Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2005:AS6762

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
16-02-2005
Datum publicatie
21-02-2005
Zaaknummer
95554 - HA ZA 04-931
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Overschuldigde betaling aan een Stichting Derdengelden Advocatenmaatschap. Het beroep van de Stichting op het verschoningsrecht is niet van invloed op de eisen die aan de motivering van het verweer gesteld mogen worden. Geen sprake van goeder trouw in de zin van artikel 6:204 BW aan de zijde van de Stichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2005, 174
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Civiel

Datum uitspraak : 16 februari 2005

Zaaknummer : 95554 / HA ZA 04-931

De meervoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft het navolgende vonnis gewezen

inzake

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BELEGGINGSMAATSCHAPPIJ TRANSMONTARO B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres sub 1,

procureur mr. Ch.M.E.M. Paulussen;

2. de naamloze vennootschap FORTIS BANK (NEDERLAND) N.V.,

gevestigd te Rotterdam,

eiseres sub 2,

procureur mr. Ch.M.E.M. Paulussen;

tegen:

de stichting STICHTING BEHEER DERDENGELDEN MAATSCHAP TRIPELS ADVOCATEN,

gevestigd te Maastricht,

gedaagde,

procureur mr. J.L.H. Holthuijsen.

1. Het verloop van de procedure

Eiseressen, hierna te noemen "Transmontaro" en "Fortis", hebben gedaagde, hierna te noemen “de Stichting”, gedagvaard voor deze rechtbank en gesteld en geconcludeerd als in die dagvaarding vermeld. Bij die dagvaarding zijn producties overgelegd. De Stichting heeft daarna onder het overleggen van producties geantwoord.

Op de voet van artikel 131 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is een comparitie na antwoord gelast. Bij faxbrief van 15 december 2004 zijn door de Stichting stukken overgelegd ten behoeve van de comparitie. Van het verhandelde ter comparitie is proces-verbaal opgemaakt, dat zich bij de stukken bevindt.

Ten slotte hebben partijen vonnis gevraagd op het rechtbankdossier. De uitspraak van het vonnis is nader bepaald op heden.

2. Het geschil

2.1 Transmontaro houdt een bankrekening bij Fortis. Transmontaro heeft geconstateerd dat van deze rekening op 15 juli 2004 een bedrag van € 103.211,- is afgeschreven ten gunste van een ten name van de Stichting staande rekening. Bij brief van 30 juli 2004 heeft Transmontaro de Stichting gesommeerd dit bedrag terug te betalen. Fortis heeft voorwaardelijk het bedrag van € 103.211,- aan Transmontaro betaald.

2.2 Transmontaro en Fortis stellen dat de overboeking onbevoegd is geschied op basis van vervalste stukken. Voorts zijn Transmontaro en Fortis niet betrokken bij handelingen die de Stichting namens een van haar cliënten recht gaven op de betaling. Transmontaro heeft derhalve recht op terugbetaling van het bedrag van € 103.211,- uit hoofde van onverschuldigde betaling. Indien de Stichting het bedrag niet aan Transmontaro terugbetaalt, zal Fortis gehouden zijn Transmontaro schadeloos te stellen, zodat het eveneens in het belang van Fortis is dat de Stichting het bedrag terugbetaalt. De buitengerechtelijke kosten worden door Transmontaro en Fortis begroot op € 2.450,-.

2.3 Transmontaro en Fortis hebben op grond van het vorenstaande gevorderd dat de Stichting bij vonnis, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, zal worden veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Fortis te voldoen een bedrag van € 105.661,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 augustus 2004, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, met veroordeling van de Stichting in de kosten van de procedure.

2.4 De vordering wordt door de Stichting weersproken, waartoe wordt verwezen naar de conclusie van antwoord en het proces-verbaal van comparitie.

3. De beoordeling

3.1 De rechtbank begrijpt uit de stellingen van Transmontaro en Fortis dat zij stellen dat de overboeking onbevoegd is geschied en dat Transmontaro en Fortis niet betrokken zijn bij handelingen die de Stichting namens een van haar cliënten recht gaven op de betaling, dat volgens hen een rechtsgrond voor de betaling ontbreekt en dat de Stichting daarom gehouden is tot terugbetaling.

3.2 Transmontaro en Fortis dienen bij voldoende betwisting te bewijzen dat er sprake is van een overboeking zonder rechtsgrond.

3.3 De Stichting voert als verweer dat er geen sprake is van een onterechte overboeking. De Stichting betwist hiermee –naar de rechtbank begrijpt- het ontbreken van een rechtsgrond. Ter onderbouwing van haar verweer voert de Stichting het volgende aan. Een cliënt van Tripels heeft hem medegedeeld dat hij uit hoofde van een overeenkomst met Transmontaro recht zou hebben op een bedrag van ruim € 100.000,-. De cliënt zou Transmontaro instrueren dit bedrag over te maken naar de derdengeldrekening van Tripels, derhalve aan de Stichting. Enige tijd later heeft de Stichting, conform de mededelingen van de cliënt, van Transmontaro een bedrag van € 103.211,- ontvangen. De Stichting wil in verband met de op haar rustende geheimhoudingsplicht geen gegevens verstrekken over de betreffende cliënt noch diens identiteit onthullen noch kan of wenst zij iets over de titel mee te delen.

3.4 In ogenschouw moet worden genomen dat Transmontaro en Fortis niet méér kunnen stellen dan dat er geen sprake is van een onderliggende rechtsgrond voor de betaling. Het is voor hen immers, gelet op het beperkte feitelijk verweer van de Stichting, onmogelijk nadere feiten en omstandigheden aan te voeren ter onderbouwing van hun stelling. Daartegenover staat dat degene die een beroep doet op de aanwezigheid van een rechtsgrond, in staat moet worden geacht feiten en omstandigheden aan de te voeren waaruit het bestaan van die rechtsgrond blijkt. Het enkele verweer dat een niet nader genoemde cliënt van Tripels hem heeft medegedeeld dat de cliënt uit hoofde van een overeenkomst met Transmontaro recht zou hebben op het betaalde bedrag is naar het oordeel van de rechtbank niet voldoende om het bestaan van een rechtsgrond aan te nemen. Dit geldt te meer nu uit het verweer van de Stichting blijkt dat de ontvangen € 103.211,- niet betrekking had op een geschil waarin Tripels de niet nader genoemde cliënt bijstond. Voor zover het doel van de betaling op de derdenrekening (mede) was “verrekening” van openstaande declaraties mogelijk te maken, merkt de rechtbank op dat een derdenrekening daarvoor niet bestemd is. Alleen wanneer in het kader van een zaak waarin een advocaat een cliënt bijstaat gelden ten behoeve van de cliënt binnenkomen op de derdenrekening kunnen onbetaalde declaraties met instemming van de cliënt in mindering worden gebracht op het ontvangen saldo middels overboeking van het openstaande bedrag naar de kantoorrekening. Een dergelijke situatie deed zich echter in casu niet voor. Voor zover (een deel van) het bedrag bestemd was om met behulp van het advocatenkantoor offshore maatschappijen aan te kopen, behoort een derdengeldrekening als de onderhavige niet gebruikt te worden voor een dergelijk abstract geformuleerd doel.

3.5 Aan dit oordeel doet niet af de stelling van de Stichting dat zij gehouden is aan respectievelijk haar een beroep toekomt op een geheimhoudingsplicht en een verschoningsrecht. Vooropgesteld moet worden dat de Stichting te dezen in het maatschappelijke financiële verkeer is opgetreden ten behoeve van een cliënt. Daarbij tekent de rechtbank aan dat de ontvangst van het van Transmontaro afkomstige bedrag niet iets is wat de Stichting “overkwam”; zij wist dat de betaling zou volgen en was daar kennelijk mee akkoord. Niet volgehouden kan worden dat een advocaat, of diens stichting derdengelden, die aldus namens een cliënt aan het betalingsverkeer deelneemt, niet aan de wederpartij of direct betrokkene bij de betreffende rechtshandeling zou mogen meedelen voor wie hij heeft opgetreden. Veeleer zou het in die situatie verhullen van de identiteit van de cliënt indruisen tegen het ook in artikel 29 van de Gedragsregels voor advocaten tot uitdrukking gebrachte uitgangspunt dat een advocaat in zijn contacten met derden misverstand dient te vermijden over de hoedanigheid waarin hij optreedt. Het feit dat de Stichting zich niet vrij acht haar verweer nader te onderbouwen of zelfs de naam van haar cliënt te noemen, is een omstandigheid die voor rekening van de Stichting behoort te blijven. Omstandigheden die een ander oordeel rechtvaardigen zijn niet gesteld of gebleken.

3.6 Gelet op het bovenstaande neemt de rechtbank als vaststaand aan dat de betaling zonder rechtsgrond is geschied.

3.7 De Stichting voert aan dat de vordering niet kan worden toegewezen, omdat er geen rechtsgrond aanwezig is voor de gevorderde terugbetaling aan Fortis. Nu Fortis Transmontaro reeds voorwaardelijk schadeloos heeft gesteld en ook Transmontaro betaling aan Fortis verlangt, treft dit verweer geen doel.

3.8 De Stichting heeft voorts aangevoerd dat zij ingevolge artikel 6:204, tweede lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) niet gehouden kan worden tot terugbetaling van het bedrag ad

€ 14.800,- dat contant is uitgekeerd aan cliënt alsmede het bedrag ad € 18.750,05 dat is verrekend met de declaraties van Tripels.

3.9 De rechtbank ziet in hetgeen door de Stichting is aangevoerd aanleiding het verweer van de Stichting eveneens te beoordelen in het licht van het bepaalde in artikel 6:204, eerste lid BW. Voor de toepassing van zowel het eerste als het tweede lid van artikel 6:204 BW is van belang de periode waarin de Stichting redelijkerwijs geen rekening hoefde te houden met teruggave van de som, derhalve dat zij te goeder trouw was.

3.10 Op 26 juli 2004 heeft de Stichting een afschrift ontvangen van het proces-verbaal van aangifte van Transmontaro, zodat zij in ieder geval vanaf die datum niet meer te goeder trouw was. Of de Stichting ten tijde van het ontvangen van de betaling, derhalve voordat zij op de hoogte raakte van de aangifte van Transmontaro, te goeder trouw was, dient te worden beoordeeld op basis van de omstandigheden van het geval waarin de betaling zonder rechtsgrond is verricht. Uit de Richtlijnen ter voorkoming van betrokkenheid van de advocaat bij criminele handelingen, Advocatenblad 1995, blz. 809-814 (Bruyninckx-richtlijnen), dat in artikel 5, tweede lid bepaalt:

2. Het is de advocaat slechts toegestaan van zijn cliënt of een tussenpersoon gelden of goederen aan te nemen of te bewaren indien hij zich ervan vergewist heeft welke gelden en goederen het betreft en zich ervan heeft overtuigd dat dit in het kader van een door hem behandelde zaak een redelijk doel dient,

vloeit daarnaast voort dat in ieder geval Tripels als advocaat nader onderzoek had moeten plegen naar de herkomst van de betaling. Dit geldt ook voor de Stichting, die immers op grond van de Boekhoudverordening 1998 van 22 september 1998, Stcr. 1998, 207 de gelden van de cliënt van Tripels in ontvangst nam en beheerde en overigens bestuurd wordt door advocaten van de Maatschap Tripels Advocaten. Nu, zoals reeds overwogen, er geen sprake was van “een door hem behandelde zaak” was er voorts geen reden om het overgemaakte geld op de derdenrekening te laten staan zonder contact op te nemen met de partij die het geld heeft overgemaakt.

3.11 Nu de Stichting geen nader onderzoek heeft verricht naar de achtergrond van de betaling, kan niet worden gezegd dat zij te dien aanzien te goeder trouw is geweest. De Stichting diende derhalve reeds vanaf het moment van de ontvangst van de betaalde som rekening te houden met teruggave daarvan. Gelet hierop kan artikel 6:204 BW geen toepassing vinden. Voor zover de Stichting derhalve een beroep doet op het ontoerekenbaar verloren zijn gegaan van een deel van de door Transmontaro betaalde som doordat de Stichting dit deel heeft betaald aan de cliënt dan wel een verrekening heeft plaatsgevonden met de nog openstaande declaraties van de cliënt bij Tripels, kan dit beroep niet opgaan.

3.12 Gelet op al het bovenstaande kan de vordering van Transmontaro en Fortis tot terugbetaling van de som van € 103.211,- worden toegewezen.

3.13 Ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente overweegt de rechtbank als volgt.

De Stichting beroept zich op schuldeisersverzuim. Zij stelt daartoe dat Transmontaro en Fortis niet hebben voldaan aan het verzoek van de Stichting om bewijsstukken over te leggen waaruit blijkt dat Transmontaro rechthebbende is van het door de Stichting ontvangen bedrag. Nu de Stichting ten onrechte de derdengeldrekening voor ontvangst van gelden ter beschikking heeft gesteld, komt haar geen beroep op schuldeisersverzuim toe.

Het verweer van de Stichting treft daarom geen doel. De door Transmontaro en Fortis gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 4 augustus 2004, de datum waarop naar het oordeel van de rechtbank –gelet op productie 2 van de dagvaarding- het verzuim aan de zijde van de Stichting is ingetreden.

3.14 De post buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen nu uitsluitend is gesteld dat zij worden begroot op € 2.450,-. Uit die enkele stelling vloeit immers niet voort dat incassowerkzaamheden zijn verricht.

3.15 De Stichting zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure.

4. De beslissing

De rechtbank:

veroordeelt de Stichting om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Fortis te betalen een bedrag van € 103.211,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 augustus 2004 tot de dag der algehele voldoening;

veroordeelt de Stichting in de kosten van de procedure aan de zijde van Transmontaro en Fortis gerezen, tot aan deze uitspraak begroot op € 83,78 aan kosten dagvaarding, € 2.325,- aan vast recht en € 2.842,- voor salaris procureur;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Sijmonsma, vice-president, mr. P.E. de Kort en mr. I. M. Etman, rechters, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier.

JvA