Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2005:AS5132

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
19-01-2005
Datum publicatie
07-02-2005
Zaaknummer
AWB 04 / 311 WWB
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 november 2003 heeft verweerder eiseres een boete opgelegd ter hoogte van € 1.507,00.

Bij brief van 4 december 2003 is namens eiseres tegen dat besluit bezwaar gemaakt bij verweerder. Daarbij is aangevoerd, dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat eiseres de op haar rustende inlichtingenplicht niet is nagekomen. Eiseres vormde geen gezamenlijke huishouding met haar ex-echtgenoot en behoefde derhalve ook geen inlichtingen ter zake te verstrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 04 / 311 WWB

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[A],

wonende te Maastricht, eiseres,

tegen

het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Maastricht - Dienst Sociale en Economische Zaken -,

gevestigd te Maastricht, verweerder.

Datum bestreden besluit: 20 januari 2004

Kenmerk: 9830.62.08

Behandeling ter zitting: 4 november 2004

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 20 januari 2004 heeft verweerder een namens eiseres ingediend bezwaarschrift van 4 december 2003 tegen een door verweerder genomen besluit van 4 november 2003 gegrond verklaard.

Bij brief van 27 februari 2004 is tegen eerstgenoemd besluit namens eiseres beroep ingesteld door haar gemachtigde mr. A.M.H.E.G. Lemmens, advocaat te Maastricht.

Bij brief van 23 maart 2004 zijn de nadere gronden waarop het beroep berust bij de rechtbank ingediend.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van eiseres gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.

Bij brief van 25 oktober 2004 heeft de gemachtigde van eiseres nadere stukken ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 4 november 2004, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. Lemmens voornoemd.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door de heer L. Heuts.

De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

De feiten

Bij besluit van 4 november 2003 heeft verweerder eiseres een boete opgelegd ter hoogte van € 1.507,00.

Bij brief van 4 december 2003 is namens eiseres tegen dat besluit bezwaar gemaakt bij verweerder.

Daarbij is aangevoerd, dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat eiseres de op haar rustende inlichtingenplicht niet is nagekomen. Eiseres vormde geen gezamenlijke huishouding met haar ex-echtgenoot en behoefde derhalve ook geen inlichtingen ter zake te verstrekken.

Eiseres en haar gemachtigde zijn in de gelegenheid gesteld om op 8 januari 2004 op het bezwaar te worden gehoord. Zij hebben daarvan afgezien.

Het besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiseres gegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag verweerders standpunt, dat eiseres de op haar rustende inlichtingenplicht ex artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) niet is nagekomen, als gevolg waarvan sprake is van een fraude ter hoogte van € 14.360,17, welk niet nakomen gevolgd dient te worden door een boete ex artikel 14a van de Abw. De hoogte van de boete wordt verlaagd van € 1.507,00 naar € 1.306,00.

Het beroep

Eiseres kan zich met voormeld standpunt van verweerder niet verenigen. Daartoe is in beroep aan-ge-voerd, dat ten onrechte is vastgesteld dat eiseres een gezamenlijke huishouding voerde. Subsidiair wordt namens eiseres aangevoerd dat er dringende redenen zijn op grond waarvan verweerder dient af te zien van de oplegging van een boete.

Het verweer

In het verweerschrift heeft verweerder volstaan met een verwijzing naar het bestreden besluit.

De beoordeling

De rechtbank dient in dit geding te beoordelen, of het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Bij besluit van 23 januari 2003 heeft verweerder de aan eiseres toegekende bijstandsuitkering ingetrokken per 1 januari 2001 en de ten onrechte betaalde bijstand teruggevorderd. Tegen dit besluit is door noch namens eiseres een rechtsmiddel aangewend.

Het namens eiseres ingediende verzoek tot herziening van het besluit van 23 januari 2003 is door verweerder afgewezen. Het betreffende besluit is met de bij partijen bekende uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 1 juni 2004 onherroepelijk.

De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat met het onherroepelijk besluit van 23 januari 2003 verweerder zich in het thans bestreden besluit op goede gronden op het standpunt stelt dat eiseres de inlichtingenplicht ex artikel 65, eerste lid, van de Abw niet is nagekomen als gevolg waarvan aan eiseres ten onrechte bijstand is uitbetaald.

De rechtbank stelt verder vast dat verweerder op grond van artikel 14a, eerste lid, van de Abw gehouden was eiseres ter zake het bovenstaande een boete op te leggen.

In aansluiting op de uitspraken van de Centrale Raad van Beroep van 30 juni 2004 (LJN: AP6288), 6 juli 2004 (LJN: AQ1838), 5 oktober 2004 (LJN: AR3924) en 12 oktober 2004 (LJN: AR4018) overweegt de rechtbank verder als volgt.

De opgelegde boete is aan te merken als een straf in de zin van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR). Artikel 15, eerste lid, derde volzin, van dat verdrag bepaalt dat, indien na het begaan van het strafbare feit de wet mocht voorzien in de oplegging van een lichtere straf, de overtreder daarvan dient te profiteren.

Inmiddels is de Wet werk en bijstand (WWB) volledig in werking getreden. Deze wet kent niet langer de mogelijkheid van het opleggen van een boete zoals voorheen geregeld in artikel 14a van de Abw. In de plaats daarvan voorziet thans artikel 18 van de WWB juncto de op artikel 8, eerste lid, onder b, van deze wet gebaseerde Afstemmingsverordening 2004, vastgesteld door de raad van de gemeente Maastricht in zijn vergadering van 18 november 2003, in een verlaging van de bijstand bij het niet nakomen van de inlichtingenplicht.

Artikel 6, eerste lid, van de Afstemmingsverordening bepaalt dat de uitkering wordt verlaagd, indien de inlichtingenplicht niet wordt nagekomen. Artikel 7, tweede lid, van de verordening bepaalt verder dat de verlaging 10% bedraagt van de bijstandsnorm gedurende de periode dat de gedraging heeft plaatsgevonden. Anders dan onder de vigeur van artikel 14a van de Abw voorziet de verordening niet in de afronding van het boetebedrag naar boven op een veelvoud van € 11,00. Hiermee staat vast, dat de regeling onder de vigeur van artikel 18 van de WWB tot een gunstiger resultaat voor de belanghebbende leidt dan de regeling onder de vigeur van artikel 14a van de Abw.

De rechtbank stelt vervolgens vast dat verweerder om verder onduidelijke redenen het boetebedrag niet op 10% van het benadelingsbedrag heeft vastgesteld maar op een lager bedrag. Verweerder heeft hiermee kennelijk toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 14a, tweede lid, van de Abw. Nu verweerder ter zake ook ter zitting geen motivering heeft kunnen geven is de rechtbank van oordeel dat deze afwijking van de normhoogte van de boete, gelet op het punitieve karakter van de maatregel, volstrekt ongepast is. Zeker een punitieve maatregel dient voorzien te zijn van een deugdelijke motivering.

Mede gelet op de namens eiseres aangevoerde beroepsgrond, houdende dat er dringende redenen zijn om geheel af te zien van de boete, ziet de rechtbank in het bovenstaande voldoende aanleiding om het thans bestreden besluit te vernietigen. Zij overweegt daartoe dat thans niet vastgesteld kan worden, of de redenen die tot verlaging hebben geleid wellicht als dringende redenen moeten worden aangemerkt om geheel af te zien van het opleggen van een boete c.q. van een verlaging van de bijstand als bedoeld in de thans vigerende regelgeving.

Het bestreden besluit dient te worden vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Abw.

De rechtbank acht termen aanwezig om verweerder te veroordelen in de kosten, die eiseres in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Het bedrag van de kosten van de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbij-stand wordt daarbij vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

De rechtbank kent ter zake twee punten met elk een waarde van € 322,00 toe voor de indie-ning van het beroepschrift en de verschijning ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1). Het te ver-goeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x € 322,00 x 1 = € 644,00.

Nu aan eiseres ter zake van het beroep een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

Op grond van de artikelen 8:70, 8:72, 8:74 en 8:75 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

1. verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

2. draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres;

3. bepaalt dat aan eiseres het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 31,00 wordt vergoed door de gemeente Maastricht;

4. veroordeelt verweerder in de kosten van de beroepsprocedure bij de rechtbank, aan de zijde van eiseres begroot op € 644,00 wegens de kosten van rechtsbijstand, te betalen door de gemeente Maastricht aan de griffier van de rechtbank Maastricht.

Aldus gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen in tegenwoordigheid van mr. E.W. Seylhouwer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2005 door mr. Vluggen voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. E. Seylhouwer w.g. F.A.G.M. Vluggen

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 19 januari 2005

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.