Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2005:AS5440

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
02-02-2005
Datum publicatie
09-02-2005
Zaaknummer
AWB 04 / 1355 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft op 15 april 2004 bij verweerder een aanvraag ingediend, strekkende tot toekenning van een langdurigheidstoeslag ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB).

Bij besluit van 21 april heeft verweerder eiseres met ingang van 1 januari 2004 een langdurigheidstoeslag toegekend. Verweerder geeft aan dat er beslag is gelegd op de langdurigheidstoeslag en dat deze wordt overgemaakt aan de beslaglegger.

Bij brief van 19 mei 2004 is namens eiseres tegen dat besluit bezwaar gemaakt bij verweerder.

Daarbij is aangevoerd, dat eiseres zich er niet mee kan verenigen dat op de langdurigheidstoeslag beslag wordt gelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 04 / 1355 WWB

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[A],

wonende te Brunssum, eiseres,

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Kerkrade,

gevestigd te Kerkrade, verweerder.

Datum bestreden besluit: 25 augustus 2004

Kenmerk: MP/MH 04u0012281

Behandeling ter zitting: 17 januari 2005

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 25 augustus 2004 heeft verweerder een namens eiseres ingediend bezwaarschrift van 19 mei 2004 tegen een door verweerder genomen besluit van 21 april 2004 ongegrond verklaard.

Bij brief van 2 september 2004 is tegen eerstgenoemd besluit namens eiseres beroep ingesteld door haar gemachtigde mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van eiseres gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.

Bij brief van 17 september 2004 heeft de gemachtigde van eiseres op voormeld verweerschrift gereageerd.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 17 januari 2005, waar noch eiseres noch haar gemachtigde, zijn verschenen.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. G.C.W. Sterk.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

De feiten

Eiseres heeft op 15 april 2004 bij verweerder een aanvraag ingediend, strekkende tot toekenning van een langdurigheidstoeslag ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB).

Bij besluit van 21 april heeft verweerder eiseres met ingang van 1 januari 2004 een langdurigheidstoeslag toegekend. Verweerder geeft aan dat er beslag is gelegd op de langdurigheidstoeslag en dat deze wordt overgemaakt aan de beslaglegger.

Bij brief van 19 mei 2004 is namens eiseres tegen dat besluit bezwaar gemaakt bij verweerder.

Daarbij is aangevoerd, dat eiseres zich er niet mee kan verenigen dat op de langdurigheidstoeslag beslag wordt gelegd. Voorts wordt namens eiseres aangevoerd dat er ten onrechte teruggevorderd wordt. Namens eiseres wordt aangevoerd dat de bestreden beslissing voor eiseres een bezwarende beschikking is. Namens eiseres wordt aangegeven dat er noch rekening is gehouden met de strekking van de langdurigheidstoeslag noch met de belangen van eiseres, aangezien eiseres geen enkele mogelijkheid heeft om haar inkomen aan te vullen met werk en eiseres gehandicapt is. Voorts wordt namens eiseres aangevoerd dat er geen beschikking was dat van eiseres zou worden ingevorderd tot aan de beslagvrije voet. Eiseres verzet zich nadrukkelijk tegen de uitvoeringshandeling om de aan haar toegekende langdurigheidstoeslag(en) eenmaal niet dan wel geheel niet aan haar uit te betalen.

Eiseres en haar gemachtigde zijn in de gelegenheid gesteld om op 29 juli 2004 op het bezwaar te worden gehoord. Bij die gelegenheid is onder meer door de gemachtigde van eiseres naar voren gebracht, dat er in het geheel geen sprake is van beslag. Door verweerder wordt aangegeven dat er alsnog bescheiden worden aangereikt en naar gemachtigde van eiseres toegezonden waaruit blijkt dat wel degelijk sprake is van beslag.

Het besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag verweerders standpunt, dat er beslag kan worden gelegd op de langdurigheidstoeslag gezien het bepaalde in artikel 36, zesde lid, jo. artikel 46, derde lid, van de WWB. Er zijn een groot aantal bescheiden aan gemachtigde van eiseres gezonden waaruit blijkt dat er nog steeds sprake is van beslag op de uitkering en dat dit nimmer is opgeheven. Namens verweerder wordt aangegeven dat er nimmer sprake was van een geclausuleerd bedrag, maar slechts van een met en destijds op verzoek van eiseres gemaakte afspraak dat enkel gedurende de looptijd van de aflossingsperiode van haar lening bij de Kredietbank het beslag niet volledig geëffectueerd zou worden.

Het beroep

Eiseres kan zich met voormeld standpunt van verweerder niet verenigen. Daartoe is in beroep aan-ge-voerd, dat er geen beslag kan worden gelegd op de langdurigheidstoeslag. Namens eiseres wordt aangevoerd dat zij de juistheid van de terugvordering nog steeds bestrijdt. Eiseres geeft echter aan dat deze onherroepelijk is geworden. Voorts wordt namens eiseres aangevoerd dat er kennelijk geen rekening is gehouden met de belangen van eiseres, evenmin met het karakter van de langdurigheidstoeslag. De gemaakte afspraken zijn bij eiseres niet helemaal bekend. Eiseres geeft aan dat de behandelend ambtenaar van de gemeente Kerkrade haar beloofd heeft dat de langdurigheidstoeslag aan haar zou worden uitbetaald zoals onder andere ook blijkt uit de beslissing van 19 april 2004.

Het verweer

In het verweerschrift van 10 september 2004 wordt door verweerder verwezen naar de stukken uit de bezwaarprocedure.

De beoordeling

De rechtbank dient in dit geding te beoordelen, of het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Centraal staat de vraag of verweerder op goede gronden heeft vastgesteld dat er beslag is gelegd op de langdurigheidstoeslag en dat dientengevolge de toeslag niet aan eiseres wordt uitbetaald, maar aan de beslaglegger.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat het beroep, voor zover gericht tegen het aan het beslag ten grondslag liggend besluit tot terugvordering, niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Met de beschikking van de kantonrechter van 6 oktober 1995 staat deze terugvordering onherroepelijk in rechte vast.

De rechtbank acht verder de volgende bepalingen van belang.

Artikel 36, zesde, lid WWB

De artikelen 8, eerste lid, onderdeel b, 13, eerste lid, onderdeel a, en derde lid, 18, tweede en derde lid, 40, 46, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 54, paragraaf 6.4 en 6.5, alsmede artikel 63 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 46, derde lid, WWB

Beslag op algemene bijstand is slechts geldig voorzover de belanghebbende blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

De rechtbank is van oordeel dat de langdurigheidstoeslag geen bijzondere bijstand is als bedoeld in artikel 35, eerste lid, WWB doch als een afzonderlijke inkomensondersteunende maatregel moet worden gezien.

De rechtbank is verder van oordeel dat nu artikel 46, derde lid, WWB in artikel 36, zesde lid, WWB van overeenkomstige toepassing is verklaard op de langdurigheidstoeslag, de bescherming van artikel 46 WWB beslaglegging en verrekening van de langdurigheidstoeslag niet in de weg staat. De rechtbank is niet gebleken dat de wet of jurisprudentie beslaglegging op de langdurigheidstoeslag in de weg staat.

Gelet op de gedingstukken heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht en op goede gronden besloten, dat beslag op de langdurigheidstoeslag is gelegd en dat mitsdien de toegekende toeslag niet aan eiseres wordt uitbetaald, maar aan de beslaglegger.

Ook overigens is de rechtbank niet gebleken, dat het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel, zodat het beroep van eiseres voor ongegrond moet worden gehouden.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:70 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover dit zich richt tegen de terugvordering van de bijstand;

2. verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen in tegenwoordigheid van mr. J.H. van Hoof als griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2005 door mr. Vluggen voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. J.H. van Hoof w.g. F.A.G.M. Vluggen

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 2 februari 2005

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.