Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2005:AS5434

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
04-02-2005
Datum publicatie
09-02-2005
Zaaknummer
AWB 04 / 1045 BESLU
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 oktober 1999 heeft verweerster afwijzend beschikt op de door prof. dr. W.D. Boeckx, plastisch chirurg te Maastricht, namens en ten behoeve van eiseres ingediende aanvraag van 19 augustus 1999 om toestemming te verlenen voor het vervangen van beide borstprothesen en het uitvoeren van een bilaterale borstreconstructie onder toepassing van een gesteelde latissimus dorsi plastiek in verband met asymmetrische borsten, pijn en kapselvorming, dit na recidiverende reconstructie-ingrepen op basis van een beiderzijdse amputatie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 04 / 1045 BESLU

Uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[A],

wonende te Kerkrade, eiseres,

tegen

Stichting Centrale Zorgverzekeraars Groep Ziekenfonds -Afdeling Juridische Zaken-,

gevestigd te Tilburg, verweerster.

Datum bestreden besluit: 18 juni 2004

Kenmerk: ZFS/Muijs/mpo

Behandeling ter zitting: 8 november 2004

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 18 juni 2004 heeft verweerster een namens eiseres ingediend bezwaarschrift tegen een door verweerster genomen besluit van 22 augustus 2003 ongegrond verklaard.

Bij brief van 14 juli 2004 is tegen eerstgenoemd besluit namens eiseres beroep ingesteld door haar gemachtigde mr. E.H.J.M. Dohmen, advocaat te Maastricht.

De door verweerster ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van eiseres gezonden, evenals het door verweerster ingediende verweerschrift.

Bij brief van 4 oktober 2004 heeft de gemachtigde van eiseres nog een productie in het geding gebracht.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 8 november 2004, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. Dohmen voornoemd. Verweerster heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mw. mr. M.J. Populiers.

2. Overwegingen

Bij besluit van 4 oktober 1999 heeft verweerster afwijzend beschikt op de door prof. dr. W.D. Boeckx, plastisch chirurg te Maastricht, namens en ten behoeve van eiseres ingediende aanvraag van 19 augustus 1999 om toestemming te verlenen voor het vervangen van beide borstprothesen en het uitvoeren van een bilaterale borstreconstructie onder toepassing van een gesteelde latissimus dorsi plastiek in verband met asymmetrische borsten, pijn en kapselvorming, dit na recidiverende reconstructie-ingrepen op basis van een beiderzijdse amputatie.

Het daartegen namens eiseres gemaakte bezwaar is door de Commissie voor de bezwaarschriften van verweerster bij besluit van 28 juli 2000 ongegrond verklaard. Van dat besluit is eiseres in beroep gekomen, welk beroep de rechtbank bij haar uitspraak van 27 november 2000, inzake Reg.nr.: 00/1053 Zfw, ongegrond heeft verklaard.

Van die uitspraak is namens eiseres in hoger beroep gekomen. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft vervolgens bij zijn uitspraak van 10 juni 2003, inzake Reg.nr.: 00/6739 Zfw, voor zover hier van belang, de aangevallen uitspraak vernietigd, het inleidend beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit (alsnog) vernietigd. Daartoe heeft de CRvB, woordelijk, het volgende overwogen:

“Met betrekking tot de vraag of bij appellante ten tijde in geding sprake was van aantoonbare lichamelijke functiestoornissen, dan wel een verminking in evenbedoelde zin heeft de Raad zich laten voorlichten door de in rubriek I genoemde revalidatie arts

W.C.G. Blanken. Deze heeft kennis genomen van de gedingstukken, appellante onderzocht en inlichtingen ingewonnen bij de behandelende sector. Voorts heeft hij de plastisch chirurg Sonneveld geconsulteerd. Op grond van de bevindingen van zijn onderzoek is hij tot de conclusie gekomen – voor zover hier van belang – dat bij appellante ten tijde in geding, 13 augustus 1999, sprake was van een geluxeerde naar buiten en achter geplaatste borstprothese met uitgebreide pijnklachten, waarvoor grote hoeveelheden pijnmedicatie werden genomen, alsook van mechanische bezwaren van met name de linker schoudergordel. Hij heeft daarbij vastgesteld dat prof. dr. Boeckx uitgebreidere pijnklachten heeft beschreven dan de medisch adviseur van CZ en dat het bestaan van meer uitgebreide pijnklachten, bewegingsbeperkingen en een verminderde belastbaarheid van met name de linkerarm is bevestigd door de huisarts. Gelet hierop heeft hij een medische indicatie voor een latissimus dorsi borstreconstructie aanwezig geacht.

De Raad is gezien dit rapport van oordeel dat het standpunt van gedaagde, voor zover inhoudend dat bij appellante ten tijde in geding geen sprake was van aantoonbare lichamelijke functiestoornissen, geen steun vindt in de hierop betrekking hebbende bevindingen en conclusie van de onafhankelijke deskundige, welke de Raad in zoverre tot de zijne maakt. De door gedaagde aangevoerde omstandigheid dat prof. dr. Boeckx in zijn initiële aanvraag alleen “pijn ter hoogte van de linkerborst” heeft vermeld en dat de medisch adviseur van CZ alleen pijn ter plaatse van het litteken stelt te hebben vastgesteld, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden. De Raad wijst erop dat prof. dr. Boeckx op de aard, intensiteit en omvang van de pijnklachten wel gemotiveerd is ingegaan in het bezwaarschrift en dat de door gedaagde aangevoerde omstandigheid dat zij daarvan bij de initiële beoordeling niet op de hoogte was, aangezien toen geen informatie van de huisarts voorhanden was, voor risico van CZ dient te worden gelaten.”

Voorts is van belang dat verweerster hangende het geding in hoger beroep de CRvB bij brief van 11 april 2001 heeft bericht dat bij eiseres op 22 december 2000 beiderzijds borst-prothesen zijn verwijderd in verband met infecties, waarvoor door verweerster – in verband met door prof. dr. Boeckx gestelde acute noodzaak – op 24 januari 2001 machtiging is verleend. Naar aanleiding van een in maart 2001 ingediende nieuwe aanvraag voor een borstreconstructie beiderzijds onder toepassing van een bilaterale latissimus dorsi is eiseres op 19 maart 2001 andermaal gezien door verweersters medisch adviseur, die heeft geoordeeld dat sprake is van een verminking als bedoeld in de op 1 februari 2000 in werking getreden Regeling medisch-specialistische zorg Ziekenfondswet. Vervolgens heeft verweerster machtiging verleend voor de ingreep, die inmiddels ook heeft plaatsgevonden. De CRvB heeft daarna, geplaatst voor de vraag of eiseres, gelet op deze nieuwe ontwikkelingen, nog enig processueel belang heeft bij voortzetting van het hoger beroep, die vraag in positieve zin beantwoord en het hoger beroep ten gronde beoordeeld, waarbij in aanmerking is genomen dat namens eiseres is aangegeven dat materiële en immateriële schade is geleden en dat wordt overwogen om verweerster daarvoor in een later stadium aansprakelijk te stellen.

Uit de gedingstukken blijkt dat mr. Dohmen als gemachtigde van eiseres bij brief van 10 juli 2003, onder verwijzing naar voormelde uitspraak van de CRvB, om vergoeding vraagt van geleden (immateriële) schade als gevolg van het feit dat de geïndiceerde plastisch-chirurgische ingreep, waarvoor in augustus 1999 een aanvraag was ingediend, uiteindelijk pas in maart 2001 is uitgevoerd. In dat verband wordt erop gewezen dat de ingreep in 2001 omvangrijker is geweest en de (zichtbare) gevolgen ervan ingrijpender. Er was meer weefsel benodigd voor de reconstructie van de borst en de bewegingsvrijheid daardoor nu beperkter. Eiseres heeft verder nog doen wijzen op de onheuse bejegening door verweerster doordat zij ten onrechte voor een simulante is uitgemaakt. Door deze opstelling van verweerster zijn haar psychische klachten, waarvoor zij toch al onder behandeling was bij dr. Magdenburg te Kerkrade, en ook de epilepsieaanvallen waarmee zij bekend was, verergerd. Bovendien stelt eiseres dat er ook een doorwerking is geweest in haar relatie en dat zij evenmin de oma heeft kunnen zijn, die zij zo graag had willen zijn. Dat alles bij elkaar genomen levert een aantasting in de persoon op als bedoeld in artikel 6:106 Burgerlijk Wetboek (BW), ter compensatie waarvan eiseres aanspraak maakt op smartengeld ten bedrage van € 55.000,--. Daarnaast stelt eiseres dat de kwade kans op verlies aan zelfredzaamheid in verband met de bewegingsbeperkingen die een gevolg zijn van de te laat uitgevoerde ingreep, een (afzonderlijke) immateriële schadepost vormen waarvoor evenzeer een vergoeding van € 55.000,-- op zijn plaats zou zijn. Daar komt nog eens bij dat de late ingreep heeft belet dat eiseres haar oude beroep van exploitant van een frituur weer heeft kunnen oppakken. Het daaruit voortvloeiende verlies aan verdienvermogen heeft eiseres vooralsnog als een pro memorie post opgevoerd. Enige kleinere materiële schadeposten van € 2.359,65 vanwege hulp in de huishouding maken de bij verweerster neergelegde claim compleet. Aan het einde van de brief heeft eiseres tot slot verzocht om aansprakelijkheid ter zake te erkennen. Tevens wordt verzocht een voorschot van € 112.359,65 op de uiteindelijk te vergoeden schade betaalbaar te stellen, waarna ten aanzien van de overige schadeposten tot een regeling in der minne kan worden gekomen, bij gebreke waarvan eiseres aankondigt de rechter te zullen adiëren.

Bij brief van 16 juli 2003 heeft verweerster om een medische en financiële onderbouwing van de schadeclaim gevraagd.

Als reactie daarop heeft de gemachtigde van eiseres verweerster bij brief van 22 juli 2003 het volgende geschreven:

“Ik kan niet geloven dat uzelf meent dat mijn brief van 10 juli j.l. niet gemotiveerd zou zijn. Ik meen daarentegen dat u een ontwijkende houding aanneemt. Als dat zo blijft mag u bij monde van een procureur in de procedure uitleggen dat u de dagvaarding niet gemotiveerd vindt.”

en verder:

“Mocht u niet vertrouwd zijn met het omgaan met deze materie – ik meen dat de inhoud van uw uiterst summiere briefje van 16 juli j.l. in die richting wijst – dan kunt u de zaak beter meteen uitbesteden aan een advocaat die met mij de juridische discussie kan voeren.”

Naar aanleiding van deze brief reageert verweerster bij brief van 1 augustus 2003 als volgt:

“Als jurist zult u zeker begrijpen dat wie stelt ook dient te bewijzen.

CZ verzoekt u dan ook -nogmaals- om de schadeclaim medisch en financieel te onderbouwen.

CZ gaat er van uit dat u, in het belang van uw cliënte, aan dit alleszins redelijke verzoek wilt voldoen.”

Blijkens de brief van de gemachtigde van eiseres van 12 augustus 2003 ziet deze de reactie van verweerster als een bevestiging van de door hem eerder bespeurde ontwijkende houding. Na te hebben vastgesteld dat verweerster weigert inhoudelijk te reageren op de brief van 10 juli 2003 stelt de gemachtigde van eiseres verweerster in het vooruitzicht, zodra hij daartoe in de gelegenheid zal zijn, over te gaan tot het redigeren van de dagvaarding. Tegelijkertijd laat de gemachtigde een opening door aan het einde van de brief op te merken dat zolang de dagvaarding nog niet is betekend de bereidheid blijft bestaan om naar aanleiding van zijn brief van 10 juli 2003 met elkaar te onderhandelen.

Bij brief van 18 augustus 2003 laat verweerster de gemachtigde van eiseres weten het verzoek om schadevergoeding te hebben doorgestuurd naar de afdeling machtigingen ten einde een zelfstandig schadebesluit te nemen. Namens verweerster heeft de heer H.Th.J.M. Kusters, Manager notabehandeling zorgverleners, bij brief van 22 augustus 2003, eiseres bericht dat, bij gebrek aan medische en financiële onderbouwing van haar kant, het verzoek om vergoeding van schade wordt afgewezen.

Tegen dit besluit wordt namens eiseres bij brief van 26 augustus 2003 bezwaar gemaakt, waarbij eiseres zich primair op het standpunt stelt dat niet om een zelfstandig schadebesluit is gevraagd maar dat was verzocht aansprakelijkheid te erkennen en een voorschot betaalbaar te stellen op de, zoveel mogelijk in onderling overleg vast te stellen, schade. Deze kwestie bevindt zich derhalve, aldus eiseres, nog in de onderhandelingsfase, terwijl uit de in de brieven van 22 juli en 12 augustus 2003 gebezigde woordkeus valt af te leiden dat bij gebrek aan resultaat door middel van een dagvaarding de burgerlijke rechter zal worden geadiëerd. Eiseres heeft voorts erop doen wijzen dat het ongevraagd nemen van een zelfstandig schadebesluit haar rechtspositie kan benadelen omdat dit mogelijk de weg naar de burgerlijke rechter afsnijdt. Slechts voor het geval verweerster het primaire standpunt naast zich neerlegt, mitsdien geheel subsidiair, heeft eiseres doen opmerken de brief van 26 augustus 2003 als een bezwaarschrift behandeld te willen zien.

Vervolgens is eiseres in de gelegenheid gesteld om op 2 oktober 2003 op haar bezwaren te worden gehoord. Van deze gelegenheid heeft eiseres, bijgestaan door haar gemachtigde, gebruik gemaakt. In dat verband heeft de gemachtigde van eiseres bij de aanvang van de hoorzitting andermaal benadrukt hier eigenlijk niet te willen zitten, bij voorkeur een en ander buitengerechtelijk te willen regelen en dat pas als dat niet mogelijk is, hij met eiseres de gang naar de burgerlijke rechter wil maken. Bij brief van 9 oktober 2003 schrijft de gemachtigde van eiseres in reactie op het toegezonden verslag van de hoorzitting nog het volgende:

“Namens cliënte heb ik nimmer gezegd dat het een bestuursorgaan niet vrij staat om een zelfstandig schadebesluit te nemen. Wat ik wel gezegd heb, en dat strookt ook met mijn standpunt in de processtukken, is, dat het in dit concrete geval aan CZ-Groep niet vrij stond om een zelfstandig schadebesluit te nemen, nu belanghebbende daar niet om heeft verzocht, en dit zelfstandig schadebesluit in casu zelfs expliciet tegen haar wil is genomen!”

Nadat over en weer nog uitvoerig over deze kwestie is gecorrespondeerd, waarbij namens eiseres in aanvulling op de bij verweerster neergelegde claim ook aanspraak is gemaakt op vergoeding van kosten van fysiotherapie, heeft verweerster bij het bestreden besluit van 18 juni 2004 het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Daarbij heeft verweerster zich op het standpunt gesteld op goede gronden een zelfstandig schadebesluit te hebben afgegeven. Met betrekking tot de vraag of en in hoeverre de beweerdelijk door eiseres geleden schade voor vergoeding in aanmerking kan komen, heeft verweerster zich primair op het standpunt gesteld dat, hoewel de CRvB tot gegrondverklaring van het hoger beroep is gekomen vanwege een aan het bestreden besluit klevend motiveringsgebrek, daarmee nog niet vast staat dat sprake is van een tegen beter weten in genomen onrechtmatig besluit en dat reeds daarom geen aanleiding bestaat tot vergoeding van schade over te gaan. Voor het geval de rechtbank zou oordelen dat wel sprake is van een tegen beter weten in genomen besluit, heeft verweerster zich subsidiair op het standpunt gesteld dat een causaal verband tussen de vertraging in de vergoeding van de borstreconstructie en de gestelde schade ontbreekt. Meer subsidiair meent verweerster dat de hoogte van het geclaimde bedrag aan schade, gelet op de beperkte duur van de vertraging, disproportioneel is.

Van dit besluit is eiseres in beroep gekomen. Eiseres heeft zich daartegen met een viertal grieven gekeerd, die, in onderling verband en samenhang beschouwd, ertoe strekken het geschil in zijn volle omvang aan de bestuursrechter voor te leggen.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Gezien de eerdervermelde uitspraak van de CRvB van 10 juni 2003 staat in dit geding vast, dat het tot in hoger beroep bestreden besluit van 28 juli 2000, niet alleen onbevoegdelijk is genomen, maar ook berust op een onjuiste toepassing van de ter zake van toepassing zijnde wettelijk voorschriften en derhalve onrechtmatig is. Een zodanig onrechtmatig handelen moet, bijzondere omstandigheden waarvan hier niet is gebleken daargelaten, steeds aan het betrokken overheidslichaam worden toegerekend. In dat geval is immers sprake van een oorzaak welke – in de bewoordingen van artikel 6:162, derde lid, van het BW – krachtens de in het verkeer geldende opvattingen voor rekening van dat lichaam komt (HR 20 februari 1998, NJ 1998, 526). Of het bestuursorgaan de aansprakelijkheid daarvoor nu wel of niet heeft erkend is in dit geval derhalve in het geheel niet van belang.

Wanneer nu het bestuursorgaan, zoals kennelijk ook in het geval van eiseres, de aansprakelijkheid desondanks niet wenst te erkennen, is het vervolgens aan de belanghebbende om te bepalen langs welke weg hij rechtsbescherming wil inroepen. In dat verband merkt de rechtbank allereerst op dat artikel 8:73 van de Awb de mogelijkheid opent om, indien het beroep tegen een besluit gegrond wordt verklaard, op verzoek van een partij, de door de rechter aan te wijzen rechtspersoon te doen veroordelen tot vergoeding van schade die deze partij lijdt. Blijkens de bewoordingen van het eerste lid van artikel 8:73 van de Awb ligt daarin tevens besloten dat die partij een dergelijk verzoek evenzeer achterwege kan laten en er de voorkeur aan kan geven een vordering uit hoofde van onrechtmatige daad bij de burgerlijke rechter in te stellen. Naast de door de wetgever uitdrukkelijk niet als exclusief bedoelde regeling van artikel 8:73 van de Awb en de mogelijkheid zich ter zake van schadevergoeding tot de burgerlijke rechter te wenden, bestaat er voor een belanghebbende nog een derde mogelijkheid. Een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan op verzoek van een belanghebbende tot vergoeding van schade, die veroorzaakt is binnen het kader van de uitoefening door dat orgaan van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid is immers, ook indien dat verzoek niet steunt op een specifieke wettelijke grondslag, een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb. In het laatstbedoelde geval is sprake van een zogeheten zuiver schadebesluit.

Eiseres heeft in beroep primair aangevoerd dat zij bij verweerster een civielrechtelijke claim heeft willen neerleggen en dat daarop ten onrechte is gereageerd met het nemen van een zelfstandig schadebesluit, waar nooit om is verzocht.

Daartegenover stelt verweerster zich blijkens het bestreden besluit op het standpunt wel degelijk op juiste gronden een zelfstandig schadebesluit te hebben genomen. Een verzoek om schadevergoeding, ook al is dat gedaan in de vorm van een civielrechtelijke claim, moet in de opvatting van verweerster namelijk worden beschouwd als een aanvraag als bedoeld in de Awb, indien bij dat verzoek een publiekrechtelijke bevoegdheidsuitoefening als schadeoorzaak wordt aangewezen. Met de vernietiging van het schadeveroorzakende besluit van 28 juli 2000 is die publiekrechtelijke grondslag volgens verweerster gegeven.

Daarmee staat de rechtbank in dit geding in de eerste plaats voor beantwoording van de vraag of de reactie van verweerster op de brief van eiseres van 10 juli 2003, welke reactie uiteindelijk is uitgemond in een beslissing van 22 augustus 2003, de kenmerken vertoont van een zuiver schadebesluit in evenbedoelde zin. Het enkele gegeven dat in deze beslissing van 22 augustus 2003 door verweerster een als definitief te beschouwen standpunt wordt ingenomen omtrent de honorering van de aanspraken van eiseres tot vergoeding van schade, die, naar de stellingen van eiseres, veroorzaakt zou zijn door het in hoger beroep onrechtmatig geoordeelde besluit van 28 juli 2000, acht de rechtbank op zichzelf genomen geen toereikende maatstaf om de in primo genomen beslissing als een zuiver schadebesluit aan te merken. Daarvoor acht de rechtbank noodzakelijk dat een aanvraag in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb aanwijsbaar is. Een zuiver schadebesluit is nu eenmaal geen ambtshalve te nemen beslissing en derhalve kan in het stelsel van de Awb een schadebesluit slechts worden genomen, indien de belanghebbende daar om vraagt. Een andersluidende opvatting zou immers betekenen dat het bestuursorgaan uiteindelijk zelf kan bepalen wat de juridische aard en status van zijn handelen is en die consequentie acht de rechtbank moeilijk verenigbaar met het stelsel van rechtsbescherming als verankerd in de Awb, waarin ligt besloten dat de kwalificatie van een bepaalde handelwijze en de daaraan te verbinden rechtsgevolgen in de eerste plaats wordt bepaald door de ter zake toepasselijke wettelijke voorschriften en de niet zelden door de jurisprudentie ingekleurde uitleg daarvan.

Met betrekking tot de vraag of verweerster de in onderling verband en samenhang te beschouwen brieven van de gemachtigde van eiseres van 10 en 22 juli 2003 en 12 augustus 2003 redelijkerwijs heeft kunnen opvatten als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb overweegt de rechtbank allereerst dat de inhoud van de brief van 10 juli 2003 erop wijst dat het eiseres vooral erom was te doen verweerster te bewegen tot het erkennen van (civielrechtelijke) aansprakelijkheid, wat daar verder ook van zij, in verband met de schade die zij stelde te hebben geleden tengevolge van het onrechtmatig gebleken besluit van verweersters commissie voor de bezwaarschriften van 28 juli 2000. Uit vermelde brief blijkt verder dat eiseres zich had voorgesteld om na het erkennen van de aansprakelijkheid door verweerster in onderling overleg te komen tot een min of meer definitieve vaststelling van de omvang van de voor vergoeding in aanmerking komende schade. De inhoud van de brief van 10 juli 2003 dwingt evenwel niet tot de conclusie dat eiseres een welbewust en uitdrukkelijk verzoek tot het nemen van een zuiver schadebesluit op buitenwettelijke grondslag bij verweerster heeft willen indienen.

Evenmin ziet de rechtbank aanknopingspunten daarvoor dat verweerster die brief, niet zozeer vanwege de inhoud maar vooral gelet op de aard en strekking ervan, desondanks als een zodanig verzoek had behoren op te vatten.

In verband met het voorgaande acht de rechtbank verder van belang dat de gemachtigde van eiseres in zijn brieven van 22 juli 2003 en 12 augustus 2003 uitdrukkelijk op het aansnijden van een procedure voor de burgerlijke rechter heeft gezinspeeld door verweerster daarin het uitbrengen van een inleidende dagvaarding in het vooruitzicht te stellen. Ook daarop gelet kan naar het oordeel van de rechtbank bezwaarlijk worden volgehouden dat eiseres van verweerster een zuiver schadebesluit wenste uit te lokken.

Voor zover er ten tijde van het in primo genomen besluit bij verweerster desondanks twijfel was omtrent hetgeen eiseres voor ogen stond, wat gezien de door de gemachtigde van eiseres gebezigde woordkeus moeilijk voorstelbaar is, had voor verweerster uiterlijk na kennis-neming van de als bezwaarschrift in behandeling genomen brief van 26 augustus 2003, waarin namens eiseres onomwonden wordt gesteld dat niet om een zelfstandig schadebesluit is verzocht, volstrekt helder moeten zijn dat eiseres in dat stadium met verweerster in onderhandeling wilde te treden omtrent de omvang van de op haar als ziektekosten-verzekeraar rustende schadevergoedingsverplichting. Bovendien is eiseres zowel bij gelegenheid van de hoorzitting als in correspondentie nadien stelselmatig blijven volharden in haar standpunt dat onderhandelingen over de aansprakelijkheid en de omvang van de schade zouden moeten worden geopend.

Gelet op het vorenoverwogene komt de rechtbank tot het oordeel dat verweerster ten onrechte eraan voorbij heeft gezien, dat de hiervoor aangehaalde brieven van eiseres niets meer of anders inhouden dan een verzoek om ter zake het onrechtmatige besluit van 28 juli 2000 aansprakelijkheid te erkennen en dat noch de bewoordingen noch de aard en strekking van deze brieven erop wijzen dat eiseres tevens heeft beoogd een zuiver schadebesluit uit te lokken. Verweerster hoefde deze brieven ook niet als zodanig op te vatten. In verband hiermee merkt de rechtbank nog op dat de omstandigheid dat eiseres, overigens geheel subsidiair, heeft verzocht de brief van 26 augustus 2003 (ook) als bezwaarschrift in behandeling te nemen niet anders verklaarbaar is dan uit de kennelijk bij eiseres bestaande vrees voor verlies van bestuursrechtelijke rechtsbescherming. Maar wat daar verder ook van zij, dat standpunt rechtvaardigt niet de conclusie dat eiseres zich erbij heeft neergelegd een aanvraag tot het nemen van een zuiver schadebesluit te hebben gedaan.

Uit het voorgaande volgt dat, nu geen van de namens eiseres aan verweerster toegezonden brieven valt aan te wijzen die als een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb kan gelden of die als zodanig had moeten worden opgevat, de reactie daarop van verweerster bij brief van 22 augustus 2003 geen besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Tegen deze brief stond derhalve geen beroep open en kon evenmin bezwaar worden gemaakt. Derhalve was rechtens maar één juiste beslissing mogelijk en had verweerster de bezwaren van eiseres niet-ontvankelijk moeten verklaren.

Nu verweerster dat niet heeft onderkend en in plaats daarvan bij het thans bestreden besluit het standpunt heeft gehandhaafd op goede gronden een zuiver schadebesluit te hebben genomen, is het beroep van eiseres gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet aanleiding om, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb, te doen hetgeen verweerster zou behoren te doen en de bezwaren van eiseres alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

De rechtbank acht tot slot termen aanwezig om verweerster te veroordelen in de kosten, die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand wordt daarbij vastges-teld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

De rechtbank kent ter zake twee punten met elk een waarde van € 322,-- toe voor het indienen van het beroepschrift en de verschijning ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Aldus bedraagt het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand 2 x € 322,-- x 1 = € 644,--.

Het bedrag van de reiskosten van eiseres wegens haar verschijning ter zitting wordt overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, eerste lid, onder c, van het Bpb en artikel 11, eerste lid, onderdeel c, van het Besluit tarieven in strafzaken 2003 door de rechtbank vastgesteld op € 11,46 zijnde de reiskosten per openbaar middel van vervoer, laagste klasse.

Vergoeding van andere kosten is niet gevorderd.

Op grond van de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2. verklaart de door eiseres ingediende bezwaren niet-ontvankelijk;

3. bepaalt dat aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 37,00 wordt vergoed door de Stichting Centrale Zorgverzekeraars, Groep Ziekenfonds;

4. veroordeelt verweerster in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op € 655,46 (waarvan wegens de kosten van rechts-bijstand € 644,00), te vergoeden door de Stichting Centrale Zorgverzekeraars, Groep Ziekenfonds aan eiseres.

Aldus gedaan door mr. F.L.G. Geisel als voorzitter en mr. E.V.L. Heuts en mr. A.W. Oosterman als leden, in tegenwoordigheid van mr. E.J.H.G. van Binnebeke als griffier

en in het openbaar uitgesproken op 4 februari 2005

door mr. Geisel voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. E. van Binnebeke w.g. Geisel

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 4 februari 2005

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.