Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2005:AS8863

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
03-03-2005
Datum publicatie
08-03-2005
Zaaknummer
AWB 02/1956 WVG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft het tegen de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een bruikleen-auto gerichte bezwaarschrift van 8 februari 1999 bij besluit op bezwaar van 30 januari 2001 ongegrond verklaard. Het tegen dit besluit gerichte beroep is door de rechtbank in een uit-spraak van 19 maart 2002 gegrond verklaard en de rechtbank heeft verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

De in het kader van de AAW verstrekte bruikleenbus is medio 2002 definitief stuk gegaan. Eiseres beschikt thans, nadat haar ouders zich grote inspanningen hebben moeten getroosten een lening voor hun dochter te regelen, over een andere auto, waarvoor zij een schuld heeft moeten aangaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 02 / 1956 WVG

Uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[A],

wonende te Maastricht, eiseres,

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Maastricht (Dienst Sociale en Economische Zaken),

gevestigd te Maastricht, verweerder.

Datum bestreden besluit: 25 november 2002

Kenmerk: 15697942

Behandeling ter zitting : 30 september 2003, 30 januari 2004 en 21 januari 2005.

1. Ontstaan en loop van het geding

De rechtbank heeft het beroep van eiseres tegen het besluit op bezwaar van 30 januari 2001 bij uitspraak van 19 maart 2002 gegrond verklaard en verweerder opgedragen, met inacht-neming van de uitspraak, een nieuw besluit op eiseresses bezwaarschrift van 8 februari 1999 te nemen.

In het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres wederom ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft de gemachtigde van eiseres, mr. B.R.M. de Bruyn, advocaat te Maas-tricht, bij schrijven van 31 december 2002 beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn op 30 januari 2003 aangevoerd.

De door verweerder ter voldoening aan artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken alsmede het verweerschrift zijn in kopie aan de gemachtigde van eiseres gezonden.

Het beroep is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank op 30 september 2003, alwaar eiseresses vader en haar gemachtigde mr. B.R.M. de Bruyn zijn verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door H. Pluymaeckers.

Bij beschikking van 5 november 2003 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de zaak verwezen naar de meervoudige kamer.

Zijdens verweerder zijn bij brief van 2 maart 2004 nadere gegevens en stukken verstrekt met betrekking tot Vervoer op Maat, welke door de rechtbank in kopie aan de gemachtigde van eiseres zijn gezonden.

Het beroep is vervolgens behandeld ter zitting van de meervoudige kamer van deze recht-bank op 30 januari 2004. Namens eiseres is verschenen mr. B.R.M. de Bruyn en namens verweerder H. Pluymaeckers.

De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst teneinde een deskundige te benoemen.

De rechtbank heeft, met toestemming van partijen ter zake de te benoemen deskundige, de aan deze deskundige te stellen vragen en de onderzoeksopzet, mw. I. Bakker, Gz psychologe, als deskundige benoemd.

Deze deskundige heeft bij brief van 29 september 2004 haar rapport aangeboden, waarna de rechtbank deze stukken aan partijen heeft gestuurd.

De gemachtigde van eiseres heeft bij brief van 14 oktober 2004 medegedeeld in te stemmen met het rapport en de conclusies en heeft gesteld dat er een indicatie voor een bruikleenbus is.

Namens verweerder is bij brief van 29 oktober 2004 medegedeeld dat in het gestelde in het rapport geen aanleiding wordt gezien de ingenomen standpunten te herzien.

Vervolgens heeft de rechtbank partijen om nadere informatie gevraagd. Daarop heeft de gemachtigde van verweerder gereageerd bij brief van 3 december 2004 en de gemachtigde van eiseres bij brief van 21 december 2004 met bijlagen. De rechtbank heeft deze brieven in kopie doorgezonden.

De gemachtigde van verweerder heeft bij brief van 17 januari 2005 aan de rechtbank en de gemachtigde van eiseres gezonden een commentaar van dr. Corsius, arts RIO, gedateerd 6 december 2004, op het rapport van de deskundige Bakker.

Op 21 januari 2005 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank het onderzoek ter zitting voortgezet. Namens eiseres zijn haar vader en haar gemachtigde mr. B.R.M. de Bruyn verschenen. Verweerder heeft zich wederom doen vertegenwoordigen door gemachtigde

H. Pluymaeckers.

De rechtbank verwijst voor de overige aan het geding ten grondslag liggende feiten en omstandigheden naar de zaak bekend onder nummer AWB 01/311. Deze zaak wordt ad informandum bij de onderhavige zaak gevoegd.

2. Overwegingen

2.1. Verweerder heeft het tegen de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een bruikleen-auto gerichte bezwaarschrift van 8 februari 1999 bij besluit op bezwaar van 30 januari 2001 ongegrond verklaard. Het tegen dit besluit gerichte beroep is door de rechtbank in een uit-spraak van 19 maart 2002 gegrond verklaard en de rechtbank heeft verweerder opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

De in het kader van de AAW verstrekte bruikleenbus is medio 2002 definitief stuk gegaan. Eiseres beschikt thans, nadat haar ouders zich grote inspanningen hebben moeten getroosten een lening voor hun dochter te regelen, over een andere auto, waarvoor zij een schuld heeft moeten aangaan.

Verweerder heeft, gelet op hetgeen in de uitspraak van de rechtbank van 19 maart 2002 is overwogen, nader medisch advies ingewonnen. De GGD heeft op 24 september 2002 een nader advies uitgebracht.

2.2. Verweerder heeft het bezwaarschrift van eiseres in het thans bestreden besluit op het bezwaar van 25 november 2002 vervolgens wederom ongegrond verklaard. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat niet het vervoerd worden, maar de toiletgang bij het bezoek aan het merendeel van de familie en kennissen de belemmerende factor is. Feitelijk vormen derhalve de ergonomische beperkingen in het normale gebruik van de woningen van de bezoekadressen een belemmering. De zorgplicht van de gemeente bij het ondervinden van ergonomische beperkingen strekt in beginsel echter niet verder dan de woning van de gehan-dicapte. Het medisch advies van 24 september 2002 zal daarom niet worden gevolgd. De GGD-adviseur komt immers tot een in wezen oneigenlijke oplossing voor het ondervonden kernprobleem. Volgens verweerder moet het, gezien de aard van een familierelatie, voor mogelijk gehouden worden dat eiseres, met behulp van de tillift en postoel en met behoud van privacy, de toiletgang op de benedenverdieping in een ander vertrek dan het toilet kan maken. Familiebezoeken worden bovendien geacht wederzijds plaats te vinden. Op deze wijze wordt eiseres geacht haar (wezenlijke) sociale contacten te kunnen onderhouden.

Op grond van het nadere onderzoek is derhalve de in het GGD-advies van 7 december 2000 geïndiceerde individuele rolstoeltaxivergoeding adequaat. Deze vergoeding wordt met ingang van 1 juni 2002 aan eiseres toegekend, nu zij sedertdien niet meer over de bruikleen-bus beschikt.

2.3. Eiseres verwijst in het beroepschrift allereerst naar het beroepschrift in de zaak 01/311. Blijkens het nadere medische advies van 24 september 2002 is de verlangde bruikleenbus voor eiseres de goedkoopst adequate oplossing. Blijkens een schrijven van haar fysio-therapeut te Maasveld is bij eiseres sprake van een continentie van ongeveer één uur. Voorts is het uitstellen van een toiletbezoek blijkens dit schrijven onmogelijk. Nu zowel de GGD-arts als de fysiotherapeut van eiseres constateren dat het niet mogelijk is om de tillift en po-stoel op de bezoekadressen te gebruiken, is het aan verweerder om de stelling dat dit wel kan te onderbouwen. Het terugvallen naar een “mindere” vervoersvoorziening is voor eiseres, gezien haar fragiele psychische gesteldheid, bijzonder hard, hetwelk wordt bevestigd door het schrijven van revalidatiearts Ruijgrok.

Het bestreden besluit is tenslotte, met name gelet op het feit dat afgeweken wordt van het GGD-advies, onvoldoende gemotiveerd.

2.4. De rechtbank dient in dit geding te beoordelen of verweerder eiseresses aanvraag voor een bruikleenbus terecht en op goede gronden heeft afgewezen. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Kern van het geschil is, evenals in de voorgaande procedure (AWB 01/311), of verweerder de aanvraag van eiseres voor een voorziening in natura in de vorm van een al dan niet aange-paste bruikleenbus dan wel een vergoeding in de kosten van een bruikleenbus in redelijkheid heeft kunnen afwijzen.

De rechtbank verwijst voor het wettelijk kader en de vaststaande feiten naar de uitspraak van deze rechtbank in voornoemde zaak d.d.19 maart 2002.

Niet in geschil is dat eiseres, wanneer geen gehandicaptentoilet aanwezig is, vanuit haar rol-stoel met een tillift op de postoel moet worden getild.

Eiseres is adequaat continent. Zij heeft een incontinentietraining gehad, die inhoudt dat zij direct naar het toilet moet bij aandrang.

Niet meer in geschil is dat het gebruik van incontinentiemateriaal geen adequate oplossing is in het geval er geen toiletgang mogelijk is.

Bij de beoordeling van deze zaak heeft de rechtbank in aanmerking genomen de vaste juris-prudentie van de Centrale Raad van Beroep dat de door het gemeentebestuur ingevolge de Wet voorzieningen gehandicapten verstrekte vervoersvoorzieningen slechts de strekking behoeven te hebben dat deze aan ter plaatse wonende gehandicapten de mogelijkheid bieden in hun directe leefomgeving in aanvaardbare mate sociale contacten te onderhouden en deel te nemen aan het leven van alledag. Het is daarbij aan de betrokken gehandicapte omstandig-heden naar voren te brengen waaraan concrete aanwijzingen zijn te ontlenen voor het ont-staan van een toestand van sociaal isolement of vervreemding.

Voorts heeft de rechtbank in haar overwegingen betrokken het navolgende:

? Ter zitting van 21 januari 2005 heeft de vader van eiseres uitgelegd dat elke prikkel buitenshuis en op de dagopvang voor zijn dochter [AA] vanwege haar handicaps van groot belang is. Een boodschap doen, een wandeling maken, op een terras wat drinken, alles wat voor niet gehandicapten gewoon is, is voor haar minstens zo belangrijk als familiebezoeken afleggen. Het is essentieel met het oog op haar ontwikkeling en het behoud van het bereikte niveau.

? Uit het rapport van drs. I. Bakker d.d. 29 september 2004:

“De groepsleiding geeft aan dat het belangrijk voor [AA] is om veel dingen mee te maken en te beleven, door aanwezig te zijn bij activiteiten waarbij ze de mensen bezig ziet. Hoewel ze zelf door haar beperkingen bijna niets kan doen, kan ze toch door zien, ervaring en beleving prikkels ontvangen die haar stimuleren, waardoor ze zelf actief kan deelnemen aan de wereld. […]

Samenvattend kan worden gezegd dat [AA] een jonge vrouw is met verstandelijke en motorische beperkingen. Uit de resultaten van de onderzoeken blijkt dat ze verstandelijk gemiddeld op een leeftijdsniveau van een 5 jarige functioneert en op sociaal niveau gemiddeld op een ontwikkelingsleeftijd van een 3 tot 4 jarige. In de omgang met haar, tijdens observaties en in de gesprekken met haar reageert ze sociaal gezien op een hoger niveau dan de testresultaten doen vermoeden. Verder heeft ze schaamtegevoelens en zien we invoelingsvermogen. Tevens heeft ze behoefte aan een zekere privacy. […]

Door aanwezig te zijn in verschillende situaties krijgt zij prikkels toegediend die haar stimuleren waardoor zij ervaringen kan beleven en verwerken. Tevens wordt zij op deze manier uitgedaagd zo actief mogelijk aan de wereld deel te nemen. Dit verhoogt de kwaliteit van haar leven. De afgelopen twee jaar zien we een beperking van het aanbod van sociale situaties door de beperkte vervoersmogelijkheden.

Naar mijn oordeel ontstaat bij het vervoer door middel van een rolstoeltaxi een beperking van het aanbod van sociale situaties en wel om twee redenen.

A. Beperkte mogelijkheid van toiletgang in de sociale situaties anders dan de thuissituaties gezien de bij [AA] voldoende ontwikkelde schaamtegevoelens, haar behoefte aan privacy en haar wens anderen niet tot last te zijn.

B. Bezoek door middel van een rolstoeltaxi is omslachtig, neemt veel tijd in beslag en kan slechts zeer kort zijn gezien de incontinentieproblematiek van [AA], waardoor het nauwelijks nog de moeite loont om er op uit te gaan.

De beperking van het aanbod aan sociale situaties leidt zowel tot een sociaal isolement als ook tot een mogelijke achteruitgang van haar totale functioneren. Dit verhoogt de lijdensdruk bij [AA] en leidt tot spanningen bij haar. […] hetgeen mogelijkerwijs kan leiden tot een toename van haar incontinentieproblematiek.”

? Uit het rapport d.d. 24 september 2002 van C.J. van Leeuwen, arts Sociaal Medische Zorg van de GGD zuidelijk Zuid-Limburg:

“Betrokkene verblijft van maandag tot en met vrijdag van ca. 09:00 tot ca.16:00 op de dagopvang van Maasveld. […] Het is niet zo dat er sprake is van adequate sociale contacten die contacten met familie zouden kunnen compenseren: het ontwikkelings-niveau van de medegroepsleden maakt een adequate communicatie met hen door betrokkene niet mogelijk.”

De rechtbank leidt verder uit het onderliggende dossier en het gestelde ter zitting af dat het mogelijk is eiseres en haar rolstoel, haar ouders, alsmede haar tillift en postoel te vervoeren met individueel Vervoer op Maat, maar dat het veelal onmogelijk is de hulpmiddelen elders adequaat te gebruiken wegens ruimtegebrek, alsmede het ontbreken van een acceptabel niveau van privacy.

Zijdens eiseres is gesteld dat de taxi van Vervoer op Maat niet op het bezoekadres wacht, zodat in die bus geen gebruik kan worden gemaakt van het toilet. Dit is namens verweerder niet betwist.

Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat in casu sprake is van een bijzondere situatie. Eiseres is immers vanwege haar handicap aangewezen op prikkels van diverse aard. Zij is niet alleen afhankelijk van haar activiteiten thuis en op de dagopvang, maar zeer zeker ook van de stimulans van zowel familiebezoek als eenvoudige activiteiten zoals boodschappen doen en een wandeling in het park maken. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het dossier en het verhandelde ter zitting dat familiebezoek en andere activiteiten, gelet op de medische situatie van eiseres, niet in voldoende adequate mate mogelijk zijn met de verstrekte vervoersvoorziening. De rechtbank hecht eraan in dit verband op te merken dat de situatie van eiseres een bijzondere is. Het is die bijzondere situatie die vereist dat verweerder in afwijking van staand beleid, inhoudende kort gezegd dat geen bruikleenauto of een vergoeding daarvoor wordt toegekend, eiseres wel in aanmerking brengt voor die mogelijkheid van artikel 3.1 van de Verordening voorzieningen gehan-dicapten gemeente Maastricht 1996. Gelet hierop, kan het bestreden besluit niet in stand blijven en zal de rechtbank het vernietigen.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten, die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbij-stand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De rechtbank kent ter zake punten met elk een waarde van € 322,-- toe voor de indiening van het beroepschrift (1) en de verschijning ter zitting op de drie in de aanhef genoemde data (1 + 0.5 + 0.5), en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op zwaar (wegingsfactor 1,5). Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 3 x € 322,-- x 1,5 = € 1449,--.

Op grond van de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2. draagt verweerder op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaarschrift van 8 februari 1999, met inachtneming van deze uitspraak;

3. bepaalt dat aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 29,-- wordt vergoed door de gemeente Maastricht;

4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op € 1449,--, zijnde de kosten van rechtsbijstand, te betalen door de gemeente Maastricht aan eiseres.

Aldus gedaan door mr. M.C.A.E. van Binnebeke, voorzitter, en mr. J.F.W. Huinen en mr. H.J.O. Martens, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.W.J. Sloots als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2005

door mr. Van Binnebeke voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. Sloots w.g. M.C. van Binnebeke

Voor eensluidend afschrift:

de wnd. griffier:

Verzonden op: 3 maart 2005

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.