeenschap van goederen moet na de ontbinding naar Nederlands recht worden verdeeld.

2.5.2

De vrouw betwist die visie van de man. Zij vindt, gezien ook haar daarop ziend verzoek, dat de gevolgen van de echtscheiding voor wat betreft hun bezittingen naar Belgisch recht moeten worden afgewikkeld. De vrouw heeft weliswaar sedert het appartement aan de [B.] te [M.] in 1987 op haar naam werd gesteld in [M.] gewoond, maar nu zij op 10 mei 1993 is gaan werken bij SHAPE in Mons (Bergen) in België en kort daarna op 27 oktober 1993 in [B.] is gaan wonen en partijen vervolgens op [datum huwelijk] te [M.] zijn gehuwd, kan er volgens haar geen sprake van zijn dat het eerste huwelijks-domicilie van partijen in Nederland is geweest. Temeer niet nu blijkens het ‘certificat de ré sidense’ van 21 december 2001 de man kort na de huwelijkssluiting op 30 maart 1994 bij de vrouw in [B.] is ingetrokken.

Onder deze omstandigheden is volgens de vrouw naar de regels van internationaal privaat-recht ter zake het huwelijksvermogensrecht van partijen, (het Haags Verdrag van 14 maart 1978 inzake het recht dat van toepassing is op het huwelijksvermogensregime, verder te noemen: Haags Huwelijksgoederenverdrag 1978) op hun huwelijksvermogensrecht van toepassing het recht van het land waarmee partijen de nauwste band hebben. Dat is volgens de vrouw in casu het Belgische recht. Het feit dat partijen na circa vier maanden verblijf in [B.] weer naar hun woning in [M.] zijn teruggekeerd doet daar in haar ogen niet aan af. Dit alles maakt dat er ter zake de door de man bewoonde evenwel op haar naam staande woning aan de [B.] te [M.] alsook met betrekking tot de door de vrouw reeds vóór het huwelijk verkregen vakantiewoning in [C.] in Zuid-Frankrijk tussen partijen geen verdeling kan plaatsvinden.

2.5.3

De man heeft tegen dit standpunt van de vrouw aangevoerd dat de inschrijvingen van partijen in [B.] zijn gedaan ter verkrijging van bepaalde belastingprivileges. Een en ander neemt evenwel niet weg dat partijen zoals voor hun huwelijk al het geval was, zijn blijven samenwonen in hun appartement aan de [B.] te [M.]. Ook, en anders dan de vrouw heeft gesteld, toen de vrouw per 10 mei 1993 haar standplaats kreeg in Mons, zijn partijen in [M.] blijven samenwonen. De man betwist dat partijen feitelijk in [B.] hebben samengewoond.

De man wijst ter onderbouwing van zijn stellingen op de door de vrouw overgelegde verklaring van haar vriendin [naam vriendin] uit [L.] die in haar op 17 augustus 2002 op schrift gestelde verklaring te dien aanzien zegt :”Uiteindelijk heeft zij daar altijd gewoond en hij maar acht jaar”. Hiermee doelt die vriendin volgens de man op het feit dat de vrouw sinds zij het appartement aan de [B.] in juni 1987 in eigendom heeft gekregen daar onafgebroken tot begin januari 2002 heeft gewoond en pas daarna met het oog op de te entameren echtscheidingsprocedure naar het appartement van haar ouders in [B.] is vertrokken.

De man heeft bewijs van zijn stelling aangeboden dat de volgens hem tussen partijen bestaande huwelijksgoederengemeenschap naar Nederlands recht moet worden afgewikkeld nadat die door ontbinding openvalt voor verdeling.

2.5.4

Ook de vrouw heeft bewijs van haar stelling aangeboden dat de vermogensrechtelijke gevolgen van de echtscheiding naar Belgisch recht moeten worden afgewikkeld.

2.5.5

In deze procedure staat vast dat de man de Nederlandse nationaliteit heeft en de vrouw de Britse. Nu partijen geen gemeenschappelijke nationaliteit hebben moet, mede gelet op de datum dat partijen op [datum huwelijk] in het huwelijk zijn getreden en het feit dat zij geen huwelijkse voorwaarden zijn overeengekomen, voor het vinden van het antwoord op de vraag welk recht op het huwelijksvermogensregime van deze partijen toepasselijk is, gekeken worden naar het bepaalde in het Haags Huwelijksgoederenverdrag 1978, dat sinds 1 september 1992 in werking is getreden, en naar de bepalingen in de Wet Conflictenrecht Huwelijksvermogensregime.

In deze procedure moet er, nu geen van partijen daaromtrent iets heeft gesteld of anderszins daaromtrent iets is gebleken op grond waarvan anders geoordeeld zou moeten worden, vanuit gegaan worden dat partijen vóór hun huwelijk geen rechtskeuze hebben gemaakt inzake het toe te passen recht. Er zijn ook geen indicaties dat zij staande huwelijk een dergelijke keuze hebben gedaan.

Op grond hiervan moet er overeenkomstig het bepaalde in artikel 4 Haags Huwelijksgoederenverdrag 1978 vanuit gegaan worden dat het huwelijksvermogensregime van partijen wordt beheerst door het interne recht van de staat op welks grondgebied partijen hun gewone verblijfplaats na het sluiten van hun huwelijk hebben gevestigd dan wel het interne recht van de staat waarmee het huwelijksvermogensregime, alle omstandigheden in aanmerking genomen, het nauwst is verbonden.

2.5.6

Partijen zijn op [datum huwelijk] te [M.] in het huwelijk getreden en woonden daarvoor reeds samen in het sinds 1987 aan de vrouw toebehorende appartement gelegen aan de [B.] te [M.]. De vrouw heeft gesteld dat dit moment niet als peildatum mag worden genomen voor het vaststellen van het toe te passen recht op het vermogensregime nu zij direct na de huwelijkssluiting in [B.] is gaan wonen en de man haar daarna naar [B.] is gevolgd. Dit alles maakt, niettegenstaande het feit dat de vrouw met de man in april 1994 terug is gekeerd naar [M.] om weer in hun woning aan de [B.] te gaan wonen, dat, volgens de vrouw, partijen hun eerste huwelijksdomicilie in België hebben gehad en dus hun vermogensrechtelijke betrekkingen thans als gevolg van de echtscheiding naar Belgisch recht moeten worden afgewikkeld.

2.5.7

De man heeft die stellingen betwist en gesteld dat nu partijen direct na hun huwelijkssluiting

in de woning te [M.] zijn gaan wonen daar hun eerste huwelijksdomicilie is gelegen. Daarnaast geldt volgens de man, als hiervan niet uitgegaan kan worden dat zich in [M.] het centrum bevond van het maatschappelijk leven van partijen en dat dit niet anders is geworden nadat partijen korte tijd door de week in [B.] zijn gaan wonen, maar hun vrije tijd in [M.] bleven doorbrengen, zoals volgens de man blijkt uit de door hem in dit kader overgelegde justificatoire bescheiden.

2.5.8

Op grond van de zojuist geschetste door partijen ingenomen standpunten ter zake de peil-datum van hun gemeenschappelijke woonplaats moet thans de vraag worden beantwoord of voor dat peilmoment van een enkel tijdstip moet worden uitgegaan dan wel of dat hiervoor ook kan worden uitgegaan van de ontwikkelingen gedurende een periode. Dit laatste is in het onderhavige geval van belang nu uit de standpunten van partijen is op te maken dat zij als echtgenoten hun gewone verblijfplaats niet dadelijk na de huwelijkssluiting in hetzelfde land zouden hebben gevestigd.

Op grond van de door de Hoge Raad gebezigde overwegingen in HR 16.9.1994, NJ 1995,169 kan er naar het oordeel van de rechtbank vanuit gegaan worden dat de Hoge Raad een zekere rek in de peildatum heeft aanvaard. Over de maximale duur van de peilperiode zijn in dit arrest evenwel geen aanknopingspunten te vinden. Uit de literatuur die na dit arrest met betrekking tot dit thema is verschenen (onder meer Trema 1995, nr.5) is te destilleren dat een termijn van zes maanden een bruikbare normering is. De rechtbank sluit zich hierbij aan nu te dien aanzien op grond van zojuist genoemde literatuur kan worden aangenomen dat deze termijn niet of nauwelijks rechtsonzekerheid in de hand werkt aangaande het begrip eerste huwelijksdomicilie.

Nu de vrouw onweersproken heeft gesteld dat partijen al circa vier maanden nadat zij in het huwelijk zijn getreden vanuit [B.] weer teruggekeerd zijn in hun woning te [M.], maakt dit feit op grond van het zojuist overwogene dat er in dit geding vanuit gegaan moet worden dat partijen derhalve hun eerste huwelijksdomicilie in Nederland hebben gehad. Het gezamenlijk verblijf in [B.] is onvoldoende duurzaam gebleken om, mede gelet op het bestendig gebleken verblijf in Nederland, als eerste huwelijksdomicilie te kunnen gelden.

Dit betekent verder dat de gevolgen van de echtscheiding vermogensrechtelijk gezien naar Nederlands recht moeten worden afgewikkeld en dat, nu partijen zonder het maken van huwelijkse voorwaarden, zijn gehuwd daardoor tussen partijen een gemeenschap van goederen is ontstaan in de zin van het bepaalde in artikel 1:94 BW.

Uit dit een en ander vloeit voort dat het verzoek van de vrouw om voor recht te verklaren dat ten aanzien van het huwelijksvermogensrecht Belgisch recht van toepassing is, moet worden afgewezen.

Dit zo zijnde dienen partijen thans, zoals ter terechtzitting bepaald, zich uit te laten of die gemeenschap via een te geven bevel verdeling met benoeming van een notaris moet worden verdeeld, dan wel dat de rechtbank de verdeling vaststelt.

De rechtbank zal partijen daartoe de gelegenheid bieden.

2.6

De man heeft verzocht te bepalen dat hij bevoegd is de bewoning van de te [M.] gelegen echtelijke woning voort te zetten alsmede de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken te gebruiken gedurende zes maanden na inschrijving van de gevraagde echtscheidingsbeschikking.

De vrouw heeft ter terechtzitting van 18 november 2003 herhaald dat zij kan instemmen met dit verzoek van de man wanneer deze aan haar voor dat voortgezet gebruik van de woning een gebruiksvergoeding betaalt van € 1.500,-- per maand.

De man heeft daartoe aangevoerd dat het betalen van een gebruiksvergoeding niet aan de orde kan zijn. Hij onderbouwt dat standpunt als volgt:

Los van het feit dat in zijn ogen het door de vrouw verzochte bedrag van € 1.500,-- per maand buiten alle proporties is, geldt, als de man een vergoeding voor het voortgezet gebruik moet voldoen, dat in dat geval zijn behoefte aan alimentatie hoger wordt naar rato van het te betalen bedrag aan vergoeding. Daarnaast is de man niet in staat een vergoeding te voldoen. Als gevolg van onder meer de vóór hun huwelijk gemaakte afspraak dat de man zijn werkzaamheden zou beëindigen om als huisman voor de vrouw te gaan zorgen omdat de vrouw een interessantere baan dan de man had die bovendien beter betaalde dan de baan die de man had bij de AFCENT in Brunssum, heeft de man immers geen inkomen. De vrouw had destijds als tolk bij SHAPE te Mons een inkomen van om en nabij € 8.000,-- netto per maand. Partijen hebben daar royaal van kunnen leven.

2.6.1

In de voorlopige voorzieningenprocedure is het uitsluitend gebruik van de woning aan de man toegewezen. Nu de vrouw stelt ermee te kunnen instemmen dat het voortgezet gebruik van de woning gedurende zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking aan de man kan worden toegewezen, zal de rechtbank dit verzoek toewijzen. De rechtbank zal het hieraan geknoopte verzoek van de vrouw om de man te veroordelen een gebruiksvergoeding te voldoen afwijzen, nu in deze procedure de man onbetwist heeft gesteld dat hij alle woonlasten van de thans alleen door hem bewoonde woning voor zijn rekening neemt en vooralsnog, gezien het hierna onder 2.7 overwogene in zake het alimentatieverzoek van de man, hij slechts inkomen verkrijgt via de door de vrouw te betalen partneralimentatie, waardoor, indien de man een vergoeding zou moeten voldoen, dit gegeven zijn behoefte aan alimentatie met een evenredig bedrag zou doen toenemen. Dit impliceert dat de vrouw onvoldoende belang bij dit verzoek heeft.

2.7

Naast het zojuist gestelde heeft de man met betrekking tot zijn alimentatieverzoek gesteld dat hij behoefte heeft aan de verzochte bijdrage van de vrouw nu hij vlak voordat partijen met elkaar zijn gehuwd zijn werk bij AFCENT in overleg met de vrouw heeft opgegeven om vanaf dat moment als huisman voor de vrouw te zorgen.

De man heeft onweersproken gesteld dat hij sinds hij in 1971 voor AFCENT is gaan werken en sindsdien is vrijgesteld van de heffing van inkomstenbelasting en de premies van de volks--verzekeringen. Nadat hij met de vrouw is gehuwd is die situatie niet gewijzigd. De man wordt weer belastingplichtig zodra de echtscheidingsbeschikking wordt ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. In verband met het feit dat hij tot genoemd tijdstip geen belasting hoeft af te dragen en dus voor hem de behoefte aan een bijdrage van de vrouw op een andere wijze moet worden bepaald dan in de Tremanormen is aangegeven, heeft de man over de periode van 1 februari 2002 tot en met 1 augustus 2003 een overzicht samengesteld waaruit is op te maken dat zijn gemiddelde uitgaven per maand € 3.757,75 bedragen.

2.7.1

De vrouw heeft gesteld dat ook zij geen inkomstenbelasting of premieheffingen hoeft te voldoen en dat dit maakt dat haar draagkracht niet kan worden vastgesteld volgens de in Nederland hiervoor doorgaans te hanteren Tremanormen. Ter terechtzitting van 18 november 2003 heeft zij aangegeven dat er op dat moment geen draagkrachtprobleem was en is om de door de man verzochte alimentatie van € 4.000,-- per maand te betalen. De vrouw is evenwel van mening dat het door de man tijdens het huwelijk van partijen aan de dag gelegde wan-gedrag alsmede het feit dat hij weer zou kunnen gaan werken, maken dat hij geen behoefte heeft aan de gevraagde alimentatie, in elk geval niet tot het gestelde bedrag.

De man stelt dat hij thans 54 jaar oud is en dat hij reeds 10 jaar uit het arbeidsproces is en dit laatste maakt dat zijn kennis op automatiseringsgebied verouderd is. Dit gegeven in relatie met zijn leeftijd maakt dat hij in deze branche geen, dan wel nauwelijks betaald werk kan vinden. Een en ander blijkt al uit het feit dat hij nu reeds meer dan een jaar geleden zijn cv bij het CWI heeft ingeleverd en daar sindsdien tot op heden zonder succes staat ingeschreven als werkzoekende.

De man is verder van mening dat de mislukte, met hulp van de vrouw gedane poging om een handel in Oekraïense producten op te zetten, de man niet verweten kan worden omdat van Oekraïense kant heel veel werd beloofd maar niets werd nagekomen.

2.7.2

De vrouw heeft ter terechtzitting van 18 november 2003 gesteld dat haar draagkracht om de gevorderde alimentatie te betalen geen probleem is. Nu de vrouw in het licht hiervan haar stellingen in zake het wangedrag van de man niet, dan wel niet genoegzaam heeft onder-bouwd, gelet op hetgeen de man daar gemotiveerd tegen in gebracht heeft en de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij thans niet in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien, kan het verzoek van de man worden toegewezen. De rechtbank zal met het oog op het onder 2.7 genoemde overzicht de hoogte van de door de vrouw te betalen bijdrage, nog rekening houdend met de sindsdien voorgekomen inflatie, bepalen op € 3.850,-- per maand.

2.8

In verband met het feit dat, zoals hierboven onder 2.9 overwogen, partijen zich dienen uit te laten omtrent een te geven bevel verdeling dan wel vaststelling van de verdeling van de zal de rechtbank deze zaak dienaangaande aanhouden.

Dat geldt ook, gelet op hetgeen daartoe in het reeds meermalen genoemde proces-verbaal van 18 november 2003 is opgenomen, met betrekking tot het verzoek van de vrouw om de man te veroordelen aan de gemeenschap een bedrag van € 19.292,98 te vergoeden.

3. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt uit tussen partijen, op [datum huwelijk] te [M.] gehuwd, echtscheiding.

Veroordeelt de vrouw om aan de man tot levensonderhoud uit te keren een bedrag van € 3.850,-- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.

Bepaalt, dat de man, als hij op het ogenblik van de inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand de echtelijke woning aan de [adres] te [M.]

nog bewoont, jegens de vrouw bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken, gedurende ZES MAANDEN na de inschrijving van deze beschikking voort te zetten.

Wijst af de hiervoor door de vrouw verzochte gebruiksvergoeding.

Wijst af het verzoek van de vrouw om voor recht te verklaren dat ten aanzien van het huwelijksvermogensrecht Belgisch recht van toepassing is.

Stelt partijen in de gelegenheid zich binnen een termijn van vier weken na heden bij brief uit te laten ter zake het geven van een bevel verdeling met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon als wel ter zake de vraag of de rechtbank de verdeling van de gemeenschap moet vaststellen.

Houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. L.M.I.A. Bregonje, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 april 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.

LD/FA