Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2005:AS8867

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
10-02-2005
Datum publicatie
08-03-2005
Zaaknummer
AWB 04 / 200 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

De verzekeringsarts heeft in zijn rapportage van 27 maart 2003 aangegeven dat er naar zijn mening te weinig reïntegratieactiviteiten hebben plaatsgevonden.

De arbeidsdeskundige heeft in haar rapportage van 31 maart 2003 aangegeven dat ook zij van mening is dat het reïntegratieresultaat niet bevredigend is geweest. Naar haar mening zijn er door de werkgever onvoldoende inspanningen verricht.

De arbeidsdeskundige is van mening dat aan eiseres een loonsanctie dient te worden opgelegd.

Op 1 april 2003 wordt door verweerder een aanvraag loonsanctie ingediend bij de LLC.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 04 / 200 WAO

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

Reisbureau Schoenmaeckers BV,

gevestigd te Maastricht, eiseres,

tegen

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (Venlo),

gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum bestreden besluit:

1. Besluit als bedoeld in de zin van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht.

2. Besluit van 6 februari 2004

Behandeling ter zitting: 8 december 2004

1. Ontstaan en loop van het geding

Op 22 januari 2003 is namens eiseres bij de rechtbank ’s Gravenhage beroep ingesteld tegen een besluit als bedoeld in 6:2 sub b van de Algemene wet bestuursrecht (hierna Awb). Bij brief van 9 februari 2004 is door verweerder erkend dat er inderdaad niet tijdig is beslist op het bezwaar van eiseres.

Op 10 februari 2004 heeft de rechtbank ’s Gravenhage het beroepschrift (met bijlagen) doorgezonden aan de rechtbank Maastricht, omdat deze bevoegd is het beroep te behandelen.

Gebleken is dat er tevens een verzoek om voorlopige voorziening is ingediend bij de rechtbank ’s Gravenhage. Het verzoek om voorlopige voorziening is ingetrokken met een verzoek om proceskosten. De voorziening is behandeld door de rechtbank ’s Gravenhage.

Op 6 februari 2004 is door verweerder alsnog een beslissing genomen op het bezwaarschrift van eiseres, welke beslissing aan de rechtbank is toegezonden en daar op 16 februari 2004 is ingekomen.

Bij brief van 17 februari 2004 heeft de rechtbank gemachtigde van eiseres verzocht mede te delen of met de inhoud van dit het besluit van 6 februari 2004 aan de bezwaren van eiseres tegemoet is gekomen. Indien het besluit niet aan de bezwaren tegemoetkomt verzoek de rechtbank gemachtigde aan te geven welke bezwaren gemachtigde nog heeft. Het beroep zal alsdan geacht worden mede gericht te zijn tegen dit nieuwe besluit.

Bij brief van 12 maart 2004 heeft gemachtigde van eiseres aangegeven dat met de beslissing op bezwaar van 6 februari 2004 niet tegemoet is gekomen aan de bezwaren van eiseres.

Bij brief van 16 maart 2004 heeft de rechtbank aan partijen medegedeeld dat het besluit van 6 februari 2004 conform het bepaalde in artikel 6:20 van de Awb bij de beoordeling in de onderhavige procedure wordt betrokken.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Awb ingezonden stukken en het verweerschrift zijn in afschrift aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

Op 26 november 2004 heeft gemachtigde van eiseres zijn gronden nader onderbouwd.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank op 8 december 2004 alwaar eiseres zich met bericht niet ter zitting heeft doen vertegenwoordigen.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mw M.J. Lagerweij-Barwasser.

2. Overwegingen

[A] (hierna betrokkene) is werkzaam bij Reisbureau Schoenmaeckers BV. Op 5 juni 2002 heeft betrokkene zich ziek gemeld. In het kader van de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd is door verweerder een onderzoek verricht naar de reïntegratie-inspanningen van de werkgever van betrokkene (hierna eiseres) in het kader van het eerste ziektejaar.

De verzekeringsarts P. Rodriguez heeft in zijn rapportage van 27 maart 2003 aangegeven dat er naar zijn mening te weinig reïntegratieactiviteiten hebben plaatsgevonden.

De arbeidsdeskundige P. Hupperetz heeft in haart rapportage van 31 maart 2003 aangegeven dat ook zij van mening is dat het reïntegratieresultaat niet bevredigend is geweest. Naar haar mening zijn er door de werkgever onvoldoende inspanningen verricht.

De arbeidsdeskundige is van mening dat aan eiseres een loonsanctie dient te worden opgelegd.

Op 1 april 2003 wordt door verweerder een aanvraag loonsanctie ingediend bij de LLC.

Op 10 april 2003 is namens het LLC per e-mail aan verweerder mededeling gedaan omtrent de aanvraag. De LLC is van mening dat:

? er thans nog geen sanctie kan worden opgelegd. Vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid en oordeelsvorming moet verweerder nog nader speurwerk doen;

? indien het tot een sanctie komt, het niet een sanctie naar aard/ernst van 9 maanden (categorie 3) met een herstelperiode van 6 maanden is, maar dat de sanctie valt in categorie 2, zijnde 6 maanden.

Op 23 april 2003 heeft de verzekeringsarts nadere informatie ingewonnen bij de arbo-arts F. van Mijl.

Deze arts heeft op 28 april 2003 ten aanzien van betrokkene gerapporteerd.

Op basis van deze nadere informatie komt de verzekeringsarts in zijn rapportage van 16 mei 2003 wederom tot de conclusie dat er onvoldoende reïntegratieactiviteiten werden ondernomen en, voor zover die ondernomen werden, dit te laat van start ging.

Ook de arbeidsdeskundige P. Hupperetz heeft in haar rapportage van 19 mei 2003 aangegeven dat zij blijft bij haar eerder ingenomen standpunt dat er sprake is van onvoldoende inspanning van de kant van eiseres en dat, nu geen deugdelijke grond bestaat om zo te handelen, dienovereenkomstig een loonsanctie dient te worden opgelegd.

Op 19 mei 2003 is door verweerder wederom een aanvraag loonsanctie ingediend bij de LLC

Op 21 mei 2003 heeft de LLC per e-mail aan verweerder meegedeeld dat zijn volledig akkoord gaan met het voorstel en dat er een sanctie, aard/ernst 6 maanden, herstelperiode van 4 maanden mag worden opgelegd.

Bij besluit van 23 mei 2003 heeft verweerder aan eiseres meegedeeld dat de reïntegratieactiviteiten onvoldoende zijn geweest en eiseres geen deugdelijke grond heeft voor dit verzuim. Gelet daarop wordt de loondoorbetalingsverplichting verlengd. Het tijdvak dat betrokkene recht heeft op doorbetaling van loon omvat 4 maanden en duurt van 4 juni 2003 tot en met 3 oktober 2003.

Tegen dit besluit is namens eiseres op 24 juni 2003 (en aanvullend op 7 augustus 2003) bezwaar aangetekend.

Eiseres is vervolgens op 25 september 2003 in de gelegenheid gesteld om op het bezwaar te worden gehoord. Van het horen is een verslag opgemaakt dat zich bij de gedingstukken bevindt.

Op 27 oktober 2003 heeft de bezwaarverzekeringsarts C.H.M. Heeskens-Reijnen een rapportage uitgebracht. Naar haar mening bestaat er geen reden om de primaire beslissing voor onjuist te houden.

Op 6 november 2003 deelt verweerder aan betrokkene en eiseres mede dat de beslistermijn met vier weken zal worden verlengd.

Op 22 januari 2004 is namens eiseres beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.

Bij brief van 9 februari 2004 deelt verweerder mee dat het niet binnen de termijn kunnen beslissen op bezwaar wordt veroorzaakt door het feit dat het nogal druk is.

Hangende dit beroep heeft verweerder bij besluit van 6 februari 2004 alsnog een nieuwe reële beslissing genomen op bovengenoemd bezwaarschrift van eiseres (besluit 2). Daarbij zijn de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard.

Ingevolge artikel 6:20 van de Awb wordt het beroep tegen het niet tijdig nemen van een (nieuw) besluit geacht mede te zijn gericht tegen het (reële) besluit op bezwaar, tenzij dat besluit geheel aan het beroep tegemoet komt. Gelet op de gedingstukken is dit laatste in het onderhavige geding niet het geval, zodat toepassing dient te worden gegeven aan het eerste zinsdeel van voornoemd artikel 6:20 van de Awb.

Voor zover het beroep is gericht tegen het uitblijven van een besluit op het namens eiseres ingediende bezwaarschrift tegen het besluit van 24 juni 2003, overweegt de rechtbank dat op grond van artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb, voor de toepassing van wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit.

Niet in geding is dat verweerder heeft nagelaten tijdig te voldoen aan de in de wet gestelde termijn van dertien weken om op het bezwaarschrift van eiseres te beslissen. Dit betekent dat hetgeen door eiseres op dit punt in beroep naar voren is gebracht, doel treft.

Verweerder heeft evenwel met zijn besluit van 6 februari 2004 alsnog een inhoudelijke beslissing op het bezwaarschrift van eiser genomen, weshalve ingevolge het bepaalde in artikel 6:20 Awb beoordeeld moet worden of eiseres thans nog belang heeft bij het beroep voor zover dit is gericht tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op het bezwaarschrift.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres geen processueel belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het uitblijven van een tijdige nieuwe beslissing op zijn bezwaarschrift nu verweerder hangende de beroepsprocedure alsnog op dit bezwaar heeft beslist. Derhalve is het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig nemen van een nieuw besluit, niet-ontvankelijk te achten wegens het ontbreken van een belang bij een inhoudelijke beoordeling van dit beroep.

Vervolgens dient te worden bezien of in de omstandigheden van het geval, in het bijzonder in de reden voor het vervallen van het procesbelang, grond is gelegen om over te gaan tot een proceskostenveroordeling. De Centrale Raad van Beroep heeft in zijn uitspraak van 13 augustus 2002 (Centrale Raad van Beroep, 13 augustus 2002, USZ 2002/275) ten aanzien van de proceskosten geoordeeld dat proceskosten in een geval als onderhavig wel dienen te worden vergoed. Van belang hierbij is dat verweerder het onrechtmatig uitblijven van het bestreden besluit op generlei wijze heeft betwist. Voorts is van belang dat moet worden vastgesteld dat eiseres in eerste instantie terecht beroep heeft aangetekend tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar. Derhalve oordeelt de rechtbank dat moet worden overgegaan tot vergoeden van de proceskosten. In onderhavig geval wordt ten aanzien van de proceskosten de gewichtsfactor “zeer licht” toegekend, hetgeen leidt tot de conclusie dat een bedrag van 0,25 x € 322,00 = € 80,50 vergoed dient te worden.

Ten aanzien van vergoeding van het griffierecht oordeelt de rechtbank dat thans wordt aangesloten bij hetgeen de raad hieromtrent heeft overwogen in zijn uitspraak van 20 augustus 2003 (Centrale Raad van Beroep, 20 augustus 2003, JB 2003/272). Zoals hierboven reeds is overwogen wordt ingevolge artikel 6:20 van de Awb een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit geacht mede te zijn gericht tegen een inmiddels genomen besluit, tenzij dat besluit aan het beroep tegemoet komt. Bij toepassing van artikel 6:20 van de Awb wordt niet opnieuw griffierecht geheven. Dit houdt in dat het door eiseres betaalde griffierecht geacht wordt mede te zijn voldaan ten aanzien van het beroep tegen het besluit 6 februari 2004.

Ten aanzien van het beroep gericht tegen het uitblijven van een beslissing op het namens eiseres ingediende bezwaarschrift wordt mitsdien beslist als hierna aangegeven onder 3.

De rechtbank komt vervolgens toe aan de beoordeling van het beroep gericht tegen het (reële) besluit van 6 februari 2004 (besluit 2).

Verweerder heeft bij zijn alsnog op het bezwaarschrift genomen besluit van 6 februari 2004 de bezwaren van eiseres ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag verweerders standpunt dat op grond van de beschikbare gegevens de conclusie kan worden getrokken dat de loonsanctie van vier maanden terecht is opgelegd.

In beroep is namens eiseres aangevoerd - kort gezegd - dat het bestreden besluit niet voldoet aan de eisen van artikel 7:11 van de Awb, er wordt in dit verband verwezen naar een artikel van mr. F.M. Noordam, voorts zijn de beleidsregels van het UWV in strijd met het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel en tot slot moet de sanctie als “criminal charge” worden gezien.

De rechtbank dient in dit geding te beoordelen, of het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Centraal staat daarbij de vraag of verweerder terecht en op goede gronden van oordeel is dat eiseres onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank is de volgende bepaling relevant.

Artikel 71a lid 9 WAO

Indien bij de behandeling van de aanvraag, bedoeld in artikel 34, derde lid, en de beoordeling als bedoeld in artikel 34a blijkt dat de werkgever zonder deugdelijke grond zijn verplichtingen op grond van het eerste, tweede, derde, vierde of vijfde lid dan wel de krachtens het zevende lid gestelde regels niet of niet volledig nakomt of onvoldoende reïntegratie-inspanningen heeft verricht stelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een tijdvak vast, gedurende welke de werknemer jegens die werkgever recht op loon heeft op grond van artikel 629 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek dan wel aanspraak op bezoldiging op grond van artikel XV, tweede lid, van de Wet terugdringing ziekteverzuim. Dit tijdvak is ten hoogste 52 weken en wordt afgestemd op de aard en ernst van het verzuim, alsmede op de periode die nodig wordt geacht om alsnog voldoende reïntegratie-inspanningen te leveren.

Verweerder heeft in het kader van de beoordeling die moet worden uitgevoerd in het kader van genoemd artikel een aantal beleidsregels opgesteld. Het betreft met name de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Stcrt. 6 december 2002, nr. 236), de Regeling procesgang eerste ziektejaar (Stcrt. 26 maart 2002, nr. 60) en de Beleidsregels verlening loondoorbetaling poortwachter (Stcrt. 18 maart 2003, nr. 54).

Op 10 april 2003 heeft verweerder van de LLC een e-mail ontvangen waarin onder andere werd opgemerkt dat de LLC van uit de optiek van zorgvuldigheid en oordeelsvorming van mening is dat nog iets nader speurwerk gedaan moet worden. Voorts is opgesomd wat verweerder nog moet doen om tot een loonsanctie te komen. Verweerder heeft daarop inlichtingen ingewonnen bij de bedrijfsarts F. van der Mijl. Vervolgens hebben de verzekeringsarts en de arbeidsdeskundige in hun rapportages aangegeven dat ook op basis van de nader verkregen informatie er nog steeds sprake is van onvoldoende reïntegratie-inspanningen. Verweerder blijft dan ook van mening dat een sanctie dient te worden opgelegd.

De rechtbank is van oordeel dat namens verweerder onvoldoende is onderbouwd waarom een loonsanctie in dit geval op zijn plaats is. Hierbij is naar het oordeel van de rechtbank relevant dat naar aanleiding van het onderzoek van verweerder thans nog steeds onduidelijk is in welke urenomvang betrokkene haar werkzaamheden heeft hervat.

Voorts ontbreekt naar het oordeel van de rechtbank een deugdelijk onderzoek van verweerder naar de mogelijkheden van betrokkene in haar eerste ziektejaar. De enkele opmerking van de verzekeringsarts dat de argumentatie van de bedrijfsarts nogal een vrijblijvend karakter heeft en geen medische adequate onderbouwing vormt voor de manier waarop de reïntegratie heeft plaatsgevonden, doet naar het oordeel van de rechtbank geen recht aan de eisen die in het kader van een zorgvuldig onderzoek worden gesteld. Het had op de weg van verweerder gelegen om, zoals blijkens het dossier wel is gebeurd in het kader van het vaststellen van de beperkingen van betrokkene per einde wachttijd, nadere informatie in te winnen bij de behandeld sector van betrokkene alvorens een dergelijke conclusie te trekken.

Ook de conclusie van de verzekeringsarts in zijn rapportage van 16 mei 2003 waarin deze opmerkt dat “gezien de omschrijving van de bedrijfsarts en rekening houdend met het feit dat tijdens de reïntegratie geen eigen werk, maar aangepast werk wordt verricht, wordt aangenomen dat de urenbeperking niet alleen betrekking heeft op het eigen werk, maar als algemene urenbeperking moet worden gezien” is onvoldoende met harde feiten onderbouwd.

Op grond van bovenstaande oordeelt de rechtbank dat er geen sprake is van een zorgvuldige onderzoek. Verweerder trekt conclusies zonder deze te onderbouwen met relevante medische en/of arbeidskundige gegevens. Het bestreden besluit kan derhalve, nu onvoldoende is gemotiveerd hoe verweerder tot een loonsanctie komt, niet in stand blijven.

Nu het bestreden besluit reeds om die reden niet in stand kan blijven komt de rechtbank aan een bespreking van de overige grieven niet toe.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten, die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbij-stand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De rechtbank kent ter zake een punt met elk een waarde van € 322,-- toe voor de indie-ning van het beroepschrift en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het te ver-goeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve in zoverre € 322,--.

Op grond van de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt mitsdien als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

Ter zake van het beroep tegen het besluit als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en sub b van de Awb:

1. verklaart het beroep gericht tegen het besluit als bedoeld in artikel 6:2, aanhef en sub b van de Awb niet-ontvankelijk.

2. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank aan de zijde van eiseres begroot op € 80,50 te betalen door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen – UWV Venlo – aan eiseres.

Ter zake van het beroep tegen het besluit van 6 februari 2004:

3. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

4. draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres;

5. bepaalt dat aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van

€ 232,00 wordt vergoed door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen – UWV Venlo – ;

6. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op € 322,00 wegens de kosten van rechtsbijstand, te vergoeden door het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen – UWV Venlo – aan eiseres.

Aldus gedaan door mr. T.E.A. Willemsen in tegenwoordigheid van mr. H. Fokke als griffier en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2005 door mr. Willemsen voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. H. Fokke w.g. Willemsen

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 10 februari 2005

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.