Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2005:AS3853

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
12-01-2005
Datum publicatie
26-01-2005
Zaaknummer
AWB 04 / 696 WW
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser is van 10 november 2002 tot en met 31 december 2003 werkzaam geweest bij TPG-Post voor gemiddeld 10 uur per week.Op 9 december 2003 heeft eiser bij verweerder een aanvraag ingediend, strekkende tot toekenning van loonsuppletie ingevolge de WW van 10 november 2002 tot en met 31 december 2003.

Bij besluit van 12 januari 2004 is deze aanvraag afgewezen, omdat eiser niet voor tenminste 12 uur het werk heeft hervat en derhalve niet aan de voorwaarden voldoet om in aanmerking te komen voor loonsuppletie zoals bedoeld in artikel 130b van de WW en het Tijdelijk besluit loonsuppletie WW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 04 / 696 WW

Uitspraak van de enkelvoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[A],

wonende te Heerlen, eiser,

tegen

Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen -Heerlen-,

gevestigd te Amsterdam, verweerder.

Datum bestreden besluit: 27 april 2004

Kenmerk: 27703520 112365450

Behandeling ter zitting: 22 november 2004

1. Ontstaan en loop van het geding

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 27 april 2004 heeft verweerder het door eiser ingediende bezwaarschrift van 28 januari 2004 tegen het door verweerder genomen besluit van 12 januari 2004, waarbij werd besloten om aan eiser geen loonsuppletie toe te kennen ingevolge de Werkloosheidswet (WW), ongegrond verklaard.

Bij brief van 6 mei 2004 heeft eiser tegen eerstgenoemd besluit beroep ingesteld bij deze rechtbank.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan eiser gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 22 november 2004,waar eiser in persoon is verschenen. Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mevrouw mr. C.H.M.J. Arets-Zeptner.

2. Overwegingen

De feiten

Eiser is van 10 november 2002 tot en met 31 december 2003 werkzaam geweest bij TPG-Post voor gemiddeld 10 uur per week.

Op 9 december 2003 heeft eiser bij verweerder een aanvraag ingediend, strekkende tot toekenning van loonsuppletie ingevolge de WW van 10 november 2002 tot en met

31 december 2003.

Bij besluit van 12 januari 2004 is deze aanvraag afgewezen, omdat eiser niet voor tenminste 12 uur het werk heeft hervat en derhalve niet aan de voorwaarden voldoet om in aanmerking te komen voor loonsuppletie zoals bedoeld in artikel 130b van de WW en het Tijdelijk besluit loonsuppletie WW.

Bij brief van 28 januari 2004 heeft eiser tegen dat besluit bezwaar gemaakt bij verweerder.

Daarbij heeft hij aangevoerd, dat hij feitelijk meer dan 12 uur per week heeft gewerkt en dat dit ook blijkt uit de aan verweerder opgegeven gewerkte uren en de loonstroken van TPG-Post.

Eiser is in de gelegenheid gesteld om op 5 maart 2004 op het bezwaar te worden gehoord.

Hij heeft bij die gelegenheid onder meer naar voren gebracht, dat hij het onbegrijpelijk acht dat de loonsuppletie is afgewezen omdat hij geen contract van 12 uur per week heeft, terwijl hij wel gemiddeld 19 uur per week werkte. Voorts heeft eiser aangegeven dat TPG-Post zijn contract niet kan en mag wijzigen naar 12 uur per week en dat hij in de folder die hij bij zijn aanvraag van de loonsuppletie heeft ontvangen, niet kan terugvinden dat er sprake moet zijn van een contract van meer dan 12 uur per week.

Het besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard.

Aan dit besluit ligt ten grondslag verweerders standpunt, dat ingevolge artikel 4 van het Tijdelijk besluit loonsuppletie WW slechts loonsuppletie kan worden toegekend indien een uitkeringsgerechtigde een dienstbetrekking voor ten minste 12 uur per week aanvaardt. Volgens het arbeidscontract van eiser, is eiser een arbeidsduur van gemiddeld 10 uur overeengekomen en dat is onvoldoende om loonsuppletie krachtens artikel 130b van de WW en het Tijdelijk besluit loonsuppletie WW toe te kennen.

Het beroep

Eiser kan zich met voormeld standpunt van verweerder niet verenigen. Daartoe heeft hij aangevoerd, dat hij weliswaar een contract heeft voor minder dan 12 uur per week, maar dat hij meer dan 12 uur per week heeft gewerkt. Eiser heeft aangevoerd dat hij telkens heeft aanvaard dat hij overuren en andere werkzaamheden diende te verrichten. Voorts heeft eiser aangevoerd dat UWV het recht op loonsuppletie kan weigeren en niet moet weigeren. Eiser heeft aangevoerd dat verweerder alleen aan de hand van de regels die opgenomen zijn in het Tijdelijk besluit loonsuppletie WW kan beslissen zonder het aspect van de Nota van toelichting te bezien, waarop het tijdelijke besluit is gebaseerd.

Het verweer

In het verweerschrift heeft verweerder naar voren gebracht, dat in artikel 4 van het Tijdelijk besluit loonsuppletie WW wordt gesproken over het aanvaarden van arbeid in dienstbetrekking voor ten minste 12 uur per week. Het aanvaarden duidt volgens verweerder op het aangaan van de arbeidsovereenkomst en niet op het feitelijk verrichten van de arbeid in dienstbetrekking.

De arbeidsovereenkomst van eiser is aangegaan voor minder dan 12 uur per week. Verweerder blijft van oordeel dat het beroep van eiser ongegrond is.

De beoordeling

De rechtbank dient in dit geding te beoordelen, of het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Het onderhavig geding spitst zich toe op de vraag of verweerder terecht en op goede gronden heeft besloten om geen loonsuppletie aan eiser toe te kennen omdat eiser een arbeidsovereenkomst is aangegaan voor minder dan 12 uur per week.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Artikel 130b van de WW luidt als volgt:

1. Bij algemene maatregel van bestuur kan ten behoeve van een experiment met een tijdsduur van ten hoogste vier jaar, dat ten doel heeft de inschakeling in het arbeidsproces te bevorderen van werknemers die recht hebben op uitkering op grond van Hoofdstuk IIa of IIb, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen de bevoegdheid worden gegeven tot toekenning van loonsuppletie bij werkaanvaarding tegen een lager loon dan de uitkering die, als gevolg van de eindiging van het recht daarop wegens de vermindering van het verlies aan arbeidsuren, niet langer wordt betaald.

3. In de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur wordt in ieder geval bepaald:

a. de periode gedurende welke de bevoegdheid tot toekenning van loonsuppletie bestaat;

b. aan welke groepen werknemers loonsuppletie kan worden toegekend;

c. het resultaat dat met het experiment wordt beoogd.

Op grond van artikel 130b van de WW werd het Tijdelijk besluit loonsuppletie WW vastgesteld (verder: het Besluit).

Artikel 4 van het Besluit luidt als volgt:

1. Het UWV kan aan uitkeringsgerechtigden die arbeid in dienstbetrekking aanvaarden voor ten minste twaalf uur per kalenderweek, op aanvraag, loonsuppletie toekennen indien het loon uit die dienstbetrekking lager is dan de WW-uitkering die, als gevolg van de eindiging van het recht daarop wegens vermindering van het verlies aan arbeidsuren, niet langer wordt betaald.

2. De loonsuppletie wordt verstrekt over kalenderweken waarover loon uit de in het eerste lid bedoelde dienstbetrekking wordt ontvangen.

3. Als kalenderweken waarover loon uit de in het eerste lid bedoelde dienstbetrekking wordt ontvangen, worden eveneens aangemerkt kalenderweken waarover een uitkering op grond van de Ziektewet wordt ontvangen in verband met ongeschiktheid tot het verrichten van de arbeid in die dienstbetrekking of een uitkering op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1, van de Wet arbeid en zorg.

4. Het UWV heeft de bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, niet meer na afloop van het kwartaal, volgend op het kwartaal waarin het aantal uitkeringsgerechtigden, waaraan loonsuppletie is toegekend, de duizend heeft bereikt.

Op grond van de gedingstukken kan als vaststaand worden aangenomen, dat eiser een arbeidsovereenkomst met TPG-Post is aangegaan voor gemiddeld 10 uur per week. Voorts dient als vaststaand te worden aangenomen dat eiser feitelijk in de meeste weken gemiddeld meer dan 12 uur per week heeft gewerkt.

Door eiser is aangegeven dat het voor hem niet duidelijk was dat bij de beoordeling voor het al dan niet toekennen van loonsuppletie wordt gekeken naar het aantal overeengekomen uren per week in de arbeidsovereenkomst en niet naar de feitelijke verrichte arbeidsuren per week. Dit blijkt volgens eiser ook niet uit de folder die hij bij zijn aanvraag heeft ontvangen.

Een afschrift van de folder experimenten WW werd tijdens de zitting door eiser aan de rechtbank en aan verweerder overhandigd.

Naar het oordeel van de rechtbank is door de wetgever in artikel 130b van de WW de mogelijkheid geopend om bij wijze van algemene maatregel van bestuur de bevoegdheid voor verweerder te creëren voor het toekennen van loonsuppletie. Van deze mogelijkheid is gebruik gemaakt bij de vaststelling van het Tijdelijk besluit loonsuppletie WW (verder: het Besluit).

Op grond van dit Besluit heeft verweerder de bevoegdheid om bij wijze van experiment loonsuppletie toe te kennen aan bepaalde groepen werkloze werknemers die werk aanvaarden tegen een lager loon dan (het deel van) de WW-uitkering die wordt beëindigd vanwege werkaanvaarding.

Gelet op artikel 4 van het Tijdelijke besluit loonsuppletie WW dient de uitkeringsgerechtigde werk te aanvaarden in een dienstbetrekking voor minimaal 12 uur per week om in aanmerking te komen voor loonsuppletie.

Blijkens de toelichting op het Tijdelijke besluit loonsuppletie WW is de minimale omvang van de dienstbetrekking vastgesteld op twaalf uur per kalenderweek, zodat de WW-gerechtigde enige garantie heeft op het vooruitzicht van een substantiële plaats op de arbeidsmarkt. Tevens wordt hierdoor bevorderd dat aan betrokkene een takenpakket met een dusdanige omvang wordt aangeboden dat een continue plek binnen de arbeidsorganisatie wordt verkregen.

De rechtbank stelt voorts vast dat in de toelichting op het aanvraagformulier om in aanmerking te kunnen komen voor het experiment loonsuppletie, het formulier Verzoek om toelating tot een WW-experiment staat aangegeven dat een voorwaarde voor de toelating is dat tijdens het recht op WW-uitkering voor minimaal 12 uur per week werkzaamheden in dienstbetrekking aanvaard worden tegen een lager loon dan de uitkering. Voorts is in deze toelichting bepaald dat voor meer informatie over de voorwaarden en criteria contact kan worden opgenomen met de uitvoeringsinstelling (verweerder).

Bij de toelichting op vraag 20 is voorts aangegeven dat bij deze vraag het aantal uren dat het dienstverband op basis van de arbeidsovereenkomst per week in beslag neemt vermeld dient te worden.

De rechtbank is van oordeel dat uit de tekst van artikel 130b van de WW en het Besluit blijkt dat de wetgever de mogelijkheid van loonsuppletie niet heeft geformuleerd als een recht van de werknemer dat van rechtswege ontstaat en dat zonder meer kan worden afgedwongen, maar als een bevoegdheid voor verweerder.

Verweerder verlangt verder dat dit dienstverband wordt neergelegd in een arbeidsovereenkomst. De rechtbank is van oordeel dat dit beleid in zijn algemeenheid niet onredelijk is.

Uit de bepalingen van het Tijdelijk besluit loonsuppletie WW en uit de bij de aanvraag overhandigde toelichting concludeert de rechtbank dat er sprake dient de zijn van een aanvraag voor loonsuppletie bij de aanvang van de dienstbetrekking. De rechtbank is op grond van het woord aanvaarden van oordeel dat het aanvragen van de loonsuppletie niet met terugwerkende kracht kan geschieden.

De rechtbank stelt in dit verband vast dat het doel van het besluit is om werkloze werknemers te stimuleren werk te aanvaarden tegen een lager loon. Ook vanwege dit doel is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden overgegaan tot het toekennen van loonsuppletie met terugwerkende kracht. Van een stimuleringsregeling kan immers geen sprake meer zijn als reeds begonnen is met de werkzaamheden, laat staan als het dienstverband afloopt.

Het verzoek om loonsuppletie van eiser dient naar het oordeel van de rechtbank dan ook reeds hierom te worden afgewezen.

Op grond van artikel 8:70 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. F.A.G.M. Vluggen in tegenwoordigheid van mw. mr. N.L.A. Thomas-Ackermann als griffier en in het openbaar uitgesproken op 12 januari 2005

door mr. Vluggen voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. N.L.A. Thomas-Ackermann w.g. F.A.G.M. Vluggen

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 12 januari 2005

Voor een belanghebbende en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Bij een spoedeisend belang bestaat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan, nadat hoger beroep is ingesteld, tevens de mogelijkheid om de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep te verzoeken een voorlopige voorziening te treffen, als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht.