Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2005:AT3305

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
04-02-2005
Datum publicatie
06-04-2005
Zaaknummer
AWB 05 / 111 WRO VV FEE
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Schorsingsaanvraag van aan Woningcorporatie Woon Profiel verleende vergunning voor het bouwen van achttien appartementen en een garage op het perceel gelegen aan de Dr. Schaepmanstraat en de Minister Ruysstraat te Geleen.

Niet afdoende duidelijk aan de hand van welk beleid dient te worden vastgesteld of een verklaring van geen bezwaar dient te worden aangevraagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 05 / 111 WRO VV FEE

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht op het verzoek

om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)

inzake

1. BSB Assurantiën BV,

2. [verzoeker 2],

3 [verzoeker 3],

4. [verzoeker 4],

te [plaats] , verzoekers,

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Sittard-Geleen,

gevestigd te Sittard, verweerder.

Datum bestreden besluit: 11 november 2004

Kenmerk: 03.01306/140848

Behandeling ter zitting: 1 februari 2005

1. Ontstaan en loop van de procedure

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 11 november 2004 (verzonden 17 november 2004) heeft verweerder – onder verlening van vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (WRO) – aan Woningcorporatie Woon Profiel vergunning verleend voor het bouwen van achttien appartementen en een garage op het perceel gelegen aan de Dr. Schaepmanstraat en de Minister Ruysstraat te Geleen, kadastraal bekend gemeente Geleen, sectie A, nummer 11233.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij schrijven van 23 november 2004 een bezwaarschrift op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doen indienen bij verweerder.

Bij schrijven van 20 januari 2005 heeft de gemachtigde van verzoekers zich tot de voorzieningenrechter van deze rechtbank gewend met het verzoek ter zake van het bestreden besluit een voorlopige voorziening, als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb, te treffen.

Woningcorporatie Woon Profiel is inmiddels gefuseerd met een aantal andere woningcorporaties en draagt thans de naam ‘Woonmaatschappij Zo Wonen’ (hierna: vergunninghouder).

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:26 van de Awb is vergunninghouder in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen, van welke gelegenheid gebruik is bemaakt.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan de gemachtigde van verzoekers gezonden alsook aan vergunninghouder. De inhoud van de stukken wordt als hier herhaald en ingelast beschouwd.

Het verzoek is behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter op 1 februari 2005 alwaar [verzoeker 2] in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. H.E.G. Peters, advocaat te Geleen en diens kantoorgenoot mr. M.J.A.M. Tonnaer. Mr. Peters en mr. Tonnaer voornoemd traden voorts op namens de overige verzoekers.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heren Ubachs, Giesen en Houben, ambtenaren der gemeente, bijgestaan door mr. J.L. Stoop, advocaat te Maastricht.

Voor vergunninghouder zijn verschenen de heren Verheggen en Verschaeren.

2. Overwegingen

2.1 In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen dat vereist.

Voor zover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium mee brengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure.

De voorzieningenrechter ziet geen beletselen verzoekers in hun verzoek ex artikel 8:81 van de Awb te ontvangen. Voorts acht de voorzieningenrechter ook de onverwijlde spoed in genoegzame mate aangetoond.

2.2 Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat zonder die voorziening het voor verzoekers uit het bestreden besluit voortkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang. Nu de voorzieningenrechter aan de zijde van verzoekers een bepaald spoedeisend belang aanwezig acht en derhalve niet reeds op voorhand kan worden geconcludeerd dat hij zonder enig nadeel een beslissing op bezwaar kan afwachten, is het antwoord op de vraag of sprake is van enig nadeel dat behoort te worden voorkomen door het treffen van een voorlopige voorziening in belangrijke mate mede afhankelijk van een voorlopig oordeel omtrent de vraag of het bestreden besluit als zodanig in een eventuele hoofdzaak zal kunnen worden gehandhaafd.

Dienaangaande wordt overwogen als volgt.

2.3 Blijkens een op 13 november 2003 ter gemeentesecretarie ontvangen aanvraag bouwvergunning heeft vergunninghouder verweerder verzocht om afgifte van een vergunning voor het bouwen van achttien appartementen en achttien semi-ondergrondse parkeerplaatsen op een perceel gelegen aan de Dr. Schaepmanstraat/Minister Ruysstraat ongenummerd te Geleen, kadastraal bekend gemeente Geleen, sectie A, nummer 11233..

Het perceel waarop het bouwplan is gesitueerd ligt binnen het bestemmingsplan “Station Lutterade en omgeving”. Op het perceel rust de bestemming “gemengde doeleinden”. Ingevolge het bepaalde in artikel 6 van het bestemmingsplan is woningbouw ter plaatse niet toegestaan. Het bouwplan is derhalve in strijd met het bestemmingsplan.

2.4 Ingevolge artikel 40, eerste lid, van de Woningwet is het verboden te bouwen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders.

Artikel 44 van de Woningwet bepaalt dat de bouwvergunning alleen mag en moet worden geweigerd, indien het bouwplan waarvoor zij wordt gevraagd in strijd is met – zakelijk weergegeven – het bestemmingsplan, het Bouwbesluit, de bouwverordening, de redelijke eisen van welstand, of wanneer een ingevolge de Monumentenwet benodigde vergunning ontbreekt.

Ingevolge het bepaalde in artikel 46, lid 3, WRO is de aanvraag bouwvergunning tevens aangemerkt als een verzoek om vrijstelling van het bestemmingsplan.

Het bouwplan is gepubliceerd en heeft vanaf 11 maart 2004 gedurende vier weken voor eenieder ter inzage gelegen. Voorafgaande aan 11 maart 2004 heeft de gemachtigde van verzoekers verschillende malen schriftelijk gereageerd richting verweerder met betrekking tot het onderhavige bouwplan. Verweerder heeft de correspondentie van de gemachtigde van verzoekers aan gemerkt als zienswijze. Deze zienswijze is door verweerder niet gehonoreerd en bij besluit van 11 november 2004 is vrijstelling verleend op grond van het bepaalde in artikel 19, tweede lid, van de WRO.

Tegen dit besluit hebben verzoekers bij schrijven van 23 november 2004 een bezwaarschrift op grond van de Awb doen indienen bij verweerder.

2.5 In bezwaar hebben verzoekers onder meer aangevoerd dat de ruimtelijke onderbouwing onvoldoende is.

Artikel 19, lid 2, van de WRO bepaalt:

“Burgemeester en wethouders kunnen vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in door gedeputeerde staten, in overeenstemming met de inspecteur van de ruimtelijke ordening, aangegeven categorieën van gevallen. Gedeputeerde staten kunnen daarbij tevens bepalen onder welke omstandigheden vooraf een verklaring van gedeputeerde staten dat zij tegen het verlenen van vrijstelling geen bezwaar hebben, is vereist. Het bepaalde in het eerste lid met betrekking tot een goede ruimtelijke onderbouwing is van overeenkomstige toepassing.”

Artikel 19, lid 1 bepaalt ten aanzien van de ruimtelijke onderbouwing:

“Onder een goede ruimtelijke onderbouwing wordt bij voorkeur een gemeentelijk of intergemeentelijk structuurplan verstaan. Indien er geen structuurplan is of wordt opgesteld, wordt bij de ruimtelijke onderbouwing in elk geval ingegaan op de relatie met het geldende bestemmingsplan, dan wel wordt er gemotiveerd waarom het te realiseren project past binnen de toekomstige bestemming van het betreffende gebied.”

De ruimtelijke onderbouwing houdt, blijkens de Memorie van Toelichting bij de ‘Wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening’ (Tweede Kamer, vergaderjaar 1996-1997, 25 311, nr. 3, p. 6 t/m 8), in dat dat het vrijstellingsbesluit de visie moet bevatten op de toekomstige ruimtelijke ontwikkeling van het betrokken gebied, waarbinnen het te realiseren project moet passen, en de ruimtelijke effecten van dat project op de omgeving; in de ruimtelijke onderbouwing moet de planologisch gewenste ontwikkeling op een voor bestuur en burgers duidelijke manier herkenbaar zijn.

De ruimtelijke onderbouwing hoeft niet in alle gevallen even omvangrijk te zijn: naarmate de inbreuk op het geldend planologische regime geringer is, behoeven aan die onderbouwing, ingevolge vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie onder meer ABRS 1 mei 2002, BR 2002/609), minder zware eisen te worden gesteld.

Op het perceel waarop het bouwplan betrekking heeft, rust de bestemming “gemengde doeleinden”. Ingevolge de planvoorschriften zijn deze gronden (onder meer) bestemd voor kantoordoeleinden. Oprichting van een kantoorpand van maximaal 4 bouwlagen en maximaal 3.600 m² bedrijfsvloeroppervlakte is op grond van de planvoorschriften toegestaan.

Het bouwplan is voor wat betreft de functie in strijd met deze bestemming. Voor wat betreft de hoogte en de oppervlakte past het plan echter binnen de bouwvoorschriften van het plan en is zelfs kleiner dan hetgeen maximaal is toegestaan.

Gelet op het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat sprake is van een geringe inbreuk op het planologisch regime. Derhalve kunnen aan de ruimtelijke onderbouwing, als bedoeld in artikel 19, tweede ld, van de WRO, minder zware eisen worden gesteld.

De ruimtelijke onderbouwing wordt gevormd door een stuk van Heijmans IBC Vastgoedontwikkeling van 5 november 2003. In dit stuk wordt ingegaan op de relatie met het vigerende bestemmingsplan terwijl voorts gemotiveerd wordt aangegeven waarom de bestemming in het vigerende bestemmingsplan niet gerealiseerd kan worden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoet de ruimtelijke onderbouwing ook overigens aan de daaraan te stellen eisen.

Deze grief van verzoekers treft derhalve geen doel.

2.6 Door verzoekers is voorts gesteld dat verweerder, alvorens vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO te verlenen, een verklaring van geen bezwaar had dienen te vragen aan gedeputeerde staten.

De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande dat bij besluit van 21 november 2000, gepubliceerd in het Provinciaal Blad van Limburg van 30 november 2000, nr. 39 (in werking getreden op 1 december 2000) een lijst bekend is gemaakt van categorieën van gevallen als bedoeld in artikel 19, lid 2 van de WRO.

Bij besluit van 13 juli 2004 is de lijst met categorieën als bedoeld in artikel 19, lid 2 van de WRO verruimd. Publicatie van dit besluit heeft plaatsgevonden op 21 juli 2004 en het besluit is in werking getreden op 23 juli 2004. In de verruimde lijst is geen overgangstermijn opgenomen zodat ten tijde van het bestreden besluit van deze verruimde lijst diende te worden uitgegaan.

In de lijst, zoals die sinds 23 juli 2004 luidt, is onder A, sub 1, letter a, bepaald dat artikel 19, lid 2 van de WRO van toepassing is in geval van het bouwen van een of meerdere woningen binnen de op basis van het streekplan c.q. POL aangewezen contour om een woonkern dan wel bij het ontbreken van een dergelijke contour binnen het op de POL-kaart aangegeven ‘bestaand stads- en dorpsgebied’ en ‘stedelijk centrumgebied’; het project dient te passen binnen het goedgekeurde Regionaal Volkshuisvestingsplan. Een voorafgaande verklaring van geen bezwaar is in dat geval niet vereist.

Onder A, sub 2, letter c van de lijst is bepaald dat ingevolge het bepaalde in artikel 19, lid 2, tweede volzin, alsnog een verklaring van geen bezwaar is vereist indien het project ligt in de omgeving van een risicovolle inrichting of transport.

Blijkens de toelichting betreft het hier de externe veiligheid en is in de rijks- en provinciale beleidskaders aangegeven hoe met dit aspect moet worden omgegaan.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat noch uit de tekst van de lijst noch uit de toelichting daarop afdoende duidelijk is aan de hand van welk beleid vastgesteld dient te worden of een verklaring van geen bezwaar aangevraagd dient te worden.

Weliswaar kan uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden afgeleid welke grenswaarde in acht genomen dient te worden bij het verlenen van vrijstelling op grond van artikel 19, eerste, tweede of derde lid van de WRO, maar uit dit besluit kan niet afgeleid worden wanneer een verklaring van geen bezwaar is vereist voor het verlenen van vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de WRO. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan derhalve niet worden vastgesteld of de vrijstelling verleend kon worden zonder dat vooraf een verklaring van geen bezwaar is gevraagd aan gedeputeerde staten.

Namens verweerder is weliswaar gesteld dat voorafgaande aan de vergunningverlening uitvoerig overleg is gevoerd met gedeputeerde staten en dat gedeputeerde staten derhalve op de hoogte waren van de locatie van het bouwplan, maar dat gedeputeerde staten desalniettemin aan verweerder hebben laten weten dat een verklaring van geen bezwaar niet was vereist. De voorzieningenrechter stelt echter vast dat dit uit de stukken in het dossier niet kan worden afgeleid, terwijl evenmin duidelijk is op basis waarvan gedeputeerde staten concluderen dat het vragen van een verklaring van geen bezwaar niet is vereist.

Het voorgaande brengt met zich mee dat het bestreden besluit voor schorsing in aanmerking komt. Verweerder zal na dienen te gaan of dit gebrek in de beslissing op bezwaar kan worden hersteld.

2.7 De voorzieningenrechter acht verder termen aanwezig om verweerder overeenkomstig het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de door verzoekers in verband met het onderhavige verzoek redelijkerwijs gemaakte proceskosten. Deze kosten zijn op de voet van de normen van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op het in rubriek 3 vermelde bedrag, waarbij voor de in aanmerking te brengen proceshandelingen van de gemachtigde van verzoekers twee punten zijn toegekend (een punt voor het indienen van het verzoekschrift en het verschijnen ter zitting) en het gewicht van de zaak is bepaald op gemiddeld (wegingsfactor 1). Van andere ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komende kosten is niet kunnen blijken.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht:

I. wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe, in dier voege dat het bestreden besluit wordt geschorst tot de bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

II. veroordeelt verweerder tot vergoeding van de kosten van de onderhavige procedure, aan de zijde van verzoekers begroot op € 644,--, te voldoen door de gemeente Sittard-Geleen aan verzoeker;

III. bepaalt dat voormelde rechtspersoon aan verzoekers het door hen voor de onderhavige procedure gestorte griffierecht (ad € 273,--) volledig vergoedt.

Aldus gedaan door mr. J.N.F. Sleddens in tegenwoordigheid van mr. E.B.A. Ferwerda als griffier en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2005 door mr. Sleddens voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. E. Ferwerda w.g. J. Sleddens

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

verzonden op: 4 februari 2005

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.