Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2005:AS5439

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
02-02-2005
Datum publicatie
09-02-2005
Zaaknummer
AWB 04 / 1219 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiseres heeft op 13 april 2004 bij verweerder een aanvraag ingediend, strekkende tot toekenning van een langdurigheidstoeslag ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB).

Bij besluit van 21 april 2004 heeft verweerder eiseres per 1 april 2004 een langdurigheidstoeslag toegekend. Het aan eiseres uit te keren bedrag wordt verrekend ten behoeve van een uit te voeren beslag.

Bij brief van 2 juni 2004, ontvangen op 3 juni 2004, is door eiseres tegen dat besluit bezwaar gemaakt bij verweerder.

Daarbij is aangevoerd, dat de langdurigheidstoeslag niet vatbaar is voor executoriale invordering, temeer daar de toeslag het bestrijden van de armoede tot doel heeft. Zij is van mening dat de langdurigheidstoeslag niet mag worden aangewend voor het aflossen van schulden.

Eiseres is in de gelegenheid gesteld om op 21 juni 2004 op het bezwaar te worden gehoord.

Bij die gelegenheid is onder meer naar voren gebracht, dat eiseres haar standpunt handhaaft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2005, 129
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 04 / 1219 WWB

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[A],

wonende te Heerlen, eiseres,

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Heerlen,

gevestigd te Heerlen, verweerder.

Datum bestreden besluit: 29 juni 2004

Kenmerk: 03.21 / 20040396-B/PF

Behandeling ter zitting: 17 januari 2005

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 29 juni 2004 heeft verweerder een door eiseres ingediend bezwaarschrift van 3 juni 2004 tegen een door verweerder genomen besluit van 21 april 2004 ongegrond verklaard.

Bij brief van 10 augustus 2004 is tegen eerstgenoemd besluit namens eiseres beroep ingesteld door haar gemachtigde mr. J.G. van Ek, advocaat te Heerlen.

Bij brief van 8 september 2004 zijn de nadere gronden waarop het beroep berust bij de rechtbank ingediend.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van eiseres gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 17 januari 2005, waar namens eiseres mr. van Ek voornoemd is verschenen.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mr. P.J.A. Franssen.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

De feiten

Eiseres heeft op 13 april 2004 bij verweerder een aanvraag ingediend, strekkende tot toekenning van een langdurigheidstoeslag ingevolge de Wet werk en bijstand (hierna: WWB).

Bij besluit van 21 april 2004 heeft verweerder eiseres per 1 april 2004 een langdurigheidstoeslag toegekend. Het aan eiseres uit te keren bedrag wordt verrekend ten behoeve van een uit te voeren beslag.

Bij brief van 2 juni 2004, ontvangen op 3 juni 2004, is door eiseres tegen dat besluit bezwaar gemaakt bij verweerder.

Daarbij is aangevoerd, dat de langdurigheidstoeslag niet vatbaar is voor executoriale invordering, temeer daar de toeslag het bestrijden van de armoede tot doel heeft. Zij is van mening dat de langdurigheidstoeslag niet mag worden aangewend voor het aflossen van schulden.

Eiseres is in de gelegenheid gesteld om op 21 juni 2004 op het bezwaar te worden gehoord.

Bij die gelegenheid is onder meer naar voren gebracht, dat eiseres haar standpunt handhaaft.

Het besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag verweerders standpunt, dat verweerder zich moet beperken tot de vraag of hij bij de inhouding van de toegekende som is gebleven binnen het kader van het beslag. Voorts is verweerder van mening dat de langdurigheidstoeslag geen bijzondere bijstand is als bedoeld in artikel 35 WWB. De bescherming van artikel 46 WWB staat derhalve aan beslaglegging en verrekening van de langdurigheidstoeslag niet in de weg.

Het beroep

Eiseres kan zich met voormeld standpunt van verweerder niet verenigen. Daartoe is in beroep aan-ge-voerd, dat gezien artikel 46, tweede lid, WWB bezien in samenhang met artikel 35 WWB dit niet tot de conclusie kan leiden dat de langdurigheidstoeslag vatbaar zou zijn voor beslag, en dat verweerder mitsdien gehouden zou zijn, zijn medewerking aan een dergelijk beslag te verlenen. Niet valt uit de wet en de door verweerder genoemde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep af te leiden dat er beslag kan worden gelegd op een toegekende langdurigheidstoeslag. Voorts wordt namens eiseres aangevoerd dat verweerder niet gehouden is de langdurigheidstoeslag niet aan eiseres uit te betalen nu er beslag op haar bijstandsuitkering is gelegd. De langdurigheidstoeslag is immers niet aan te merken als bijstand gezien artikel 35 WWB.

Het verweer

In het verweerschrift van 22 september 2004 heeft verweerder naar voren gebracht, dat ingevolge artikel 19 Invorderingswet 1990 verweerder gehouden was om de aan eiseres toegekende langdurigheidstoeslag in te houden. Verweerder verwijst naar hetgeen overwogen is in de beslissing op bezwaar.

De beoordeling

De rechtbank dient in dit geding te beoordelen, of het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel. Centraal staat de vraag of verweerder op goede gronden heeft vastgesteld dat er beslag is gelegd op de langdurigheidstoeslag en dat dientengevolge de toeslag niet aan eiseres wordt uitbetaald, maar aan de beslaglegger.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

De rechtbank acht de volgende wettelijke bepalingen van belang.

Artikel 36, zesde lid, WWB

De artikelen 8, eerste lid, onderdeel b, 13, eerste lid, onderdeel a, en derde lid, 18, tweede en derde lid, 40, 46, eerste, derde, vierde en vijfde lid, 54, paragraaf 6.4 en 6.5, alsmede artikel 63 zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 46 WWB

1. De bijstand is niet vatbaar voor vervreemding of verpanding.

2. Bijzondere bijstand is niet vatbaar voor beslag.

3. Beslag op algemene bijstand is slechts geldig voorzover de belanghebbende blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

4. Een machtiging tot het in ontvangst nemen van de bijstand, onder welke vorm of welke benaming ook verleend, is steeds herroepelijk.

5. Elk beding, strijdig met dit artikel, is nietig.

Artikel 19, eerste lid, Invorderingswet 1990

1. Een derde die:

a. loon;

b. uitkeringen op grond van sociale zekerheidswetten, uitgezonderd kinderbijslag onder welke benaming ook;

c. pensioen en lijfrente;

d. uitkeringen uit levens-, invaliditeits-, ongevallen- of ziekengeldverzekering;

e. uitkeringen tot levensonderhoud, verschuldigd krachtens boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, of tot vergoeding van schade door het derven van levensonderhoud;

f. uitkeringen of buitengewone pensioenen op grond van een wettelijke regeling voor oorlogsgetroffenen of voor degenen die hun vervangende dienstplicht vervullen; verschuldigd is aan een belastingschuldige, is op vordering van de ontvanger verplicht de belastingaanslagen van de belastingschuldige te betalen, voor zover één en ander vatbaar is voor beslag.

De rechtbank is van oordeel dat de langdurigheidstoeslag geen bijzondere bijstand is als bedoeld in artikel 35, eerste lid, WWB doch als een afzonderlijke inkomensondersteunende maatregel moet worden gezien.

De rechtbank is verder van oordeel dat nu artikel 46, derde lid, WWB in artikel 36, zesde lid, WWB van overeenkomstige toepassing is verklaard op de langdurigheidstoeslag, de bescherming van artikel 46 WWB beslaglegging en verrekening van de langdurigheidstoeslag niet in de weg staat. De rechtbank is niet gebleken dat de wet of jurisprudentie beslaglegging op de langdurigheidstoeslag in de weg staat.

Namens eiseres wordt aangevoerd dat verweerder niet gehouden is de langdurigheidstoeslag niet aan eiseres uit te betalen nu er beslag is gelegd op haar bijstandsuitkering. De rechtbank kan eiseres hierin niet volgen aangezien de langdurigheidstoeslag ingehouden wordt ingevolge artikel 19, eerste lid, onder b, Invorderingswet 1990. In dit verband merkt de rechtbank op, dat de berekening van de beslagvrije voet ook als bedoeld in artikel 475d van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet is gewijzigd na de introductie van de langdurigheidstoeslag.

Gelet op de gedingstukken heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht en op goede gronden vastgesteld, dat beslag op de langdurigheidstoeslag is gelegd en dat mitsdien de toegekende toeslag niet aan eiseres kan worden uitbetaald, maar aan de beslaglegger toekomt.

Ook overigens is de rechtbank niet gebleken, dat het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel, zodat het beroep van eiseres voor ongegrond moet worden gehouden.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:70 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen in tegenwoordigheid van mr. J.H. van Hoof als griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 februari 2005 door mr. Vluggen voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. J.H. van Hoof w.g. F.A.G.M. Vluggen

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 2 februari 2005

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.