Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBMAA:2004:AS2061

Instantie
Rechtbank Maastricht
Datum uitspraak
19-10-2004
Datum publicatie
11-01-2005
Zaaknummer
AWB 03 / 1814 BELEI
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2005:AU1126
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Met name spitst de vraag zich toe of verweerder terecht het verzoek om bestuurscompensatie heeft afgewezen omdat eiser op grond van artikel 5, eerste lid van de Deltawet juncto artikel 74, tweede lid van de Onteigeningswet de mogelijkheid heeft een schadevergoeding door de burgerlijke rechter te laten vaststellen en hiermee de mogelijkheid is komen te vervallen een beroep te doen op nadeelcompensatie op grond van de Verordening Bestuurscompensatie van het Waterschap Roer en Overmaas.

Uitspraak in hoger beroep bevestigd; LJN AU1126.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK MAASTRICHT

Sector Bestuursrecht

Procedurenummer: AWB 03 / 1814 BELEI

Uitspraak van de meervoudige kamer voor bestuursrechtelijke zaken

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats], eiser,

tegen

het Dagelijks Bestuur van het Waterschap Roer en Overmaas,

gevestigd te Sittard, verweerder.

Datum bestreden besluit: 24 november 2003

Kenmerk: DB03247RL.DOC

Behandeling ter zitting: 9 augustus 2004

I. Ontstaan en loop van het geding

Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 24 november 2003 heeft verweerder een namens eiser ingediend bezwaarschrift van 12 augustus 2003 tegen een door verweerder genomen besluit van 30 juni 2003 (verzonden 1 juli 2003) ongegrond verklaard.

Tegen eerstgenoemd besluit is namens eiser beroep ingesteld.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken zijn in kopie aan de gemachtigde van eiser gezonden, evenals het door verweerder ingediende verweerschrift.

Het beroep is behandeld ter zitting van deze rechtbank op 9 augustus 2004, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. A.J.L.J. Pfeil, advocaat te Maastricht.

Verweerder heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door mevrouw mr. C.M.H. Jeuriëns-Vanneer, medewerker Algemene en Juridische Zaken afdeling Middelen van het Waterschap Roer en Overmaas.

2. Overwegingen

De feiten

Op 28 augustus 1995 heeft het Waterschap Roer en Overmaas (hierna: het Waterschap) op grond van artikel 5 Deltawet Grote Rivieren (hierna: Deltawet) onverwijld in bezit genomen een aantal aan eiser en zijn echtgenote in eigendom toebehorende gronden te [plaats], plaatselijk genaamd [locaties], kadastraal Gemeente [plaats] sectie […] nummers […] en […], samen groot ca. 12.29.55 hectare, ook wel bekend als het [naam].

Deze percelen waren voorheen op basis van reguliere pacht in agrarisch gebruik.

Het Waterschap is tot deze inbezitneming overgegaan nadat overeenstemming met eiser over een minnelijke regeling met betrekking tot de te vergoeden schade was uitgebleven.

Bij exploot van 27 november 1995 heeft het Waterschap eiser een aanbod inzake schadeloosstelling gedaan ter voldoening aan het bepaalde in artikel 74, eerste lid, van de Onteigeningswet. Deze artikelen zijn op grond van artikel 5, eerste lid van de Deltawet van toepassing verklaard.

Het aanbod hield in dat eiser de gronden, door het Waterschap pachtvrij gemaakt en rekening houdend met de verminderde gebruiksmogelijkheden in de toekomst c.q. inkomstenderving, kon verwerven tegen een (bij)betaling van f 195.000,-- te verminderen met deskundigenkosten en belastingschade.

In dit aanbod staat vermeld dat, indien dit niet wordt geaccepteerd, eiser het Waterschap dient te dagvaarden voor de rechtbank teneinde de verschuldigde schadeloosstelling te doen vaststellen.

Na onderhandelingen tussen eiser en verweerder is op 17 juni 1997 een vaststellingsovereenkomst gesloten. Hierin verplicht het Waterschap zich onder meer de onteigende gronden aan eiser om niet in eigendom over te dragen en verplicht eiser zich om de door het Waterschap gegraven geul in stand te laten, met daaraan verbonden de gehoudenheid van het Waterschap eventueel drijfvuil uit de geul te verwijderen. In artikel 6 verklaren zij dat na uitvoering van het bepaalde in deze overeenkomst, behoudens voor wat betreft de belastingschade, zij elkaar over en weer finaal kwijten en niets meer van elkaar te vorderen te hebben, hoe ook genaamd.

Namens eiser is in een brief van 22 mei 2002 een verzoek tot nadeelcompensatie bij het Waterschap ingediend op grond van de Verordening bestuurscompensatie Waterschap Roer en Overmaas (hierna: de Verordening.)

Eiser heeft hierin aangevoerd schade te hebben geleden ten gevolge van de werkzaamheden die het Waterschap heeft gerealiseerd ter uitvoering van de Deltawet grote rivieren, namelijk de aanleg van een kade, waartoe het Waterschap gronden van eiser heeft onteigend.

Eiser heeft verder naar voren gebracht dat de gronden ernstig zijn aangetast door de werkzaamheden welke door c.q. in opdracht van het Waterschap zijn uitgevoerd. Met name is er beduidend meer grond afgegraven dan aangezegd. Het gevolg hiervan is dat de bodem ter plaatse thans gevormd wordt door grind, waardoor zij min of meer onvruchtbaar is. Voorts staat de grond meer dan voorheen onder water en ligt er de nodige rommel.

Het verzoek gaat vergezeld van een taxatierapport van A.A. van Mierlo van Rentmeesterkantoor Limburg BV.

In een brief van 20 juni 2002 heeft het Waterschap eiser bericht dat het verzoek in eisers brief van 22 mei 2002 afgehandeld zal worden met toepassing van de Verordening. Dit houdt onder meer in dat het verzoek voorgelegd zal worden aan een onafhankelijke commissie van deskundigen.

In een schrijven van 7 augustus 2002 aan het Waterschap is namens eiser medegedeeld dat zonder enig overleg met eiser een commissie is samengesteld. Verder is naar voren gebracht dat de leden in zeer nauw verband staan met de (semi)overheid en voor hun opdrachten vrijwel volledig afhankelijk zijn van de (semi)overheid.

In het antwoord van 23 oktober 2002 wordt medegedeeld dat de mening van eiser dat de onafhankelijkheid van de deskundigen in het gedrang komt, nu zij ook werkzaamheden verrichten voor andere overheidslichamen, niet gedeeld wordt en dat de thans samengestelde advies commissie voldoet aan de criteria die de Verordening daaraan stelt.

In een brief van 31 oktober 2002 aan het Waterschap is namens eiser medegedeeld dat gegeven het feit dat in de samenstelling van de commissie geen enkele inspraak is gegeven, niet kan worden gesproken van een objectieve, met voldoende waarboren omgeven, procedure.

Eiser en verweerder zijn tijdens een hoorzitting van de commissie in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Hiervan is een verslag gemaakt.

In een advies van 17 januari 2003 komt de commissie tot de conclusie eiser niet in aanmerking te laten komen voor nadeelcompensatie.

De commissie overweegt primair dat bij onverwijlde inbezitneming als bedoeld in artikel 5 van de Deltawet, artikel 74 tweede lid van de Onteigeningwet voorziet in de mogelijkheid voor de onteigende, indien hem op de voet van het eerste lid een aanbod inzake de schadeloosstelling is gedaan en hij daarmee niet kan instemmen, dit aanbod te laten toetsen door de burgerlijke rechter.

Alleen al op deze grond meent de commissie dat het verzoek moet worden afgewezen.

Subsidiair is de commissie van mening dat er termen aanwezig zouden kunnen zijn om eiser in aanmerking te laten komen voor nadeelcompensatie indien het Waterschap bij de onverwijlde inbezitneming, de berekening van de schadeloosstelling of het aangaan van de vaststellingsovereenkomst zo zeer gehandeld zou hebben in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur dat er termen aanwezig zijn om eiser in aanmerking te laten komen voor nadeelcompensatie. Deze toetsing kan slechts marginaal zijn.

Bij besluit van 30 juni 2003 heeft verweerder het verzoek van eiser om nadeelcompensatie als gevolg van de uitvoering van de Deltawet afgewezen. Het advies van de commissie is hierbij overgenomen.

Middels een schrijven van 12 augustus 2003 is namens eiser bezwaar aangetekend tegen dit besluit.

Eiser en zijn gemachtigde zijn in de gelegenheid gesteld om op 11 november 2003 op het bezwaar te worden gehoord. Bij die gelegenheid is onder meer zijdens eiser naar voren gebracht dat de nadeelcompensatieregeling van toepassing is omdat het schade betreft die het gevolg is van de inbezitneming en deze nadeelcompensatieregeling nu juist beoogt die schade te vergoeden.

Zijdens verweerder wordt onder meer aangevoerd dat de nadeelcompensatieregeling een vangnetregeling is voor het geval niet op een andere wijze vergoeding voor de opgelopen schade verkregen kan worden. In de Deltawet wordt voor een schadevergoeding verwezen naar de Onteigeningswet met een beroepsmogelijkheid op de burgerlijke rechter.

Op 18 november 2003 heeft de bezwarencommissie haar advies uitgebracht en geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het bezwaar.

De commissie concludeert dat eiser zich met zijn verzoek tot vergoeding van de door hem geleden schade moet wenden tot de burgerlijke rechter, omdat schade als gevolg van de onverwijlde inbezitneming van de gronden conform de wet door de civiele rechter vastgesteld dient te worden.

Het besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het advies van de bezwaren commissie overgenomen en het bezwaarschrift van eiser ongegrond verklaard.

Het beroep

Eiser kan zich met voormeld standpunt van verweerder niet verenigen. Daartoe is in beroep kort en zakelijk weergegeven aangevoerd, dat het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd is.

In het bestreden besluit wordt niet ingegaan op het feit dat:

-het Waterschap voorafgaand aan de inbezitneming niet gepoogd heeft om met eiser tot

overeenstemming te geraken door met [bedrijf] Aannemingsmaatschappij te onderhandelen,

waarin eiser indertijd al geen belang meer had;

-de onderhandelingen tussen het Waterschap en [bedrijf] Aannemingsmaatschappij ten tijde van

het besluit tot inbezitneming wezen op (naderende) instemming tussen partijen;

-dat inbezitneming van de gronden in het geheel niet nodig zou zijn geweest;

-dat het Waterschap in het exploot van 27 november 1995 onvoldoende duidelijk heeft

gemaakt hoe het aanbod was opgebouwd en vragen van eiser om nadere uitleg heeft

beantwoord met de dreiging

verder overleg c.q. de mogelijkheid van teruggave der gronden te zullen blokkeren;

-de aan eiser teruggegeven gronden geheel andere eigenschappen bezitten na teruggave dan

verweerder had voorgespiegeld;

-het Waterschap onzorgvuldig gehandeld heeft door onnodig teveel en ongelijkmatig grond

af te graven;

-het Waterschap onzorgvuldig gehandeld heeft door ten behoeve van het pachtvrij maken

van de gronden meer aan pachters uit te keren dan hun toekwam en personen schadeloos te

stellen die in het geheel geen pachter waren en

-het Waterschap in het bijzonder ook onzorgvuldig gehandeld heeft door eiser te misleiden

aangaande de waarde van zijn gronden.

Verweerder is ten onrechte niet ingegaan op eisers bezwaren tegen de samenstelling van de commissie van deskundigen en op het feit dat deze commissie niet de door eiser geleden schade heeft vastgesteld.

Verweerder heeft ten onrechte verwezen naar de in de Onteigeningswet voorziene procedure nu verweerder en eiser ervoor gekozen hebben deze procedure niet te volgen. Verweerder zelf heeft eiser gewezen op de mogelijkheid om langs de bestuursrechtelijke weg nadeelcompensatie te verkrijgen.

Eiser vordert de vernietiging van het bestreden besluit en verzoekt te bepalen dat hij in aanmerking komt voor nadeelcompensatie met veroordeling van het Waterschap in de kosten van de procedure.

Het verweer

In het verweerschrift heeft verweerder - naast zijn primaire conclusie dat uitsluitend de burgerlijke rechter bevoegd is - onder meer naar voren gebracht, dat de besluiten van 30 juni 2003 en 24 november 2003 gemotiveerd zijn op basis van de door de deskundigencommissie en bezwaren- commissie afgegeven adviezen.

Het verzoek om nadeelcompensatie dient te worden afgewezen nu de schadevergoeding op een andere wijze dient te worden gevorderd.

Artikel 5 lid 1 van de Deltawet grote rivieren verwijst voor de procedure omtrent de bepaling van het aanbod tot schadeloosstelling naar de Onteigeningswet. Indien het aanbod niet wordt aanvaard zal eiser verweerder moeten dagvaarden voor de civiele rechter om de schadeloosstelling te laten vaststellen.

Verder heeft verweerder aangevoerd dat benodigde speciewinning alleen mogelijk was na inbezitneming omdat met eiser geen overeenstemming kon worden bereikt.

Ten aanzien door eiser gestelde onduidelijkheid van het exploot van 27 november 1995 merkt verweerder op dat de onderhandelingen er op gericht zijn geweest dat eiser na de speciewinning de gronden teruggeleverd zou krijgen. Bij teruglevering van de gronden diende eiser het voordeel van het pachtvrij maken van de gronden ad f 357.500,-- aan het Waterschap te betalen. De schade die het gevolg was van de speciewinning en de aangelegde hoogwatergeul werd begroot op f 162.500,-- en zou het Waterschap aan eiser betalen. Met betrekking tot deze geul zijn zeer duidelijke afspraken met eiser gemaakt die zijn opgenomen in de akte van teruglevering en de vaststellingsovereenkomst.

De mening van eiser dat het Waterschap aan de pachters en gebruikers ten behoeve van het pachtvrij maken van de gronden teveel betaald heeft, staat los van zijn vordering tot nadeelcompensatie nu deze vergoeding volgens de vaststellingsovereenkomst voor rekening van het Waterschap komt.

Vóór de inbezitneming is geruime tijd onderhandeld over de vaststellingsovereenkomst waarbij eiser werd bijgestaan door juridische deskundigen (mr.Plantaz en mr. Hoyng) alsmede door een technisch deskundige (Haskoning).

De beoordeling

De rechtbank dient in dit geding te beoordelen of het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel.

Met name spitst de vraag zich toe of verweerder terecht het verzoek om bestuurscompensatie heeft afgewezen omdat eiser op grond van artikel 5, eerste lid van de Deltawet juncto artikel 74, tweede lid van de Onteigeningswet de mogelijkheid heeft een schadevergoeding door de burgerlijke rechter te laten vaststellen en hiermee de mogelijkheid is komen te vervallen een beroep te doen op nadeelcompensatie op grond van de Verordening Bestuurscompensatie van het Waterschap Roer en Overmaas.

De rechtbank overweegt dienaangaande het volgende.

Artikel 5 lid 1 van de Deltawet grote rivieren luidt:

1. Indien onverwijlde inbezitneming van onroerende zaken ten behoeve van de uitvoering van een werk als bedoeld in artikel 1 volstrekt noodzakelijk geacht wordt, kan deze, voor zover die onroerende zaken in het plan zijn aangewezen, op last van de beheerder geschieden. De artikelen 73, vijfde en zesde lid, 74, 75 en 76 van de Onteigeningswet zijn van toepassing.

In een schrijven van 28 augustus 1995 aan eiser en zijn echtgenote heeft het Waterschap een last gegeven tot onverwijlde inbezitneming van de betreffende percelen.

Artikel 2 van de Onteigeningswet luidt:

De bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering zijn op het geding tot onteigening toepasselijk, voor zooveel daarvan bij deze wet niet is afgeweken.

Artikel 74, eerste en tweede lid, van de Onteigeningswet luiden:

1.Zoodra mogelijk na de onteigening, moet degene, die haar bevolen heeft, aan de onteigenden gerechtelijk een schadevergoeding aanbieden, of in de gevallen, in artikel 58, eerste lid, genoemd consigneren.

2. Indien dit aanbod of die consignatie niet binnen drie maanden is geschied, alsmede wanneer met het aangebodene geen genoegen wordt genomen, kan de schadevergoeding in regten door de onteigenden worden gevorderd.

Bij exploit van 27 november 1995 heeft verweerder aan eiser het in artikel 74, eerste lid, van de Onteigeningswet bedoelde aanbod tot schadevergoeding gedaan.

Hierin staat dat, indien het aanbod niet wordt geaccepteerd, eiser en zijn echtgenote verweerder zullen moeten dagvaarden voor de rechtbank teneinde de verschuldigde schadeloosstelling te doen vaststellen.

Eiser heeft het aanbod niet geaccepteerd en heeft naar het oordeel van de rechtbank kennelijk de keuze gemaakt niet tot dagvaarding over te gaan maar alsnog te trachten met verweerder tot overeenstemming te komen over een schadeloosstelling.

Immers sedert het moment van de onverwijlde inbezitneming (28 augustus 1995) is blijkens de correspondentie tussen de voormalige raadlieden en het Waterschap onderhandeld over de te vergoeden schade.

Aanwijzingen hiervoor ziet de rechtbank onder meer in een schrijven van 21 september 1995 van mr. A. Plantaz aan het Dagelijks Bestuur van het Waterschap over de schade die ontstaan is door een afgraving van de specielaag van meer dan 1 meter en de consequenties voor toekomstige grindwinningsperspectieven;

Uit de brieven van 15 januari 1996, 7 maart 1996, 8 mei 1996, 5 juli 1996, 25 september 1996, 9 oktober 1996, 11 oktober 1996, 23 oktober 1996, 11 december 1996, 17 december 1996, 18 december 1996, 16 april 1997 van de voormalige raadslieden blijkt dat alle schadeaspecten die het gevolg waren van de onteigening en van de daarop volgende werkzaamheden ten behoeve van de speciewinning aan de orde zijn geweest.

Dit onderhandelingsproces is naar het oordeel van de rechtbank uitgemond in de vaststellingsovereenkomst van 17 juni 1997 tussen eiser en het Waterschap die gezien de inhoud van het daaraan voorafgaande onderhandelingsproces naast een vergoeding voor de onteigening eveneens een vergoeding voor de door eiser geleden schade ter zake van het verlies van kleigrond, de verminderde mogelijkheid van ontgrinding en het verlies van de agrarische mogelijkheden omvat.

De rechtbank wordt gesterkt in haar oordeel door het feit dat eiser op het moment van het sluiten van de overeenkomst op de hoogte was van de wijze van afgraving, de verminderde mogelijkheden tot ontgrinding en het verlies aan agrarische mogelijkheden.

Artikel 6 van de vaststellingsovereenkomst luidt:

Na uitvoering van het bepaalde in deze overeenkomst verklaren partijen elkaar over en weer finaal te kwijten en niets meer van elkaar te vorderen te hebben, hoe ook genaamd.

Nu eiser voor het verhaal van de schade ten gevolge van de onteigening niet de weg gekozen heeft van artikel 74 lid 2 Onteigeningswet maar middels de vaststellingsovereenkomst van 17 juni 1997 er voor heeft gekozen het Waterschap finaal te kwijten voor de geleden en te lijden schade, is het aan de burgerlijke rechter te oordelen over een geschil ter zake en niet aan de bestuursrechter.

Voor het toekennen van nadeelcompensatie op grond van artikel 2 van de Verordening is geen plaats omdat de vraag die gesteld wordt in artikel 6, eerste lid, onderdeel b of vergoeding van de schade niet, of niet voldoende anderszins is verzekerd, negatief beantwoord moet worden.

De rechtbank heeft in dit verband kennis genomen van het vonnis van de burgerlijke rechter van 16 juni 2004 met zaaknummer 87420/HA ZA03-982.

De rechtbank deelt dan ook de conclusie van verweerder - zij het op andere gronden - dat eiser

een geschil ter zake van de geleden en te lijden schade moet voorleggen aan de burgerlijke rechter.

Naar de mening van de rechtbank heeft verweerder bij eiser ten aanzien van de te volgen procedure bij eiser geen onduidelijkheid gewekt en is het exploit van 27 november 1995 waarin expliciet verwezen wordt naar het bepaalde in artikel 74 en 75 van de Onteigeningswet helder. De rechtbank betrekt in haar oordeel dat eiser zich ter zake heeft laten begeleiden door deskundigen op juridisch en technisch gebied.

Ook overigens is de rechtbank niet gebleken, dat het bestreden besluit in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel met enig algemeen rechtsbeginsel, zodat het beroep van eiser voor ongegrond moet worden gehouden

Op grond van het bepaalde in artikel 8:70 van de Awb wordt als volgt beslist.

3. Beslissing

De rechtbank Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. A.W. Oosterman, voorzitter, mr. J.F.W. Huinen en mr. J.N.F.Sleddens in tegenwoordigheid van mevrouw mr. E.B.A. Ferwerda als griffier en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2004 door mr. Oosterman voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. Ferwerda w.g. Oosterman

Voor eensluidend afschrift,

de griffier,

Verzonden: 20 oktober 2004

Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen deze uitspraak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA

’s-Gravenhage. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak.

Indien hoger beroep is ingesteld kan ingevolge het bepaalde in artikel 39 van de Wet op de Raad van State juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.