Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2005:AS8866

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
09-02-2005
Datum publicatie
08-03-2005
Zaaknummer
AWB 04 / 1178 WAO
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser heeft vanaf 6 mei 1997 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheid (WAO) ontvangen nadat hij in verband met arbeidsongeschiktheid tengevolge van een ernstig auto-ongeval zijn werkzaamheden als produktiemedewerker bij een drankenhandel had moeten staken. Deze uitkering was laatstelijk gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. De uitkering is met ingang van 1 oktober 2001 beëindigd.

Op 22 september 2003 heeft eiser opnieuw een aanvraag ingediend strekkende tot toekenning van een WAO-uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 04 / 1178 WAO

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[A],

wonende te Sittard, eiser,

tegen

de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (Maastricht),

gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum bestreden besluit: 5 augustus 2004

Behandeling ter zitting: 19 januari 2005

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij brief van 3 augustus 2004 is namens eiser door zijn gemachtigde mr. A.C.S. Grégoire, advocaat te Sittard, beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het namens eiser ingediende bezwaarschrift van 19 maart 2004 gericht tegen de primaire besluiten van 10 en 11 februari 2004.

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 5 augustus 2004 heeft verweerder het namens eiser ingediende bezwaarschrift van 19 maart 2004 tegen de besluiten van 10 en 11 februari 2004 ongegrond verklaard.

Nu met het besluit van 5 augustus 2004, blijkens het schrijven van de gemachtigde van eiser van 6 september 2004, niet aan eisers bezwaren tegemoet is gekomen acht de rechtbank het namens eisers ingestelde beroep tegen verweerders nalaten tijdig een besluit op eisers bezwaar te nemen ingevolge artikel 6:20, vierde lid, van de Awb mede gericht tegen dit besluit.

Bij brief van 6 september 2004 zijn de nadere gronden waarop het beroep berust bij de rechtbank ingediend.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van eiser gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 19 januari 2005, waar noch eiser noch zijn gemachtigde is verschenen. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. B.H.C. de Bruijn.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

De feiten

Eiser heeft vanaf 6 mei 1997 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheid (WAO) ontvangen nadat hij in verband met arbeidsongeschiktheid tengevolge van een ernstig auto-ongeval zijn werkzaamheden als produktiemedewerker bij een drankenhandel had moeten staken. Tengevolge van dit auto-ongeval ondervindt eiser cognitieve stoornissen, geheugenproblemen, epilepsie-gerelateerde klachten en is er sprake van een agressiederegulatie. Deze uitkering was laatstelijk gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Met de beslissing van 20 februari 2003 is eisers uitkering met ingang van 1 oktober 2001 beëindigd onder de overweging dat verweerder door eisers toedoen niet kan vaststellen of eiser nog recht op uitkering heeft nu eiser het door verweerder toegezonden inlichtingenformulier niet heeft geretourneerd. In dit besluit wordt aangegeven dat wanneer eiser later alsnog meewerkt aan het vaststellen van zijn uitkeringsrechten zijn uitkering kan worden heropend, mits dan wordt voldaan aan de geldende voorwaarden. Opgemerkt wordt dat deze heropening pas kan ingaan per de datum waarop eiser weer meewerkt en niet per een eerdere datum.

Op 22 september 2003 heeft eiser opnieuw een aanvraag ingediend strekkende tot toekenning van een WAO-uitkering. Hierbij heeft hij aangegeven dat hij vanaf 10 december 2002 opnieuw arbeidsongeschikt is. Eiser was op dat moment werkzaam als internationaal chauffeur bij de Gebroeders Schoonbroodt Pluimvee en Poeliers bv. Bij zijn aanvraag heeft eiser aangegeven dat hij onder hoge werkdruk diende te rijden. Volgens eigen zeggen is hij wel eens achter het stuur “in slaap” gevallen en in de vangrails terecht gekomen. Eiser geeft aan overwerkt en oververmoeid te zijn, maagklachten te ervaren, alsmede eet- en slaapstoornissen te hebben. Ook heeft hij last van trillende handen en is hij snel duizelig.

In het kader van deze aanvraag heeft eiser op 7 november 2003 het spreekuur van de verzekeringsarts P. Verstraelen bezocht. Eisers functionele mogelijkheden en beperkingen zijn door deze verzekeringsarts weergegeven in de functionele mogelijkhedenlijst (hierna: FML) van 7 november 2003.

De arbeidskundige C. Spaans heeft vervolgens eisers arbeidsmogelijkheden bezien. In zijn zijn rapportage van 3 februari 2004 concludeert hij dat als maatman niet de functie waarin eiser laatstelijk werkzaam was- internationaal chauffeur- dient te worden aangemerkt, doch de functie van productiemedewerker drankenhandel waarin eiser tot aan de toekenning van de uitkering in 1997 werkzaam was. Reden hiervoor is volgens de arbeidsdeskundige dat eiser reeds vóór de aanvang van zijn chauffeurswerkzaamheden een rijverbod had en tijdens het rijden kleine of bijna-ongevallen met wegrakingen had. Onder die omstandigheden kan de functie van chauffeur volgens de arbeidsdeskundige niet als maatgevende arbeid worden beschouwd. De arbeidsdeskundige concludeert dat eiser voor de maatgevende arbeid als arbeidsongeschikt dient te worden aangemerkt. De arbeidsdeskundige heeft het CBBS-systeem vervolgens niet geraadpleegd onder de overweging dat van geen enkele werkgever te vergen is dat deze een werknemer met de kenmerken zoals deze zich nu bij belanghebbende manifesteren aanneemt als werknemer. Volgens de arbeidsdeskundige is het eiser niet aan te rekenen dat hij niet reageerde op verweerders verzoek om het verschaffen van informatie waarna eiseres uitkering per 1 oktober 2001 is beëindigd. Volgens de arbeidsdeskundige dient eisers WAO-uitkering dan ook met ingang van 1 oktober 2001 te worden heropend met toepassing van een korting als ware hij minder dan 15% arbeidsongeschikt per datum hervatting als chauffeur bij Benedikt op 20 augustus 2001. Een loononderzoek dienaangaande acht de arbeidsdeskundige niet noodzakelijk gelet op eisers verklaring inzake de hoogte van het inkomen.

Bij besluit van 10 februari 2004 heeft verweerder eisers WAO-uitkering met ingang van 1 oktober 2001 heropend onder de overweging dat eisers zijn verplichtingen op 1 oktober 2001 alsnog is nagekomen en vastgesteld is dat eiser voldoet aan de voorwaarden voor het recht op toekenning van deze uitkering.

Bij besluit van 11 februari 2004 heeft verweerder eiser te kennen gegeven dat zijn uitkering over de periode van 20 augustus 2001 tot 9 december 2003 niet wordt uitbetaald omdat eiser op basis van zijn inkomsten in deze periode eigenlijk minder dan 15% arbeidsongeschikt dient te worden geacht.

Bij brieven van 19 maart 2004 is namens eiser tegen beide besluiten bezwaar gemaakt bij verweerder. Daarbij is aangevoerd dat eisers WAO-uitkering met het besluit van 20 februari 2003 per 1 oktober 2001 formeel is beëindigd waarbij is aangegeven dat heropening niet met terugwerkende kracht kan plaatsvinden. Dit besluit is nimmer ingetrokken. Bovendien is de periode van vijf jaar voor het toekennen van de WAO-uitkering verstreken en kent de WAO geen ambtshalve toekenning van een uitkering. Van een heropening kan geen sprake zijn. Eiser heeft zich geruime tijd later arbeidsongeschikt gemeld met diverse lichamelijke en psychische klachten. Deze uitval heeft naar eisers mening niets te maken met de reden van uitval in 1996. Dit gezien de aard van de klachten, de diagnose in het verleden en de onzekerheid over het al dan niet lijden aan epilepsie. Gezien eisers omvangrijke arbeidsverleden dient arbeidsongeschiktheid volgens eiser conform vast beleid en motivering van UWV uitgesloten te worden. In het dossier bevindt zich geen actuele medische informatie die de stellingen van de verzekeringsarts ondersteunen. Volgens eiser is er daarnaast geen enkele reden om af te wijken van het uitgangspunt dat de maatman de functie is die eiser laatstelijk vóór het intreden van de ingetreden arbeidsongeschiktheid verrichtte, derhalve de internationaal chauffeur. Dientengevolge is ook het onjuiste maatmaninkomen tot uitgangspunt genomen, zodat ook het besluit van 11 februari 2004 onjuist is. Geheel subsidiair stelt eiser voorts dat niet blijkt hoe het gehanteerde minimumloon is omgerekend naar een minimumloon voor volwassenen. Ook trekt eiser de gebruikte indexeringscijfers in twijfel. Tenslotte meent eiser dat de kortingsartikelen onjuist zijn toegepast.

Eiser en zijn gemachtigde zijn in de gelegenheid gesteld om op 21 juni 2004 op het bezwaar te worden gehoord.

De bezwaarverzekeringsarts J. Jonker concludeert in haar rapportage van 5 juli 2004 vervolgens dat de functie van internationaal chauffeur evident ongeschikt voor eiser was gezien de epileptische verschijnselen, de cognitieve functiestoornissen en de gedragsveranderingen na hersenletsel. De bezwaarverzekeringsarts geeft aan dat ze zich kan verenigen met de medische beoordeling en de opgestelde FML.

De bezwaararbeidsdeskundige A. van Belkom heeft in zijn rapportage van 3 augustus 2004 geconcludeerd dat hij zich kan verenigen met de bevindingen van de primaire arbeidsdeskundige. Wel heeft hij het maatmaninkomen geïndexeerd naar de ingangsdatum van het bestreden besluit, volgens hem 11 februari 2004, en opnieuw vastgesteld op € 11,96.

Het besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaarschriften van eiser ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag verweerders standpunt dat eisers WAO-uitkering terecht met ingang van 1 oktober 2001 is heropend en per die datum is vastgesteld op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Verweerder motiveert het bestreden besluit als volgt. Eiser heeft zich in het kader van een nieuwe ziekmelding en een daarop volgende aanvraag voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering alsnog van zijn informatieverplichting gekweten en eisers klachten voortvloeiend uit het ongeval dat hersenletsel veroorzaakte duren volgens de bezwaarverzekeringsarts nog steeds voort. Daarnaast is verweerder van mening dat als maatman de productiemedewerker drankenhandel dient te worden beschouwd en niet de functie van internationaal chauffeur nu deze laatste werkzaamheden als evident ongeschikt voor eiser dienen te worden beschouwd. Het maatmaninkomen is volgens verweerder ook juist vastgesteld. Tenslotte is verweerder van mening dat de inkomsten die eiser in de periode van 20 augustus 2001 tot 1 oktober 2001 ontving onevenredig waren met de uitkering zodat korting zonder meer aan de orde was.

Het beroep

Eiser kan zich met voormeld standpunt van verweerder niet verenigen. Daartoe is in beroep aan-ge-voerd dat eiser geen recht meer op WAO-uitkering had toen hij als internationaal chauffeur werkzaam was zodat toepassing van artikel 44 van de WAO niet aan de orde kan zijn. Verweerder heeft ook erkend dat het besluit van 20 februari 2003 dienaangaande niet is herzien. De laatstelijk verrichte werkzaamheden als internationaal chauffeur dienen volgens eiser bovendien als maatgevende arbeid te worden aangemerkt. Het feit dat eisers specialist hem deze werkzaamheden om veiligheidsreden heeft ontraden/ verboden is voor de vraag of er sprake is van arbeidsongeschiktheid en zo ja, voor de vraag vanaf wanneer daarvan sprake is, niet relevant. Uit het feit dat eiser de werkzaamheden gedurende een langere tijd zonder problemen heeft verricht, blijkt dat er geen sprake is van ziekte of gebrek. Er is evenmin sprake geweest van een (buitensporig) ziekteverzuim. Eisers arbeidsongeschiktheid komt bovendien voort uit een combinatie van omstandigheden zodat niet kan worden gesteld dat er reeds langere tijd sprake is van arbeidsongeschiktheid. Tenslotte stelt eiser dat het nu alsnog terugkomen op de beëindiging van zijn uitkering per oktober 2001, gezien de uiteindelijke effecten daarvan, niet is toegestaan nu op deze manier ten nadele van eiser wordt teruggekomen op een eerder ten voordele van eiser genomen besluit.

Het verweer

In het verweerschrift heeft verweerder naar voren gebracht dat eiser met zijn nieuwe aanvraag om uitkering, door verweerder op 22 september 2003 ontvangen, alsnog meewerkte aan de vaststelling van zijn uitkeringsrechten. Tijdens het gesprek dat eiser in verband met deze aanvraag op 29 januari 2004 had met de arbeidsdeskundige ging eiser bovendien akkoord met het voorstel om de uitkering per 1 oktober 2001 te heropenen. Nu niet gezegd kan worden dat geen sprake is van doorlopende uitkeringsrechten is toepassing van artikel 44 van de WAO in de ogen van verweerder aan de orde. De in het besluit van 20 februari 2003 gedane mededeling dat de uitkering eerst kan worden heropend per de datum waarop eiser alsnog meewerkt aan zijn verplichting is volgens verweerder een mededeling van informatieve aard. Aan verweerder kan niet worden tegengeworpen dat later aan deze mededeling geen uitvoering wordt gegeven. Ten aanzien van de gekozen maatman merkt verweerder op dat sprake is van een heropening van een uitkering en niet van toekenning van een nieuw recht zodat vaststelling van een nieuwe maatman niet aan de orde is.

De beoordeling

De rechtbank dient in dit geding te beoordelen, of het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Ten aanzien van het beroep tegen het niet tijdig beslissen Ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Awb wordt voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit gelijkgesteld het niet tijdig nemen van een besluit. Op grond van artikel 8:1 van de Awb is het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar door een bestuursorgaan dientengevolge appelabel.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in casu buiten de wettelijk geldende termijn een besluit op het bezwaar van eiser heeft genomen. De beslistermijn voor het nemen van een beslissing op bezwaar waaraan een medische of arbeidskundige beoordeling ten grondslag ligt, bedraagt ingevolge de WAO immers 17 weken, welke termijn in casu is overschreden.

Dit betekent dat het beroep voor zover gericht tegen verweerders nalaten tijdig een besluit op eisers bezwaar te nemen voor gegrond dient te worden gehouden.

Ten aanzien van het beroep gericht tegen het alsnog genomen besluit op bezwaar van 5 augustus 2004:

1) ten aanzien van het bestreden besluit met betrekking tot de heropening van de uitkering (primair besluit van 10 februari 2004):

Ingevolge artikel 36a, eerste lid, aanhef en onder d, van de WAO, herziet het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) een besluit tot toekenning van een arbeidsongeschiktheidsuitkering en terzake van weigering van een zodanige uitkering of trekt hij dat in indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van de artikelen 25, 28 of 80 ertoe leidt dat niet kan worden vastgesteld of nog recht op uitkering bestaat.

Ingevolge artikel 48 van de WAO, wordt een arbeidsongeschiktheidsuitkering door het UWV heropend en wordt de heropende arbeidsongeschiktheidsuitkering beschouwd als een voortzetting van de ingetrokken uitkering.

Door verweerder wordt, blijkens de bijlage bij de Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen (Besluit van 18 april 2000, Stcrt. 2000/89), ten tijde in geding het volgende beleid gehanteerd aangaande de intrekking en heropening van uitkeringen in een geval als het onderhavige:

“Indien belanghebbende binnen de gestelde termijn zijn verplichtingen niet of niet behoorlijk nakomt en daardoor het recht niet kan worden vastgesteld, wordt de uitkering ingetrokken. De intrekking vindt plaats met ingang van de datum vanaf welke het recht niet meer kan worden vastgesteld. Indien belanghebbende alsnog voldoet aan zijn verplichtingen en om toekenning van uitkering vraagt, wordt dit niet gezien als een aanvraag of ziekmelding. De uitkering wordt niet eerder toegekend dan met ingang van de dag waarop de belanghebbende alsnog aan zijn verplichtingen voldoet.”

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser met zijn aanvraag van 22 september 2004 alsnog aan zijn inlichtingenverplichting heeft voldaan zodat eisers uitkering heropend dient te worden met ingang van 1 oktober 2001. Eisers uitkering dient volgens verweerder gebaseerd te worden op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%, waarbij dient te worden uitgegaan van de functie van produktiemedewerker drankenhandel als maatgevende arbeid.

Van de kant van eiser is daartegen ingebracht dat er geen sprake is van doorlopende uitkering nu eiser intussen geruime tijd zonder buitensporig ziekteverzuim heeft gewerkt. Er is sprake van een nieuwe aanvraag per einde wachttijd. Als maatgevende arbeid dient dan ook de laatstelijk verrichte arbeid als internationaal chauffeur te worden genomen. Bovendien is de heropening van de uitkering met ingang van 1 oktober 2001, gezien de daarmee samenhangende effecten, in het nadeel van eiser en dientengevolge niet toegestaan.

Het onderhavig geding spitst zich toe op de vraag of verweerder terecht en op goede gronden heeft besloten om eisers uitkering te heropenen per 1 oktober 2001 en met ingang van die datum te baseren op volledige arbeidsongeschiktheid.

De rechtbank stelt op grond van de gedingstukken vast dat eisers WAO-uitkering met ingang van 1 oktober 2001 is ingetrokken omdat hij niet voldeed aan zijn inlichtingenverplichting. Verweerder kon dientengevolge niet meer beoordelen of eiser al dan niet recht op uitkering had op dat moment. Naar het oordeel van de rechtbank dient deze situatie onderscheiden te worden van een situatie waarin een WAO-uitkering wordt ingetrokken in verband met het afnemen van de arbeidsongeschiktheid naar minder dan 15%. In eisers situatie is immers niet duidelijk of zijn mate van arbeidsongeschiktheid is afgenomen op het moment van intrekking van de uitkering. Naar het oordeel van de rechtbank is eerder aannemelijk dat eisers arbeidsongeschiktheid (onverminderd) is blijven voortduren nu eiser tengevolge van een auto-ongeval blijvend letsel heeft opgelopen en in de periode tussen de beëindiging van de uitkering op 1 oktober 2001 en het staken van zijn werkzaamheden op 10 december 2003 naar het oordeel van de rechtbank –het advies van de neuroloog dr. H.W.M. Anten van 28 februari 2000 en 30 september 2003 gezien hebbende- evident ongeschikte arbeid heeft verricht. De rechtbank is met verweerder dan ook van oordeel dat eisers uitkering heropend dient te worden zodra hij alsnog de voor het beoordelen van zijn recht op uitkering benodigde inlichtingen verschaft, alsmede aan de overige voorwaarden voor het recht op uitkering voldoet. De rechtbank kan verweerder, net als eiser, echter niet volgen wanneer deze stelt dat eisers uitkering met ingang van 1 oktober 2001 heropend dient te worden nu blijkens het hiervoor aangehaalde door verweerder gevoerde beleid in een geval als het onderhavige slechts heropening aan de orde kan zijn vanaf het moment dat de betrokkene alsnog aan zijn verplichting voldoet. De rechtbank is niet gebleken van gevallen waarin van dit beleid wordt afgeweken en evenmin van een motivering ter afwijking van genoemd beleid van verweerders zijde.

Ter zitting heeft verweerder in dit verband aangegeven van mening te zijn dat de Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkering niet van toepassing is op het onderhavig geval aangezien de intrekking van eisers uitkering is gebaseerd op artikel 47, zevende lid, van de WAO. Volgens verweerder is er in het onderhavige geval bovendien sprake van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de WAO. De rechtbank kan verweerder hierin niet volgen nu artikel 47, blijkens de wettekst, ziet op heropening van een uitkering die in verband met het bepaalde in artikel 43 – derhalve in verband met afgenomen arbeidsongeschiktheid – is ingetrokken. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan geen sprake nu uit de gedingstukken blijkt dat verweerder eisers uitkering heeft ingetrokken omdat niet meer beoordeeld kon worden of er nog recht op uitkering bestond. Zoals reeds hiervoor is overwogen dient deze situatie te worden onderscheiden van de situatie waarin sprake is van afgenomen arbeidsongeschiktheid. Verweerders verwijzing naar artikel 35 van de WAO kan de rechtbank evenmin volgen nu geen sprake is van een nieuwe toekenning op een aanvraag, maar van een heropening van een eerder beëindigde uitkering.

Naar het oordeel van de rechtbank kan er dan ook eerst sprake zijn van heropening van eisers uitkering vanaf het moment dat eiser alsnog aan zijn inlichtingenverplichting voldoet.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder weliswaar terecht besloten dat wellicht heropening van eisers WAO-uitkering aan de orde is nu eiser alsnog aan zijn inlichtingenverplichting heeft voldaan, doch heeft verweerder ten onrechte besloten eisers uitkering te heropenen met ingang van 1 oktober 2001, nu een heropening met terugwerkende kracht tot de datum waarop de uitkering eerder is beëindigd, blijkens de geldende regelgeving, niet mogelijk is.

Eisers beroep dient, voor zover dit is gericht tegen de heropening van eisers uitkering met ingang van 1 oktober 2001, voor gegrond te worden gehouden. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen aangaande de heropening van eisers uitkering met ingang van het moment waarop hij alsnog aan zijn inlichtingenverplichting heeft voldaan.

Nu een beoordeling van eisers mate van arbeidsongeschiktheid aan de orde is per een andere datum dan de datum die door verweerder in het onderhavige geding is gebracht, kan de rechtbank niet toekomen aan een beoordeling van de juistheid van de door verweerder vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid.

2) ten aanzien van bestreden besluit met betrekking tot de toepassing van artikel 44 van de

WAO (primair besluit van 11 februari 2004):

Ingevolge artikel 44 van de WAO wordt, indien degene die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering inkomsten uit arbeid geniet, zolang niet vaststaat of deze arbeid als arbeid, bedoeld in artikel 18, vijfde lid, kan worden aangemerkt, de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet ingetrokken of herzien, doch wordt die uitkering:

a) niet uitbetaald indien de inkomsten uit arbeid zodanig zijn dat als die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn, niet langer sprake zou zijn van en arbeidsongeschiktheid van tenminste 15%; of

b) indien het bepaalde onder a niet van toepassing is, uitbetaald tot een bedrag ter grootte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals deze zou zijn vastgesteld, indien die arbeid wel de in artikel 18, vijfde lid, bedoelde arbeid zou zijn.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers WAO-uitkering over de periode van 20 augustus 2001 tot 9 december 2003 onder toepassing van artikel 44 van de WAO niet uitbetaald dient te worden omdat zijn mate van arbeidsongeschiktheid over die periode, rekening houdende met zijn inkomsten uit arbeid, eigenlijk minder dan 15% bedraagt.

Eiser meent dat toepassing van artikel 44 niet aan de orde is over de genoemde periode nu er over die periode geen recht op WAO-uitkering bestaat.

Het geding spitst zich derhalve toe op de vraag of verweerder terecht en op goede gronden heeft besloten om eisers uitkering over de periode van 20 augustus 2001 tot en met 9 december 2003 onder toepassing van artikel 44 van de WAO niet uit te betalen omdat eisers mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt wanneer rekening wordt gehouden met zijn feitelijke verdiensten.

Nu naar het oordeel van de rechtbank niet valt in te zien waarom eisers WAO-uitkering reeds per 1 oktober 2001 zou dienen te worden heropend en door verweerder in een nieuw besluit op bezwaar besloten dient te worden of en vanaf welk moment heropening van eisers uitkering aan de orde is, is anticumulatie op grond van artikel 44 van de WAO naar het oordeel van de rechtbank (vooralsnog) niet aan de orde over de periode van 1 oktober 2001 tot aan het moment dat eisers WAO-uitkering wordt heropend.

Wat de anticumulatie over de periode van 20 augustus 2001 tot 1 oktober 2001 betreft, stelt de rechtbank vast dat eisers uitkering per 1 oktober 2001 is beëindigd en dat verweerder op basis van eisers verklaring betreffende zijn verdiensten tot die datum heeft besloten om toepassing te geven aan artikel 44 van de WAO. Een nader loononderzoek heeft niet plaatsgevonden. De rechtbank stelt echter eveneens vast dat door of namens eiser niet is betwist dat zijn verdiensten over de genoemde periode onevenredig waren en dat ten onrechte anticumulatie zou plaatsvinden. De rechtbank ziet geen reden om aan te nemen dat verweerder over de genoemde periode ten onrechte of op onjuiste wijze toepassing heeft gegeven aan artikel 44 van de WAO.

Naar het oordeel van de rechtbank dient dan ook geconcludeerd te worden dat verweerder terecht heeft besloten om eisers uitkering over de periode van 20 augustus 2001 tot 1 oktober 2001 niet uit te betalen onder toepassing van artikel 44 van de WAO nu eisers verdiensten over die periode zodanig onevenredig met zijn uitkering waren dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid eigenlijk op minder dan 15% bepaald zou dienen te worden. In zoverre dient eisers beroep voor ongegrond te worden gehouden. Voor zover het beroep zich richt tegen de toepassing van artikel 44 van de WAO over de periode van 1 oktober 2001 tot en met 9 december 2003 dient eisers beroep, gezien het voorgaande, naar het oordeel van de rechtbank voor gegrond te worden gehouden.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten, die eiser in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbij-stand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De rechtbank kent ter zake één punt met een waarde van € 322,-- toe voor de indie-ning van het beroepschrift betreffende het beroep tegen het besluit van 5 augustus 2004 en één punt terzake van het beroep gericht tegen de fictieve weigering en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, voor zover het beroep tegen de fictieve weigering betreft, op zeer licht (wegingsfactor 0,25), en voor zover het beroep tegen het besluit van 5 augustus 2004 betreft, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het te ver-goeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve (1 x € 322,-- x 0,25) + (1 x € 322,-- x 1) = € 402,50

Nu aan eiser ter zake van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

Op grond van de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart zowel het beroep gericht tegen het nalaten tijdig een besluit op bezwaar te nemen als het beroep gericht tegen het besluit van 5 augustus 2004 gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2. draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen zowel op het bezwaar van eiser gericht tegen de heropening van de uitkering als op het bezwaar van eiser gericht tegen de toepassing van artikel 44 van de WAO voor zover het de periode na 1 oktober 2001 betreft;

3. bepaalt dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 37,00 wordt vergoed door verweerder;

4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiser begroot op € 402,50 wegens de kosten van rechtsbijstand, te betalen door verweerder aan de griffier van de rechtbank Maastricht.

Aldus gedaan door mr. T.E.A. Willemsen in tegenwoordigheid van mw. mr. M. Muris als griffier en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2005 door mr. Willemsen voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. M. Muris w.g. Willemsen

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 9 februari 2005

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.