Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2005:AS5133

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
01-02-2005
Datum publicatie
07-02-2005
Zaaknummer
AWB 05/58 WET VV
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerder heeft verzoeksters verzoek om haar een aangepaste toestemming te verstrekken ten behoeve van opneming ter adoptie afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 05 / 58 WET VV

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht op het verzoek

om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht

inzake

[A],

wonende te Elsloo, verzoekster,

tegen

de Minister van Justitie,

gevestigd te 's-Gravenhage, verweerder.

Datum bestreden besluit: 28 december 2004

Kenmerk: BKA 20021/0604

Behandeling ter zitting: 27 januari 2005

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 28 december 2004 heeft verweerder verzoeksters verzoek om haar een aangepaste toestemming te verstrekken ten behoeve van opneming ter adoptie van de jongen [B], geboren op [...] december 2004 te Philadelphia (USA), (hierna te noemen: [B1]), afgewezen.

Verzoekster heeft bij schrijven van 12 januari 2005 van haar gemachtigde bij verweerder bezwaar gemaakt tegen voornoemd besluit.

Bij –afzonderlijk– schrijven van voornoemde datum van haar gemachtigde heeft verzoekster zich tevens tot de voorzieningenrechter van deze rechtbank gewend met het verzoek om terzake van verweerders besluit van 28 december 2004 een voorlopige voorziening, als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb, te treffen.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van verzoekster gezonden. Zulks geldt eveneens voor de stukken die verweerder op 26 januari 2005 –per fax– aan de voorzieningenrechter heeft doen toekomen.

De inhoud van de gedingstukken wordt hier als herhaald en ingelast beschouwd.

Het verzoek om voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van de voorzieningenrechter op 27 januari 2005, alwaar verzoekster in persoon is verschenen. Zij werd bijgestaan door haar gemachtigde mr. P. Baur, advocaat te Landgraaf.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mevr. mr. M.L.H. Gelauff, juridisch adviseur bij de Afdeling Juridische en Internationale Zaken van de Directie Justitieel Jeugdbeleid van verweerder.

2. Overwegingen

In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure.

De voorzieningenrechter acht de, voor een procedure als de onderhavige vereiste, onverwijlde spoed zijdens verzoekster in genoegzame mate aangetoond en ook overigens ziet hij geen beletselen verzoekster in haar verzoek ex artikel 8:81 van de Awb te ontvangen.

Tot het treffen van een voorlopige voorziening zal in het algemeen slechts aanleiding bestaan indien op grond van de beschikbare gegevens moet worden geoordeeld dat zonder die voorziening het voor verzoekster uit het bestreden besluit voortkomend nadeel onevenredig is in verhouding tot het met dat besluit te dienen belang. Nu de voorzieningenrechter aan de zijde van verzoekster een bepaald spoedeisend belang aanwezig acht en derhalve niet reeds op voorhand kan worden geconcludeerd dat zij zonder enig nadeel een beslissing op bezwaar kan afwachten, is het antwoord op de vraag of sprake is van enig nadeel dat behoort te worden voorkomen door het treffen van een voorlopige voorziening in belangrijke mate mede afhankelijk van een voorlopig oordeel omtrent de vraag of het bestreden besluit in een eventuele hoofdzaak zou kunnen worden gehandhaafd.

Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

Verzoekster is geboren op 21 oktober 1964. Zij is op 23 mei 1996 in het huwelijk getreden met dhr. [C], die op 20 maart 1960 is geboren.

Op 27 februari 2002 heeft verzoekster, middels het daartoe strekkende formulier, (alleen op haar naam) bij verweerder een aanvraag ingediend ter verkrijging van toestemming tot opneming ter adoptie van een eerste buitenlands kind (beginseltoestemming).

Bij besluit van 4 maart 2004 heeft verweerder verzoekster, daar zij op dat moment aan de daarvoor geldende vereisten voldeed, de door haar gevraagde toestemming verleend. Aan die toestemming heeft verweerder een aantal, bij dat besluit nader weergegeven, voorwaarden verbonden. Ingevolge één van die voorwaarden mag het leeftijdsverschil tussen het kind en de adoptiefouder niet meer dan 40 jaren bedragen.

Verzoekster heeft tegen voornoemd besluit geen rechtsmiddelen aangewend.

In het kader van het door verzoekster buitenlands contact gedane voorstel om [B1] te adopteren, heeft de Stichting Kind en Toekomst, zijnde de vergunninghoudster die door verzoekster is gekozen als bemiddelende instantie, verweerder namens verzoekster verzocht om ten behoeve van haar een aangepaste toestemming te verstrekken.

Bij het thans bestreden besluit van 28 december 2004 heeft verweerder bovenomschreven verzoek afgewezen. Verweerder heeft aan dat besluit ten grondslag gelegd dat er in het geval van verzoekster geen sprake is van een grond tot het maken van een uitzondering, als bedoeld in artikel 3 van de Richtlijnen opneming buitenlandse kinderen ter adoptie 2000 (hierna te noemen: de Richtlijnen), waarbij hij met name heeft opmerkt dat uitdrukkelijk is verklaard dat [B1] gezond is en ook niet is aangegeven dat hij moeilijk plaatsbaar is, zoals omschreven in het tweede lid, onder d, van genoemd artikel. Voorts heeft verweerder in dat besluit overwogen dat hij in het verleden bij uitzondering in het kader van een redelijke marge, een overschrijding van genoemd leeftijdsverschil heeft toegestaan met maximaal vier weken (zonder dat daarbij sprake was van een moeilijk plaatsbaar kind) en dat in het geval van verzoekster sprake is van een overschrijding van het maximaal toegestane leeftijdsverschil met bijna twee maanden, hetgeen hij niet meer kan aanmerken als een redelijke marge.

Aangezien verzoekster zich met bovenomschreven besluit niet heeft kunnen verenigen, heeft zij bij schrijven van 12 januari 2005 van haar gemachtigde –tijdig– bij verweerder bezwaar gemaakt tegen dat besluit.

Bij –afzonderlijk– schrijven van voornoemde datum van haar gemachtigde heeft verzoekster zich tevens tot de voorzieningenrechter van deze rechtbank gewend met het verzoek om terzake van verweerders besluit van 28 december 2004 een voorlopige voorziening, als bedoeld in artikel 8:81 van de Awb, te treffen.

Op de daartoe aangevoerde, hieronder nader te duiden, gronden is de voorzieningenrechter bij voornoemd schrijven namens verzoekster verzocht om bij wege van voorlopige voorziening te bepalen dat verweerder binnen zeven dagen na de datum van de uitspraak op het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening toestemming dient te verlenen tot opneming van [B1] aan verzoekster en toelating van hem in Nederland.

Tijdens de mondelinge behandeling van het onderhavige geding heeft de gemachtigde van verzoekster bovenomschreven verzoek genuanceerd, in dier voege dat verzocht wordt om te bepalen dat verweerder binnen een door de voorzieningenrechter te bepalen termijn een beslissing dient te nemen op het namens verzoekster ingediende bezwaarschrift van 12 januari 2005.

In dit geding dient de voorzieningenrechter, met inachtneming van het bepaalde in artikel 8:69 van de Awb, een voorlopig oordeel te geven over de vraag of het thans bestreden besluit van 28 december 2004 in een eventuele hoofdzaak zou kunnen worden gehandhaafd.

Ingevolge artikel 5, zesde lid, van de Wet opneming buitenlandse kinderen ter adoptie (hierna te noemen: de Wobka) beslist verweerder afwijzend op een verzoek tot –voor zover thans van belang– verlening van een beginseltoestemming indien te verwachten is dat op het tijdstip waarop een buitenlands kind zou kunnen worden opgenomen, het verschil in leeftijd tussen een der aspirant-adoptiefouders en het buitenlandse kind meer dan veertig jaren bedraagt, tenzij bijzondere omstandigheden inwilliging van het verzoek naar zijn oordeel wenselijk maken.

Verweerder heeft terzake van –voor zover thans van belang– de beoordeling van de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden, beleidsregels opgesteld. Deze regels zijn neergelegd in de Richtlijnen.

Ingevolge artikel 3, tweede lid, van de Richtlijnen mag het leeftijdsverschil van ten hoogte veertig jaren tussen een van de aspirant-adoptiefouders en het buitenlandse kind met meer dan twee jaren worden overschreven bij opneming van een buitenlands kind, in ieder geval indien:

a. er sprake is van een buitenlands kind in de leeftijd vanaf twee jaar, dat kan worden opgenomen door aspirant-adoptiefouders van wie een of beiden ouder zijn dan tweeënveertig jaar;

b. het betreft een jongere broer of zus van een reeds ter adoptie opgenomen buitenlands kind;

c. het betreft de gezamenlijke opneming van twee of meer buitenlandse kinderen uit een familie tussen wie onderling een groot leeftijdsverschil bestaat en de overschrijding een of meer kinderen betreft;

d. er sprake is van een moeilijk plaatsbaar buitenlands kind vanwege een, in beginsel door middel van bescheiden aangetoonde lichamelijke handicap, een manifeste gedragsstoornis, een meer dan normale achterstand in lichamelijke en/of geestelijke ontwikkeling, of een direkte noodzaak tot medische behandeling, die niet of bezwaarlijk in het land van herkomst kan plaats vinden.

Tussen partijen is in confesso –en de voorzieningenrechter stelt aan de hand van de geboortedatum van verzoekster en die van [B1] vast– dat het leeftijdsverschil tussen deze twee personen 40 jaren, twee maanden en een dag bedraagt. In het onderhavige geval kan dus niet voldaan worden aan de in artikel 5, zesde lid, van de Wobka opgenomen verplichting ten aanzien van het leeftijdsverschil tussen het adoptiefkind en de aspirant-adoptiefouder.

Terzake van [B1] staat vast dat hij thans nog niet de leeftijd van twee jaar heeft bereikt, dat hij geen jongere broer of zus van een reeds ter adoptie opgenomen buitenlands kind is, dat hij niet gezamenlijk met meerdere kinderen uit zijn familie wordt opgenomen en dat hij gezond is. Daarnaast is niet gebleken dat [B1] een moeilijk plaatsbaar kind is. Op basis van deze feiten en omstandigheden komt de voorzieningenrechter voorshands tot de conclusie dat er ten aanzien van [B1] geen sprake is van een van de in artikel 3, tweede lid, onder a. tot en met d., van de Richtlijnen genoemde omstandigheden.

Volgens de voorzieningenrechter heeft de in voornoemde bepaling gegeven opsomming van omstandigheden, gelet op de redactie van die bepaling, echter geen limitatief karakter: naast die omstandigheden kunnen er, zo blijkt ook uit de Toelichting op de Richtlijnen, nog andere soortgelijke omstandigheden zijn waarin een overschrijding van de leeftijdsgrens van 40 jaren kan worden toegestaan. Ook ingeval van die soortgelijke omstandigheden dient –naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter– het belang van het kind voorop te staan.

Verzoekster heeft zich op het standpunt gesteld dat er in het onderhavige geval sprake is van soortgelijke omstandigheden, als hierboven bedoeld. In dat kader heeft zij aangevoerd dat [B1] het achtste kind is van zijn moeder en dat zijn biologische vader niet dezelfde is als de vader van de broers en/of zussen van [B1].

Verzoekster heeft in dit geding niet aannemelijk gemaakt dat bovenomschreven feiten in het belang van [B1] zijn gelegen; die feiten hebben–naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter– meer betrekking op het belang van de biologische moeder van [B1]. Meergenoemde feiten zijn derhalve niet aan te merken als soortgelijke omstandigheden, als hierboven genoemd.

Laatstgenoemde omstandigheden zijn volgens verzoekster voorts gelegen in het feit dat de biologische moeder van [B1] weloverwogen en bewust heeft besloten om hem ter adoptie af te staan aan verzoekster.

Voor zover verzoekster met deze stelling wenst te betogen dat het in het belang van [B1] is als hij uitsluitend door haar wordt geadopteerd, overweegt de voorzieningenrechter dat verzoekster zulks in dit geding geenszins aannemelijk gemaakt heeft.

Voor zover verzoekster met bovenomschreven stelling wenst te betogen dat het in haar belang dan wel het belang van de biologische moeder van [B1] is dat hij door haar –verzoekster– wordt geadopteerd, overweegt de voorzieningenrechter dat bovenomschreven omstandigheid niet het belang van [B1] betreft en dat die omstandigheid om die reden niet is aan te merken als een soortgelijke omstandigheid, als hiervoor bedoeld.

Op basis van het vorenoverwogene komt de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel dat de zijdens verzoekster aangevoerde omstandigheden een overschrijding van de leeftijdsgrens van 40 jaren niet kunnen rechtvaardigen. Van andere omstandigheden die een dergelijke overschrijding wel zouden kunnen rechtvaardigen, is de voorzieningenrechter in dit geding voorshands niet gebleken.

Verzoekster heeft zich in dit geding verder op het standpunt gesteld dat de raad voor de kinderbescherming namens verweerder een onderzoek had dienen te verrichten.

Met ‘een onderzoek’ doelt verzoekster –naar de voorzieningenrechter voorshands begrijpt– op het onderzoek, als genoemd in artikel 3, derde lid, van de Richtlijnen.

Artikel 3, derde lid, van de Richtlijnen bepaalt dat in alle gevallen uit een specifiek daarop gericht onderzoek door de raad voor de kinderbescherming dient te blijken dat de aspirant-adoptiefouders geschikt zijn tot de verzorging en opvoeding van een buitenlands kind als bedoeld in het tweede lid, a. tot en met d. en dat risicofactoren redelijkerwijs uitgesloten worden geacht.

Nu in dit geding, zoals hiervoor is overwogen, geen sprake is van een van de in artikel 3, tweede lid, onder a. tot en met d., van de Richtlijnen genoemde en daarmee gelijk te stellen omstandigheden, is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat de raad voor de kinderbescherming geen onderzoek hoefde te verrichten naar de vraag of verzoekster geschikt is tot de verzoring en opvoeding van een buitenlands kind.

Verzoekster heeft tot slot nog een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Ter ondersteuning van dit beroep heeft zij verwezen naar een tweetal zaken.

In een van die zaken was, zo is zijdens verweerder te kennen gegeven, sprake van zeer bijzondere omstandigheden, bestaande uit hechting van het adoptiefkind aan de aspirant-adoptiefouders.

Terzake van die hechting heeft de gemachtigde van verzoekster, die ook de adoptiefouders in vorenbedoelde zaak heeft bijgestaan, ter zitting te kennen gegeven dat die ouders gedurende twee à drie weken naar Suriname, het land waar het betreffende adoptiefkind was geboren, zijn geweest en dat zij gedurende die tijd betrokken zijn geweest bij de verzorging van het kind.

Volgens voornoemde gemachtigde is er in het geval van verzoekster ook sprake van hechting van verzoekster aan [B1]. Zulks blijkt uit het feit dat verzoekster reeds in het bezit is van een aantal foto’s van [B1] en een door zijn biologische moeder geschreven brief.

Uit de zijdens verzoekster aangevoerde feiten en omstandigheden blijkt –naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter– niet dat verzoekster reeds gehecht is aan [B1]. Daarbij neemt de voorzieningenrechter mede in overweging dat ter zitting is komen vast te staan dat er tussen verzoekster en [B1], anders dan in de hierboven genoemde zaak, tot op heden nog geen lichamelijk contact van enige duur is geweest. Het feit dat het, zoals de gemachtigde van verzoekster ter zitting te kennen heeft gegeven, voor verzoekster niet zo gemakkelijk is om naar de USA te gaan, doet hier niets aan af; deze omstandigheid dient volgens de voorzieningenrechter voorshands voor rekening en risico van verzoekster te komen.

Terzake van de andere zaak waarnaar zijdens verzoekster is verwezen ter staving van haar beroep op het gelijkheidsbeginsel, stelt de voorzieningenrechter voorop dat de bewijslast terzake van haar stelling dat die zaak te vergelijken is met haar geval, op verzoekster rust. Verzoekster heeft deze stelling echter geenszins –met bescheiden– onderbouwd; die blote stelling acht de voorzieningenrechter in dat kader volstrekt onvoldoende.

Verzoeksters beroep op het gelijkheidsbeginsel kan in dit geding, gelet op het vorenoverwogene, niet slagen.

Gelet op al hetgeen hij hiervoor heeft overwogen is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat, nu geen van de zijdens verzoekster aangevoerde gronden kunnen slagen, het thans bestreden besluit van 28 december 2004 in een eventuele procedure zal worden gehandhaafd, weshalve er geen aanleiding is voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het daartoe strekkende verzoek dient dan ook te worden afgewezen.

Mitsdien wordt, mede gelet op artikel 8:84 van de Awb, als volgt beslist.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter van de rechtbank Maastricht:

wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.A.L. Devoi als griffier en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2005 door mr. Vluggen voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. J. Devoi w.g. F.A.G.M. Vluggen

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden op: 1 februari 2005

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.